LEH 1
De rechtshandeling
Het begrip heeft geen begripsomschrijving, dit neemt niet weg dat de wet aanwijzingen
bevat over wat de wetgever zich bij het verschijnsel rechtshandeling heeft voorgesteld. Art.
3:33 BW geeft aan wat voor een rechtshandeling nodig is.
De omschrijving van het begrip is omstreden omdat zij samenhangt met een verschil aan
inzicht met betrekking tot de waarde die aan wilsverklaring en vertrouwen toekomt in het
kader van het totstandkoming leerstuk.
Dat de rechtshandeling is gericht op het intreden van een rechtsgevolg onderscheidt deze
van gewonde handelingen. Het lezen van een krant en het lopen door een bos zijn
menselijke handelingen, geen rechtshandelingen, want ze zijn niet gericht op het ontstaan,
het gewijzigd raken of het tenietgaan van een juridische relatie. Wanneer een persoon zo
handelt dat hij aan een ander schade toebrengt is voor het recht wel relevant. Dit is echter
negatief geaard: het recht wenst zulk onrechtmatig gedrag niet en verbindt eraan een
verbintenis tot vergoeding van de veroorzaakte schade. Het is een voor recht relevante
handeling en roept een rechtsgevolg in het leven maar het is nog geen rechtshandeling: het
gedrag is bij een o.d. puur op feitelijk gevolg gericht terwijl het recht er uit eigen beweging
een verbintenis aan koppelt.
Ten aanzien van rechtshandelingen is de houding van het recht positief.
Een rechtsfeit kan worden omschreven als een feit waaraan rechtsgevolg is verbonden, tot
deze rubriek behoort de rechtshandeling. Aan de kwalificatie rechtsfeit zijn geen
rechtsgevolgen verbonden. De gedachtegang verloopt immers andersom: een feit wordt
rechtsfeit genoemd omdat is geconstateerd dat aan dat feit een of meer rechtsgevolgen
verbonden zijn.
Meerzijdige en eenzijdige rechtshandelingen
De meerzijdige rechtshandeling is een op rechtsgevolg gerichte handeling die door meer
dan één persoon wordt verricht (bijv. a doet aan b een aanbod, b aanvaardt deze art. 6:217
BW). Naast de overeenkomsten is er ook sprake van een meerzijdige rechtshandeling bij
een gezamenlijke akte, dit doet zich bijv. voor wanneer een vergadering van aandeelhouders
van een vennootschap een meerderheidsbesluit neemt.
De eenzijdige rechtshandeling wordt door slechts één persoon tot stand gebracht, bijv.
vernietiging van een koopovereenkomst of opzegging van een huur- of arbeidscontract.
Deze rechtshandelingen moeten worden gericht aan de contractuele wederpartij maar zij zijn
niettemin eenzijdig, omdat die ander er niet mee behoeft in te stemmen maar uitsluitend als
geadresseerde van de verklaring fungeert. Er is hier dus één partij betrokken, al wordt in de
wet degene die tot wie een eenzijdige gerichte rechtshandeling is gericht om redenen van
wetgeving economie soms toch als (weder)partij aangeduid (art. 3:56 BW).
,Daarnaast bestaan er eenzijdig niet-gerichte rechtshandelingen, voor de totstandkoming
hiervan is noch de instemming van een andere persoon, noch de ontvangst door een
bepaalde andere persoon noodzakelijk, bijv. maken van een testament en de verwerping of
aanvaarding van een erfenis.
In de artikelen 3:32-59 zijn de hoofdthema's te vinden van de rechtshandeling, namelijk de
totstandkoming en de nietigheid en vernietigbaarheid.
De (obligatoire) overeenkomst
Het begrip overeenkomst wordt wel in de wet omschreven: een overeenkomst in de zin van
artikel 6.5 is een meerzijdige rechtshandeling, waarbij een of meer partijen jegens een of
meer andere een verbintenis aangaan (art. 6:213 lid 1 BW). De overeenkomst wordt dus
gekenmerkt door haar verbintenisscheppende (obligatoire) karakter. Naast het juridisch
spraakgebruik wordt de (obligatoire) overeenkomst dikwijls contract genoemd, zo wordt het
overeenkomstenrecht vaak als contractenrecht betiteld.
— iedere overeenkomst is een rechtshandeling, maar omgekeerd is niet iedere
rechtshandeling een overeenkomst —
Het overeenkomstenrecht van titel 6.5 is niet alleen een tweede laag ten opzichte van het
algemeen rechtshandelingenrecht in titel 3.2, maar vormt ook een tweede laag ten opzichte
van het algemene verbintenissenrecht van de titel 6.1 en 6.2.
De meerpartijenovereenkomst
Het recht kent ook overeenkomsten tussen meer dan twee partijen. Voorbeelden zijn de
driehoeksruil (A, B en C sluiten gezamenlijk een overeenkomst waarbij A toezegt zijn huis
aan B te leveren in ruil voor het huis van C, B toezegt zijn huis aan C te leveren in ruil voor
het huis van A, en C ten slotte toezegt zijn huis aan A te leveren in ruil voor het huis van B)
en het aanvaarde derdenbeding (er bestaat aanvankelijk een overeenkomst tussen twee
partijen, waarin een beding ten behoeve van een derde is opgenomen. Nadat de derde het
te zijnen behoeve gemaakte beding heeft aanvaard, geldt hij als partij bij de overeenkomst,
art. 6:254).
Uit artikel 6:213 lid 1 en 2 BW vloeit voort dat de regels van het overeenkomstenrecht in
principe ook voor de meerpartijenovereenkomst gelden, maar dat dit uitzonderingen kent.
Bijzondere overeenkomsten
Sommige overeenkomsten zijn in boek 7 of 7A van een nadere wettelijke uitwerking
voorzien, dit zijn bijzondere overeenkomsten/contracten. Deze overeenkomsten zijn ten
eerste rechtshandelingen in de zin van artikel 3.2, ten tweede overeenkomsten in de zin van
artikel 6.5 en ten derde bijzondere overeenkomsten in de zin van boek 7.
Sommige overeenkomsten voldoen aan de omschrijvingen van meer dan één van de in de
wet uitgewerkte bijzondere contracten, zij worden gemengde overeenkomsten genoemd, art.
6:215 BW.
,Wederkerige overeenkomst
Een overeenkomst is wederkerig indien elk van beide partijen een verbintenis op zich neemt
ter verkrijging van de prestatie waartoe de wederpartij zich daartegenover jegens haar
verbindt, art. 6:621 lid 1. (obligatoire) overeenkomsten die niet aan deze omschrijving
voldoen heten eenzijdig.
Overeenkomsten onder bezwarende titel en overeenkomsten om niet
Een partij gaat een overeenkomst aan onder bezwarende titel, indien de door haar
toegezegde prestatie in verband staat met een bepaalde prestatie van de wederpartij. Niet
onder deze omschrijving vallende overeenkomsten noemt men overeenkomsten om niet
(‘anders dan om niet’).
Het onderscheid tussen een overeenkomst onder bezwarende titel en een wederkerige
overeenkomst overlapt deels, maar is niet hetzelfde. Bij een wederkerige overeenkomst
staan prestatie en tegenprestatie in dezelfde overeenkomst tegenover elkaar. Bij een
overeenkomst onder bezwarende titel is er wel een tegenprestatie, maar hoeft de andere
partij zich daar niet juridisch toe te verplichtingen. Daarom kan iets wel onder bezwarende
titel zijn, maar geen wederkerige overeenkomst.
Het onderscheid tussen overeenkomsten onder bezwarende titel en om niet is in het recht
belangrijk, namelijk bij derdenbescherming en bij aanbod en aanvaarding.
Consensuele overeenkomsten en formele overeenkomsten
Voor de totstandkoming van een overeenkomst gelden in beginsel geen vormvereisten (art.
3:37 lid 1). Onder deze hoofdregel vallende, en dus vormvrije, overeenkomsten noemt men
consensueel. Soms echter bij wege van uitzondering geldt toch een vormvereiste; daaraan
onderworpen overeenkomsten staan bekend als formele overeenkomsten. Naast de formele
contracten kent het recht nog reële contracten, die volgens de wet pas als zodanig kunnen
ontstaan zodra de zaak waarop zij betrekking hebben door de ene partij aan de andere
wordt overhandigd.
Kortstondige overeenkomsten en duurovereenkomsten
Diverse overeenkomsten, zoals de koop, vestigen een kortstondige relatie. Andere zijn er
juist op gericht een rechtsverhouding te laten ontstaan die zich over een bepaalde of
onbepaalde periode uitstrekt (huur, arbeid), deze hete duurovereenkomsten, deze kennen
geen natuurlijk einde.
Grondbeginselen contractenrecht
Het recht betreffende de obligatoire overeenkomst (het contractenrecht) wordt beheerst door
een drietal grondbeginselen: de contractsvrijheid, de vormvrijheid (het consensualisme) en
de verbindende kracht van de overeenkomst (pacta sunt servanda). Tezamen leiden deze
principes tot het punt dat iedere overeenkomst, hoe ook gesloten, rechtens als verbindend
zal worden aangemerkt.
Het beginsel van redelijkheid en billijkheid is in hun oervorm te abstract om al als beginsel te
fungeren en in de gedaante van art. 6:248 BW juist te concreet zijn om nog de status van
grondbeginsel te hebben.
, Contractsvrijheid houdt in dat het partijen vrijstaat een overeenkomst te sluiten met wie zij
wensen, met de inhoud die zij wensen, en op het moment dat zij wensen. De
contractsvrijheid is zo fundamenteel dat sommige rechtsgeleerde auteurs er de status van
(ongeschreven) grondrecht aan toekennen. De contractsvrijheid vindt haar grens, waar de
uitoefening ervan in een concrete situatie in conflict komt met een belang van hogere orde.
Dan verschijnt art. 3:40 BW dat de overeenkomst nietig verklaart in geval van strijd met een
dwingende wetsbepaling, met de goede zeden of de openbare orde.
Het tweede grondbeginsel, dat van de vormvrijheid, is neergelegd in art. 3:37 lid 1 BW.
Uitzonderingen zijn onder meer te vinden in de sfeer van de bijzondere overeenkomsten.
Het derde grondbeginsel, dat van de verbindende kracht van de overeenkomst, wordt vaak
weergeven met het adagium pacta sunt servanda, art. 2:248 lid 1 BW (hierachter schuilt de
aloude maatschappelijke regel ‘belofte maakt schuld').
Ook het principe van de verbindende kracht kent uitzonderingen Zo verbindt een
overeenkomst niet in zoverre zij nietig is of vernietigd wordt, en zal een contractuele regel
niet van toepassing zijn voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van
redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (art. 6:248, 6:258). Een hedendaagse
uitzondering is de wettelijke bedenktijd.
Partijen en hun hoedanigheid
Tussen natuurlijke personen en rechtspersonen, tussen particulieren en handelaren, tussen
leken en deskundigen wordt in principe geen verschil gemaakt. Een belangrijke uitzondering
biedt afdeling 6.5.3. (algemene voorwaarden).
In diverse arresten heeft de HR uitgemaakt dat als een door een professionele contractant
opgesteld beding onduidelijkheden bevat, het voor de hand ligt dit beding in het voordeel
van dienst (leek)wederpartij uit te leggen. En in het Haviltex-arrest overwoog de HR ten
aanzien van de contractsuitleg in het algemeen, dat daarbij van belang kan zijn tot welke
maatschappelijke kring partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen mag
worden verwacht. Veel eerder dan een professionele contractant zal de particulier succes
kunnen hebben met het betoog dat hij, gemeten naar zijn eigen maatstaven, de
overeenkomst mocht opvatten in de zin waarin hij haar had begrepen.
Koopt een leek iets bij een deskundige, dan heeft de verkoper een ruime spreekplicht (art.
6:228 lid 1 sub b) en zal de koper op welhaast alles wat de ander hem mededeelt (sub a)
mogen bouwen. Koopt omgekeerd een deskundige iets bij een leek, dan zal deze koper bij
een beroep op dwaling niet zelden te horen krijgen dat hij beter had moeten weten en te
weinig eigen onderzoek heeft verricht (lid 2).
Aan de redelijkheid en billijkheid (6:248 lid 2) komt, zo heet de HR herhaaldelijk overwogen,
mede belang toe aan de onderlinge verhouding en de maatschappelijke positie van partijen.
Ook in dat kader geldt, dat de (weinig ontwikkelde) particulier op meer clementie zal mogen
rekenen dan een professioneel opererende partij.