OOP – College 1 10 september 2025
Theorieën van sociale ontwikkeling
4 opvoedstijlen van Diane Baumrind (W: H3)
Autoritaire stijl: Ouders stellen duidelijke regels, verwachten gehoorzaamheid en tonen weinig
warmte of begrip voor het kind.
Authoritatieve stijl: Ouders stellen duidelijke grenzen, staan wel open voor communicatie/discussie
en tonen warmte voor het kind.
Permissieve stijl: Ouders stellen weinig grenzen, zijn liefdevol/ondersteunend en geven hun kind veel
vrijheid wat kan leiden tot verwaarlozing van de structuur.
Niet-betrokken ouderschap: Ouders stellen weinig grenzen, bieden weinig ondersteuning, zijn niet
betrokken en er is vaak sprake van een gebrek aan structuur en warmte.
Vormen van agressie
Instrumentele agressie: Niet bewust gericht op een persoon (het is wat impulsiever).
Openlijke agressie: Bewust op iemand gericht, met het doel iemand iets aan te doen.
Relationele agressie: Gericht op opzettelijke beschadigen van iemands sociale relaties en reputaties.
➔ Re-inforcement: De prijs / beloning is in het gedrag de versterker. Het gedrag dat je vaker
terug wilt zien moet je belonen.
Vier theorieën (te zien als vier lenzen, vier manieren om naar een situatie te kijken)
Psychoanalytische theorieën:
- Associatie met Freud
- Praten over innerlijke gevoelens
Leertheorieën (gedragstheorieën):
- We kunnen gedrag sturen met beloning of straf
Sociaal-cognitieve theorieën:
- Verbinding met mensen om je heen
- Je leert van elkaar en met elkaar
- Hieronder behoren ook de sociaal-culturele theorieën
Ecologische theorieën (evolutionaire theorieën):
- Alles hangt met alles samen
- Er zijn ontiegelijk veel invloeden op ontwikkelingen van vroeger tot nu
- Alles meenemen om te begrijpen hoe een kind zich ontwikkelt
,Psychoanalytische theorie
Freud: Gericht op driften en (onbewuste) verlangens. Hij is heel erg gericht op het onbewuste en dat
dat je gedrag stuurt.
Eriksen: Voegt het sociale aspect aan Freud toe. Kan ik op je bouwen als ik je nodig heb? Volgens hem
verloopt de ontwikkeling via 8 crises (zoals vertrouwen vs wantrouwen).
Door de theorie van Freud zijn er een aantal punten opgesteld, die nog altijd meegenomen worden in
de gedachten over de ontwikkeling van kinderen. Belang van het gedachtengoed:
- Invloed van eerdere gebeurtenissen en vroege ervaringen op ontwikkeling
- Invloed van ouders op de ontwikkeling
- Invloed van onbewuste emoties en wensen
- Aandacht voor identiteitsontwikkeling
Leer-/gedragstheorie
Komt voort uit het behaviorisme. Begonnen bij onderzoeken met dieren en daarna getest of dit ook
effect had op kinderen.
Uitgangspunt: Alles is aan te leren via beloning of straf
Conditionering: Automatisch bepaalt gedrag vertonen. Denk aan de theorie van Pavlov. Elke keer als
zijn hond eten kreeg rinkelde hij een belletje en begon de hond te kwijlen. Vervolgens begon zijn
hond ook te kwijlen als het belletje rinkelde, zonder dat hij eten kreeg. Dit is ook mogelijk bij
kinderen. Denk bijvoorbeeld aan het elke keer activeren van een liedje, op het moment dat kinderen
moeten opruimen. Op den duur raken ze hier aan gewent en starten ze zelf met opruimen, zodra ze
het liedje horen.
Conditionering (leermechanismen)
Klassieke conditionering: Een neutrale stimulus (zoals een bel) wordt gekoppeld aan een natuurlijke,
betekenisvolle stimulus (eten). Op den duur wordt dit geautomatiseerd, wat ertoe leidt dat er altijd
eten wordt verwacht als er een bel afgaat.
Operante conditionering: Gedrag wordt beïnvloed door de gevolgen ervan, zoals beloningen of
straffen. Gedrag dat positief wordt beloond wordt gestimuleerd en door ongewenst gedrag te straffen
neemt de kans op dat gedrag af.
Reinforcement
Intermittent reinforcement: Af en toe een versterker geven, maar niet de hele tijd (dit zorgt ervoor
dat iemand leert volhouden). Denk bijvoorbeeld aan een gokmachine. Soms win je iets en dat is net
datgene wat ervoor zorgt dat je door blijft gaat, omdat je weet dat je nog weer eens iets kan winnen.
Gedragsmodificatie: Complex gedrag in stapjes aanleren. Conditionering lukt soms niet in één keer
en dan is het belangrijk om het in stapjes te leren. Sommige leerlingen kunnen bijvoorbeeld niet
meteen goed meedoen, dus dan wordt de stap bijvoorbeeld eerst op je stoel blijven zitten en bouw je
het daarna langzaam op.
, Sociaal cognitieve theorie
Kinderen leren door na te doen en mee te doen.
Socialisatie: Leren meedraaien in de groep. De regels ontdek je wel tijdens het spelen.
Zelfsocialisatie: Je past je eigen gedrag aan aan wat er verwacht wordt, zodat je mee kan spelen.
Het liefst iets doen wat echt is. Denk aan doen alsof ze koffie zetten, maar dan wel echt een knopje in
kunnen drinken.
Hostile attributionale bias: Ten onrechte denken dat een ander slechte bedoelingen heeft. Je bent
bijvoorbeeld met zijn tweeën aan het verven en een kind stoot het bakje met water per ongeluk om.
Het water vloeit over het werkje van een andere leerling heen, waarbij die leerling heel boos
reageert, omdat hij/zij denkt dat de ander dit bewust deed.
Sociaal-culturele theorie: Nadruk ligt heel erg op de cultuur waarin je opgroeit en op de normen en
waarden die daarin belangrijk gevonden worden.
Ecologische theorie
Eerste groep (moeilijk om hier echt iets mee te kunnen):
- Ethologie: Gedrag binnen de evolutionaire context. Waar komen we vandaan als mensheid
en het idee dat we al eeuwenlang dingen doen. Kunnen we daar wat van leren ten aanzien
van de huidige samenleving.
- Evolutionaire psychologie: Natuurlijke selectie versterkt eigenlijk bepaalde kenmerken.
Kinderen leren bijvoorbeeld door te spelen hoe ze met elkaar om moeten gaan. Spel is
daarom de basis van de ontwikkeling.
Tweede groep (zwart wit model):
- Bio-ecologisch model van Bronfenbrenner: Een kind ontwikkelt zich in context.
Bio-ecologisch model
Microsysteem: Directe omgeving van het kind, zoals de
school of de ouders
Mesosysteem: Verbindingen tussen microsystemen, zoals
dat de school in contact staat met de ouders
Exosysteem: Sociale settings met indirecte invloed, zoals het
werk van de ouders
Macrosysteem: Algemene culturele context waarin alle
andere systemen zijn ingebed, zoals de maatschappij
Chronosysteem: Veranderingen over de tijd in persoon of
samenleving, zoals veranderingen in de gezinssamenstelling
Theorieën van sociale ontwikkeling
4 opvoedstijlen van Diane Baumrind (W: H3)
Autoritaire stijl: Ouders stellen duidelijke regels, verwachten gehoorzaamheid en tonen weinig
warmte of begrip voor het kind.
Authoritatieve stijl: Ouders stellen duidelijke grenzen, staan wel open voor communicatie/discussie
en tonen warmte voor het kind.
Permissieve stijl: Ouders stellen weinig grenzen, zijn liefdevol/ondersteunend en geven hun kind veel
vrijheid wat kan leiden tot verwaarlozing van de structuur.
Niet-betrokken ouderschap: Ouders stellen weinig grenzen, bieden weinig ondersteuning, zijn niet
betrokken en er is vaak sprake van een gebrek aan structuur en warmte.
Vormen van agressie
Instrumentele agressie: Niet bewust gericht op een persoon (het is wat impulsiever).
Openlijke agressie: Bewust op iemand gericht, met het doel iemand iets aan te doen.
Relationele agressie: Gericht op opzettelijke beschadigen van iemands sociale relaties en reputaties.
➔ Re-inforcement: De prijs / beloning is in het gedrag de versterker. Het gedrag dat je vaker
terug wilt zien moet je belonen.
Vier theorieën (te zien als vier lenzen, vier manieren om naar een situatie te kijken)
Psychoanalytische theorieën:
- Associatie met Freud
- Praten over innerlijke gevoelens
Leertheorieën (gedragstheorieën):
- We kunnen gedrag sturen met beloning of straf
Sociaal-cognitieve theorieën:
- Verbinding met mensen om je heen
- Je leert van elkaar en met elkaar
- Hieronder behoren ook de sociaal-culturele theorieën
Ecologische theorieën (evolutionaire theorieën):
- Alles hangt met alles samen
- Er zijn ontiegelijk veel invloeden op ontwikkelingen van vroeger tot nu
- Alles meenemen om te begrijpen hoe een kind zich ontwikkelt
,Psychoanalytische theorie
Freud: Gericht op driften en (onbewuste) verlangens. Hij is heel erg gericht op het onbewuste en dat
dat je gedrag stuurt.
Eriksen: Voegt het sociale aspect aan Freud toe. Kan ik op je bouwen als ik je nodig heb? Volgens hem
verloopt de ontwikkeling via 8 crises (zoals vertrouwen vs wantrouwen).
Door de theorie van Freud zijn er een aantal punten opgesteld, die nog altijd meegenomen worden in
de gedachten over de ontwikkeling van kinderen. Belang van het gedachtengoed:
- Invloed van eerdere gebeurtenissen en vroege ervaringen op ontwikkeling
- Invloed van ouders op de ontwikkeling
- Invloed van onbewuste emoties en wensen
- Aandacht voor identiteitsontwikkeling
Leer-/gedragstheorie
Komt voort uit het behaviorisme. Begonnen bij onderzoeken met dieren en daarna getest of dit ook
effect had op kinderen.
Uitgangspunt: Alles is aan te leren via beloning of straf
Conditionering: Automatisch bepaalt gedrag vertonen. Denk aan de theorie van Pavlov. Elke keer als
zijn hond eten kreeg rinkelde hij een belletje en begon de hond te kwijlen. Vervolgens begon zijn
hond ook te kwijlen als het belletje rinkelde, zonder dat hij eten kreeg. Dit is ook mogelijk bij
kinderen. Denk bijvoorbeeld aan het elke keer activeren van een liedje, op het moment dat kinderen
moeten opruimen. Op den duur raken ze hier aan gewent en starten ze zelf met opruimen, zodra ze
het liedje horen.
Conditionering (leermechanismen)
Klassieke conditionering: Een neutrale stimulus (zoals een bel) wordt gekoppeld aan een natuurlijke,
betekenisvolle stimulus (eten). Op den duur wordt dit geautomatiseerd, wat ertoe leidt dat er altijd
eten wordt verwacht als er een bel afgaat.
Operante conditionering: Gedrag wordt beïnvloed door de gevolgen ervan, zoals beloningen of
straffen. Gedrag dat positief wordt beloond wordt gestimuleerd en door ongewenst gedrag te straffen
neemt de kans op dat gedrag af.
Reinforcement
Intermittent reinforcement: Af en toe een versterker geven, maar niet de hele tijd (dit zorgt ervoor
dat iemand leert volhouden). Denk bijvoorbeeld aan een gokmachine. Soms win je iets en dat is net
datgene wat ervoor zorgt dat je door blijft gaat, omdat je weet dat je nog weer eens iets kan winnen.
Gedragsmodificatie: Complex gedrag in stapjes aanleren. Conditionering lukt soms niet in één keer
en dan is het belangrijk om het in stapjes te leren. Sommige leerlingen kunnen bijvoorbeeld niet
meteen goed meedoen, dus dan wordt de stap bijvoorbeeld eerst op je stoel blijven zitten en bouw je
het daarna langzaam op.
, Sociaal cognitieve theorie
Kinderen leren door na te doen en mee te doen.
Socialisatie: Leren meedraaien in de groep. De regels ontdek je wel tijdens het spelen.
Zelfsocialisatie: Je past je eigen gedrag aan aan wat er verwacht wordt, zodat je mee kan spelen.
Het liefst iets doen wat echt is. Denk aan doen alsof ze koffie zetten, maar dan wel echt een knopje in
kunnen drinken.
Hostile attributionale bias: Ten onrechte denken dat een ander slechte bedoelingen heeft. Je bent
bijvoorbeeld met zijn tweeën aan het verven en een kind stoot het bakje met water per ongeluk om.
Het water vloeit over het werkje van een andere leerling heen, waarbij die leerling heel boos
reageert, omdat hij/zij denkt dat de ander dit bewust deed.
Sociaal-culturele theorie: Nadruk ligt heel erg op de cultuur waarin je opgroeit en op de normen en
waarden die daarin belangrijk gevonden worden.
Ecologische theorie
Eerste groep (moeilijk om hier echt iets mee te kunnen):
- Ethologie: Gedrag binnen de evolutionaire context. Waar komen we vandaan als mensheid
en het idee dat we al eeuwenlang dingen doen. Kunnen we daar wat van leren ten aanzien
van de huidige samenleving.
- Evolutionaire psychologie: Natuurlijke selectie versterkt eigenlijk bepaalde kenmerken.
Kinderen leren bijvoorbeeld door te spelen hoe ze met elkaar om moeten gaan. Spel is
daarom de basis van de ontwikkeling.
Tweede groep (zwart wit model):
- Bio-ecologisch model van Bronfenbrenner: Een kind ontwikkelt zich in context.
Bio-ecologisch model
Microsysteem: Directe omgeving van het kind, zoals de
school of de ouders
Mesosysteem: Verbindingen tussen microsystemen, zoals
dat de school in contact staat met de ouders
Exosysteem: Sociale settings met indirecte invloed, zoals het
werk van de ouders
Macrosysteem: Algemene culturele context waarin alle
andere systemen zijn ingebed, zoals de maatschappij
Chronosysteem: Veranderingen over de tijd in persoon of
samenleving, zoals veranderingen in de gezinssamenstelling