Leer- en onderwijsproblemen uitwerking
Hoorcollege 1
Inclusief onderwijs betekent: alle leerlingen zitten samen op dezelfde
school en in dezelfde klas, ongeacht hun ondersteuningsbehoeften. De
school zorgt dat iedereen passende ondersteuning krijgt zodat ze allemaal
mee kunnen doen binnen dezelfde klas. Hierbij hoort het Salamanca
Statement (UNESCO): ieder kind heeft recht op regulier onderwijs en
reguliere scholen moeten rekening houden met verschillen tussen
leerlingen. Ook het VN-verdrag Handicap, artikel 24 hoort hierbij: iedereen
heeft recht op inclusief, kwalitatief en gratis onderwijs.
Passend onderwijs betekent dat elk kind een passende plek moet krijgen
in het onderwijs. Dus elk kind moet goed onderwijs krijgen, wat aansluit bij
hun ondersteuningsbehoeften. Maar dit hoeft niet allemaal binnen het
reguliere onderwijs.
Relevante begrippen
- Inclusie elk kind in dezelfde klas
- Exclusie leerling krijgt geen onderwijs
- Segregatie regulier en speciaal onderwijs
strikt gescheiden, aparte scholen
- Integratie alle leerlingen binnen regulier
onderwijs maar aparte klassen/groepen voor
de verschillende ondersteuningsbehoeften.
Speciaal onderwijs
Speciaal onderwijs heeft ook primair (basis) en secundair (middelbaar)
onderwijs.
Primair
Het primaire speciale onderwijs is opgedeeld in 1) speciaal basisonderwijs
en 2) speciaal onderwijs. Speciaal basisonderwijs (SBO) is voor relatief
milde problematiek. SBO valt onder Wet Primair Onderwijs. Speciaal
onderwijs (SO) is voor complexere en zwaardere problematiek. Hier is dan
ook meer gespecialiseerde ondersteuning. Dit valt onder Wet op de
Expertisecentra.
Secundair
Het secundaire onderwijs is opgedeeld in 1) praktijkonderwijs (pro) en 2)
voortgezet speciaal onderwijs (vso). Het praktijkonderwijs is onderwijs
gericht op werk of het behalen van een mbo (niveau 1 of 2) diploma. Het is
dus bedoelt voor kinderen met een leer achterstand en niet zo zeer een
,beperking. Het voortgezet speciaal onderwijs is bedoelt voor kinderen met
specialistische ondersteuning, hun ondersteuningsbehoefte is te complex
voor regulier onderwijs. Het doorstromen naar mbo is dan ook niet het
streven.
(v)so clusters
Hier gaat het om speciaal onderwijs (geen speciaal basisonderwijs) en
voortgezet speciaal onderwijs (geen praktijkonderwijs). Er worden 4
clusters genoemd:
1. Visuele beperking
o Kleine groep omdat ze meestal mee kunnen draaien in regulier
onderwijs
2. Auditieve beperking of TOS
o Groep van ongeveer 20%
3. Lichamelijke beperking / cognitieve beperking / langdurig ziek
o De helft, 50%
4. Psychische stoornis / gedragsproblemen
o 30%
Wet passend onderwijs
Het onderwijssysteem voor leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften
veranderde in 2014. Het doel was dat minder kinderen naar het speciaal
onderwijs zouden gaan, minder thuiszitters zijn, meer passend én inclusief
onderwijs.
Ongeveer 20 – 25% van de leerlingen in regulier onderwijs heeft extra
ondersteuningsbehoeften volgens leraren. Volgens de inspectie ontvang
8% hiervan daadwerkelijk extra ondersteuning. Scholen verschillen sterk in
hoe zij bepalen wie extra ondersteuning nodig heeft. De omvang van de
doelgroep ‘extra ondersteuningsbehoefte’ hangt dus af van welke definitie
en perspectief je gebruikt.
De meest voorkomende problemen in het basisonderwijs zijn:
- Werkhouding
- Leerachterstand
- Concentratie
- Motivatie
- Gedrag
o Wordt vaker genoemd dan puur leerachterstanden. Het gaat
om internaliserende en externaliserende problemen
Bij de invoering van de wet horen 3 belangrijke begrippen/veranderingen:
1. Samenwerkingsverbanden
,Scholen in een regio moeten samen meer organiseren hoe ondersteuning
geregeld en betaald wordt. Hierbinnen vallen regulieren én speciale
scholen. Scholen binnen 1 samenwerkingsverband bieden allemaal
dezelfde basisondersteuning. Het is helder wat zij kunnen bieden en wat
niet. Dit kan verschillen tussen samenwerkingsverbanden. Dit betekent
niet dat scholen niet meer kunnen bieden dan dat, dus soms kunnen
kinderen met extra ondersteuningsbehoeften binnen de school terecht en
soms een andere school binnen hetzelfde samenwerkingsverband.
Cluster 1 en 2 van (v)so wordt landelijk geregeld en valt niet binnen een
samenwerkingsverband. Dit komt door de relatief kleine hoeveelheid
leerlingen.
Een samenwerkingsverband heeft ongeveer hetzelfde aantal leerlingen.
Maar het budget wordt verdeeld over het aantal leerlingen (meer
leerlingen = meer budget).
2. Decentralisatie
De verantwoordelijkheid ligt meer bij de samenwerkingsverbanden en
minder landelijk. Decentralisatie van bevoegdheden en middelen.
Het budget werd vroeger op een andere manier verdeeld. Kinderen die
extra ondersteuning nodig hadden, kregen extra geld. Dit betekent dat
scholen met meer kinderen met extra behoeften, meer geld kregen van de
overheid. Nu krijgen samenwerkingsverbanden geld afhankelijk van het
aantal leerlingen en onafhankelijk van de hoeveelheid leerlingen met en
zonder extra ondersteuningsbehoeften. Zij mogen zelf bepalen hoe ze dit
verdelen en hiermee omgaan.
Samenwerkingsverbanden krijgen een vast budget, ongeacht het aantal
leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften. Nadeel: speciaal onderwijs
is duur en specialistische begeleiding ook, hierdoor willen
samenwerkingsverbanden niet te veel leerlingen in speciaal onderwijs
plaatsen en meer binnen regulier onderwijs (goedkoper).
3. Zorgplicht
De school moet een passende plek zoeken voor het kind in het onderwijs,
niet het kind en de ouders zelf. Dit kan binnen de school zelf zijn en buiten
de school. Het kan dan gaan om een school in het samenwerkingsverband,
omdat die misschien wel de passende ondersteuning bieden.
Resultaten na invoering wet
Een belangrijke verwachting was dat meer kinderen in het reguliere
onderwijs zouden, en minder in het speciale onderwijs. Eerst was er ook
een daling in het SO, maar later een stijging. De daling komt omdat ze
, doorverwijzing naar het SO uitstelden, dat kost sinds de decentralisatie
van middelen meer geld dan het kind op regulier onderwijs houden. Het
bleek dat die kinderen echt speciale ondersteuning nodig hadden en
gingen alsnog naar SO (vandaar de stijging).
Ook steeg het aantal thuiszitters. Niet omdat het onderwijs minder
passend was maar omdat de registratie verbeterde door de zorgplicht van
scholen.
Ook was de bedoeling dat er meer kinderen uitstroomden naar regulier
(voortgezet) onderwijs, maar dit was juist niet zo. Er gingen meer vanuit
het S(B)O naar het VSO dan eerder.
Verder zijn er sinds passend onderwijs geen duidelijke verbetering in de
prestaties van leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften.
Voor passend onderwijs zijn geen doelen geformuleerd en er is geen
nulmeting gedaan. Hierdoor zijn effecten lastig vast te stellen. Ook is er
een wisselend beleid omdat samenwerkingsverbanden veel vrijheid
hebben in het invullen van dingen. Grote voordelen van passend onderwijs
blijven uit maar er zijn ook geen (bewezen) nadelen gevonden.
Ontwikkelingsperspectief
Een ontwikkelingsperspectief (OPP) is een plan voor leerlingen die extra
ondersteuning nodig hebben. Het is een middel om passende
ondersteuning te organiseren. In dit plan wordt concreet gemaakt wat de
doelen voor het kind zijn en hoe die bereikt worden (ondersteuning
concreet maken). Een OPP bestaat uit minstens de volgende 3 onderdelen:
1. Verwachte uitstroombestemming waar kan deze leerling
realistisch eindigen
o Regulier voortgezet onderwijs, praktijkonderwijs of arbeid
bijvoorbeeld.
2. Belemmerende en bevorderende factoren wat maakt het leren
moeilijk en wat helpt juist?
o Kindfactoren (motivatie en gedrag bijvoorbeeld)
o Onderwijsfactoren (sfeer in de klas bijvoorbeeld)
o Thuissituatie
3. Handelingsdeel welke extra ondersteuning/interventies gaan we
doen?
o Concrete doelen
o Interventies
o Afspraken (wie doen wat, wanneer en hoe?)
Hoorcollege 1
Inclusief onderwijs betekent: alle leerlingen zitten samen op dezelfde
school en in dezelfde klas, ongeacht hun ondersteuningsbehoeften. De
school zorgt dat iedereen passende ondersteuning krijgt zodat ze allemaal
mee kunnen doen binnen dezelfde klas. Hierbij hoort het Salamanca
Statement (UNESCO): ieder kind heeft recht op regulier onderwijs en
reguliere scholen moeten rekening houden met verschillen tussen
leerlingen. Ook het VN-verdrag Handicap, artikel 24 hoort hierbij: iedereen
heeft recht op inclusief, kwalitatief en gratis onderwijs.
Passend onderwijs betekent dat elk kind een passende plek moet krijgen
in het onderwijs. Dus elk kind moet goed onderwijs krijgen, wat aansluit bij
hun ondersteuningsbehoeften. Maar dit hoeft niet allemaal binnen het
reguliere onderwijs.
Relevante begrippen
- Inclusie elk kind in dezelfde klas
- Exclusie leerling krijgt geen onderwijs
- Segregatie regulier en speciaal onderwijs
strikt gescheiden, aparte scholen
- Integratie alle leerlingen binnen regulier
onderwijs maar aparte klassen/groepen voor
de verschillende ondersteuningsbehoeften.
Speciaal onderwijs
Speciaal onderwijs heeft ook primair (basis) en secundair (middelbaar)
onderwijs.
Primair
Het primaire speciale onderwijs is opgedeeld in 1) speciaal basisonderwijs
en 2) speciaal onderwijs. Speciaal basisonderwijs (SBO) is voor relatief
milde problematiek. SBO valt onder Wet Primair Onderwijs. Speciaal
onderwijs (SO) is voor complexere en zwaardere problematiek. Hier is dan
ook meer gespecialiseerde ondersteuning. Dit valt onder Wet op de
Expertisecentra.
Secundair
Het secundaire onderwijs is opgedeeld in 1) praktijkonderwijs (pro) en 2)
voortgezet speciaal onderwijs (vso). Het praktijkonderwijs is onderwijs
gericht op werk of het behalen van een mbo (niveau 1 of 2) diploma. Het is
dus bedoelt voor kinderen met een leer achterstand en niet zo zeer een
,beperking. Het voortgezet speciaal onderwijs is bedoelt voor kinderen met
specialistische ondersteuning, hun ondersteuningsbehoefte is te complex
voor regulier onderwijs. Het doorstromen naar mbo is dan ook niet het
streven.
(v)so clusters
Hier gaat het om speciaal onderwijs (geen speciaal basisonderwijs) en
voortgezet speciaal onderwijs (geen praktijkonderwijs). Er worden 4
clusters genoemd:
1. Visuele beperking
o Kleine groep omdat ze meestal mee kunnen draaien in regulier
onderwijs
2. Auditieve beperking of TOS
o Groep van ongeveer 20%
3. Lichamelijke beperking / cognitieve beperking / langdurig ziek
o De helft, 50%
4. Psychische stoornis / gedragsproblemen
o 30%
Wet passend onderwijs
Het onderwijssysteem voor leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften
veranderde in 2014. Het doel was dat minder kinderen naar het speciaal
onderwijs zouden gaan, minder thuiszitters zijn, meer passend én inclusief
onderwijs.
Ongeveer 20 – 25% van de leerlingen in regulier onderwijs heeft extra
ondersteuningsbehoeften volgens leraren. Volgens de inspectie ontvang
8% hiervan daadwerkelijk extra ondersteuning. Scholen verschillen sterk in
hoe zij bepalen wie extra ondersteuning nodig heeft. De omvang van de
doelgroep ‘extra ondersteuningsbehoefte’ hangt dus af van welke definitie
en perspectief je gebruikt.
De meest voorkomende problemen in het basisonderwijs zijn:
- Werkhouding
- Leerachterstand
- Concentratie
- Motivatie
- Gedrag
o Wordt vaker genoemd dan puur leerachterstanden. Het gaat
om internaliserende en externaliserende problemen
Bij de invoering van de wet horen 3 belangrijke begrippen/veranderingen:
1. Samenwerkingsverbanden
,Scholen in een regio moeten samen meer organiseren hoe ondersteuning
geregeld en betaald wordt. Hierbinnen vallen regulieren én speciale
scholen. Scholen binnen 1 samenwerkingsverband bieden allemaal
dezelfde basisondersteuning. Het is helder wat zij kunnen bieden en wat
niet. Dit kan verschillen tussen samenwerkingsverbanden. Dit betekent
niet dat scholen niet meer kunnen bieden dan dat, dus soms kunnen
kinderen met extra ondersteuningsbehoeften binnen de school terecht en
soms een andere school binnen hetzelfde samenwerkingsverband.
Cluster 1 en 2 van (v)so wordt landelijk geregeld en valt niet binnen een
samenwerkingsverband. Dit komt door de relatief kleine hoeveelheid
leerlingen.
Een samenwerkingsverband heeft ongeveer hetzelfde aantal leerlingen.
Maar het budget wordt verdeeld over het aantal leerlingen (meer
leerlingen = meer budget).
2. Decentralisatie
De verantwoordelijkheid ligt meer bij de samenwerkingsverbanden en
minder landelijk. Decentralisatie van bevoegdheden en middelen.
Het budget werd vroeger op een andere manier verdeeld. Kinderen die
extra ondersteuning nodig hadden, kregen extra geld. Dit betekent dat
scholen met meer kinderen met extra behoeften, meer geld kregen van de
overheid. Nu krijgen samenwerkingsverbanden geld afhankelijk van het
aantal leerlingen en onafhankelijk van de hoeveelheid leerlingen met en
zonder extra ondersteuningsbehoeften. Zij mogen zelf bepalen hoe ze dit
verdelen en hiermee omgaan.
Samenwerkingsverbanden krijgen een vast budget, ongeacht het aantal
leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften. Nadeel: speciaal onderwijs
is duur en specialistische begeleiding ook, hierdoor willen
samenwerkingsverbanden niet te veel leerlingen in speciaal onderwijs
plaatsen en meer binnen regulier onderwijs (goedkoper).
3. Zorgplicht
De school moet een passende plek zoeken voor het kind in het onderwijs,
niet het kind en de ouders zelf. Dit kan binnen de school zelf zijn en buiten
de school. Het kan dan gaan om een school in het samenwerkingsverband,
omdat die misschien wel de passende ondersteuning bieden.
Resultaten na invoering wet
Een belangrijke verwachting was dat meer kinderen in het reguliere
onderwijs zouden, en minder in het speciale onderwijs. Eerst was er ook
een daling in het SO, maar later een stijging. De daling komt omdat ze
, doorverwijzing naar het SO uitstelden, dat kost sinds de decentralisatie
van middelen meer geld dan het kind op regulier onderwijs houden. Het
bleek dat die kinderen echt speciale ondersteuning nodig hadden en
gingen alsnog naar SO (vandaar de stijging).
Ook steeg het aantal thuiszitters. Niet omdat het onderwijs minder
passend was maar omdat de registratie verbeterde door de zorgplicht van
scholen.
Ook was de bedoeling dat er meer kinderen uitstroomden naar regulier
(voortgezet) onderwijs, maar dit was juist niet zo. Er gingen meer vanuit
het S(B)O naar het VSO dan eerder.
Verder zijn er sinds passend onderwijs geen duidelijke verbetering in de
prestaties van leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften.
Voor passend onderwijs zijn geen doelen geformuleerd en er is geen
nulmeting gedaan. Hierdoor zijn effecten lastig vast te stellen. Ook is er
een wisselend beleid omdat samenwerkingsverbanden veel vrijheid
hebben in het invullen van dingen. Grote voordelen van passend onderwijs
blijven uit maar er zijn ook geen (bewezen) nadelen gevonden.
Ontwikkelingsperspectief
Een ontwikkelingsperspectief (OPP) is een plan voor leerlingen die extra
ondersteuning nodig hebben. Het is een middel om passende
ondersteuning te organiseren. In dit plan wordt concreet gemaakt wat de
doelen voor het kind zijn en hoe die bereikt worden (ondersteuning
concreet maken). Een OPP bestaat uit minstens de volgende 3 onderdelen:
1. Verwachte uitstroombestemming waar kan deze leerling
realistisch eindigen
o Regulier voortgezet onderwijs, praktijkonderwijs of arbeid
bijvoorbeeld.
2. Belemmerende en bevorderende factoren wat maakt het leren
moeilijk en wat helpt juist?
o Kindfactoren (motivatie en gedrag bijvoorbeeld)
o Onderwijsfactoren (sfeer in de klas bijvoorbeeld)
o Thuissituatie
3. Handelingsdeel welke extra ondersteuning/interventies gaan we
doen?
o Concrete doelen
o Interventies
o Afspraken (wie doen wat, wanneer en hoe?)