Hoorcollege 1 - Orthopedagogiek als handelingswetenschap & behandelingsperspectieven (Marine Mönch)
Disciplines, theorieën, integrerende modellen
Disciplines
Multidisciplinair werk vergt kennis van elkaars referentiekaders en vaardigheden om onderling te overleggen op basis
van inhoudelijke argumenten om samen tot een geïntegreerd beeld te komen.
Psychiatrie: Basis is het nosologische of ziektemodel, waarbij de symptomen en het beloop van het
ziekteproces herkend worden als kenmerkend van een bepaalde ziekte. Hierdoor kan gericht worden gezocht
naar de mogelijke oorzaken om vervolgens een specifieke interventie te kiezen. Differentiaaldiagnose:
onderzoek doen naar verschijnselen die het verschil maken tussen het ene beeld en het andere.
Psychiatrische classificatie: het ordenen en groeperen van symptomen om tot de aanwezigheid van een
syndroom te kunnen besluiten. Meest gebruikte systeem is de DSM. Er kan sprake zijn van comorbiditeit.
Ontwikkelingspsychologie: Hoe kan het ontwikkelingsverloop worden begrepen? Welke condities
beïnvloeden ontwikkeling op positieve of negatieve wijze? Wetenschappelijk onderzoek naar
ontwikkelingsprocessen, ontwikkelingsfasen en volgorde van fasen (zowel continu als discontinu). Ook
aandacht voor interactie met de omgeving. ASEBA wordt veel gebruikt = familie van vragenlijsten die
competenties en een breed scala aan probleemgedrag beogen te meten.
Orthopedagogiek: De pedagogiek voor het ‘specifiek opvoeden’, het ‘bieden van opvoedingshulp aan
betrokkenen bij (dreigende) opvoedingsstagnatie’, met als doel ‘herstel van het gewone leven’. Aandacht voor
waarden en normen binnen de context van gezin, school en maatschappij naast empirische oriëntatie. Dus
ook meetinstrumenten om het ouder- en gezinsfunctioneren in kaart te brengen.
Theorieën
Psychodynamische theorie
Sigmund Freud: Veronderstelt dat problemen uit de vroege kinderjaren een belangrijke rol kunnen spelen in het
ontstaan van latere problematiek.
Structureel component: balans van verschillende krachten wordt klassiek geanalyseerd met de volgende concepten:
Het id (primaire drijfveren van het individu)
Het superego (bestaat uit de door socialisatie en opvoeding in de loop van de tijd geïnternaliseerde regels
(vergelijkbaar met geweten)
Het ego, bemiddeld tussen id en superego, organiseert het gedrag en reflecteert erover later in ontwikkeling
Volgens Freud ontstaan latere psychische problemen doordat het ego onvoldoende in staat is om de spanningen
tussen id, superego en de eisen van de omgeving, die hun oorsprong hebben in de vroege kindertijd, in balans te
brengen.
Gehechtheidstheorie
John Bowlby: Gehechtheid is de duurzame effectieve relatie tussen een kind en zijn of haar opvoeders.
Sensitiviteit (het vermogen van een opvoeder om signalen van het kind waar te nemen)
Responsiviteit (het vermogen van de opvoeder om adequaat op de waargenomen signalen te reageren).
Sensitieve responsiviteit leidt tot een cirkel van veiligheid. Kwaliteit van de gehechtheid kan zowel een risico- als een
beschermende factor zijn voor de psychische gezondheid.
Leertheorie
(Probleem)gedrag kan zowel ontlokt worden door bepaalde voorafgaande stimuli (antecedente variabelen) als
bekrachtigd door erop volgende stimuli (consequente variabelen)
Systeemtheorie
Ecologische theorie
Bronfenbrenner: model over de interactie tussen individu en omgeving. Aantal systeemniveaus:
microsysteem, mesosyteem, exosysteem, macrosysteem, chronosysteem
Gezinstherapeutische theorie
o Structurele gezinstherapie > Het gezin is een zichzelf organiserende en steeds veranderend systeem
met een hiërarchie, subsystemen (ouders en kinderen) en partiële systemen (bijv. vader-zoonrelatie).
Grenzen tussen subsystemen kunnen door omstandigheden veranderen, bijv. parentificatie
o Gezinscommunicatie > Wat er in een gezin gebeurt, speelt zich af op twee niveaus: Inhoudsniveau
(wat letterlijk gezegd wordt) en betrekkingsniveau (wat de boodschap betekent over de relatie tussen
gezinsleden ‘ik moet ook altijd alles opruimen’). Tegenstrijdigheden in inhouds- en betrekkingsniveau
kunnen grote bron van stress zijn.
o Contextuele therapie > Gezinsrelaties worden gestuurd door loyaliteit, een fundamenteel principe in
families.
Integrerende modellen
, Biopsychosociale model: op iedere leeftijd wordt individueel gedrag bepaald door een veelheid aan factoren
op lichamelijk, psychisch en sociaal gebied. Deze factoren interacteren. Tussen betrokken factoren, personen
en systeemniveaus kan een complex dynamisch evenwicht ontstaan waarin problemen oprijzen die alleen
vanuit interacties en terugkoppelings-mechanismen begrepen kunnen worden.
Balansmodel: Balans tussen draaglast (belasting die een kind ervaart) en draagkracht (de mate waarin kind
de last kan dragen). Last/tegenslagen/risicofactoren met daar tegenover beschermende/protectieve
factoren/hulpbronnen
Visies op normaliteit
Normaliteit als afwezigheid van stoornissen
Normaliteit als statistisch gemiddelde: Gedrag is normaal als het bij de meerderheid van de populatie
voorkomt. De statistische informatie geeft de hulpverlener een referentiekader voor de beoordeling van
individuele verschillen en soms ook bij observaties of bij het beoordelen van zorgen van ouders.
Ontwikkelingsprofielen opstellen.
o Nadeel: Normen niet altijd toepasbaar op specifieke groepen en kan verouderd zijn. Voordeel: oordeel
wordt geobjectiveerd.
Normaliteit als de ideale toestand: Worden bepaalde idealen m.b.t. een gezonde psychosociale ontwikkeling
bereikt. Dergelijke ideaalnormen komen voort uit maatschappelijke en culturele opvattingen (tegenstelling tot
normaliteit als statistisch gemiddelde)
Normaliteit als succesvolle adaptatie: Bij adaptatie gaat het om een dynamisch evenwicht tussen de
ontwikkeling van het individu en het aanpassen van de omgeving. In de ontwikkeling van kinderen is er
sprake van adaptatie als ze succesvol leeftijdsgebonden ontwikkelingstaken doorlopen. De fysieke en sociale
omgeving stellen bepaalde eisen waaraan een. Aandachtspunt: ernstig lijden kan ook onzichtbaar zijn.
(integratie eerdere 3 modellen)
Normaliteit als neurodiversiteit: Neurodiversiteit gaat uit van het idee dat er variatie bestaat in het
neurocognitieve functioneren van mensen. Het model streeft naar een gelijkwaardiger positie voor
neurodivergente mensen. Wie heeft er adaptatieproblemen? Afwijkingen van de norm zijn niet per se
tekortkomingen. Het tegengaan van stigmatisering en het bevorderen van inclusiviteit zijn kernwaarden voor
deze beweging.
Kwaliteit theorievorming
Practice-based theorieën: theorieën die in de praktijk een zekere bruikbaarheid hebben, maar nog niet voldoende
zijn onderzocht.
Evidence-based theorieën: de bewijsvoering voldoet aan wetenschappelijke standaarden. Evidence-based
assessment is wanneer in psychodiagnostiek gebruik wordt gemaakt van verklarende theorieën die voldoen aan
wetenschappelijke standaarden. Wanneer vervolgens gekozen wordt voor een aanpak die effectief bewezen is,
spreken we van een evidence-based treatment. Als evidence-baed assessment en treatment hand in hand gaan,
kan gesproken worden van evidence-based practice.
De orthopedagoog als professional
Het toepassen van kennis over procedures en methodieken, en kunde
Met als doel om dat wat gewenst is te realiseren: het normatieve gezichtspunt
Oorspronkelijk object van de orthopedagogiek: het afwijkende kind
Doel van het orthopedagogisch ingrijpen: het kind helpen bij de maatschappelijke integratie
Therapiecyclus
Indicatieanalyse als scharnierpunt tussen diagnostiek en behandeling. Je wilt namelijk op een wetenschappelijke
manier tot een aanbeveling komen om een kind te helpen, rekening houden met de context, beschermende factoren
en risicofactoren. Dit leidt tot een indicerende diagnose. Dit vormt de input voor het advies.
Je start met een nieuwe cyclus de therapiecyclus. Deze cyclus bestaat uit de volgende stappen:
Planning
Uitvoering
Beoordeling van het effect
Fasen in het hulpverleningsproces
De diagnostische cyclus en de therapiecyclus worden samen de klinische cyclus genoemd.
,Orthopedagogiek als handelingswetenschap
Met de regulatieve cyclus wil je het effect van de hulp evalueren. Dit is beter geschikt dan de empirische cyclus,
omdat de regulatieve cyclus gericht is op verandering¸ terwijl de empirische cyclus gericht is op beschrijving. De
empirische cyclus wordt gebruikt als fundatie van de regulatieve cyclus, waarbij de vraag gesteld wordt: is de
gewenste verandering inderdaad opgetreden?
Gewoon waar het kan, speciaal waar het moet.
Orthopedagogisch handelen
Binnen de onderscheiden fasen in het hulpverleningsproces:
Beslissingsmomenten inbouwen (regulatieve cyclus): op zoek naar stapsgewijs doelen bereiken
Voortgang bewaken door onderzoeksmomenten in te bouwen (empirische subcycli)
De empirische cyclus wordt geïntegreerd in de regulatieve cyclus, omdat je de verandering wil baseren op empirisch
bewijs. Binnen de regulatieve cyclus wordt de empirische cyclus dus gebruikt.
Integratie cycli
Regulatieve cyclus: hulpverleningsproces heeft als doel bijdragen aan gewenste verandering in het leven van het
kind.
1. Fase van probleemherkenning
o Verkenning hulpvraag: situatie in kaart brengen
o Dossieranalyse: hulpverleningsgeschiedenis bekijken
o Oriënterend psychodiagnostisch onderzoek: binnen verschillende ontwikkelingsdomeinen kijken naar
kwetsbaarheden en competenties
o Hypothesevorming: hypotheses over wat er aan de hand is en hoe ernstig, signalering van
onveiligheid.
2. Probleemdefiniëring (gericht psychodiagnostisch onderzoek)
o Multidisciplinair werken
o Casus-conceptualisatie: Het gaat om een hypothese over de samenhang van de klachten en de
zorgen, in het geheel van iemands leven. Er wordt zowel ingezoomd op de klachten en zorgen als
uitgezoomd op de betekenis hiervan voor het grotere geheel. Geeft inzicht in welke aspecten naar
verwachting wel/niet veranderd kunnen worden en is daarmee leidende voor de doelen die gesteld
worden. Ook wel: holistische theorie
3. Interventiekeuze in het adviesgesprek: een verantwoorde keuze voor een interventie voldoet aan
o Principe van logica: doelen komen voort uit casusconceptualisatie
o Principe van concreetheid: SMART-doelen
o Principe van subsidiariteit: minst ingrijpende interventie moet worden ingezet om bepaald doel te
bereiken
o Principe van proportionaliteit: er moet sprake zijn van een redelijke verhouding tussen het doel en de
interventie
o Principe van omvattendheid: alle betrokkenen dienen te worden geholpen (kind, ouders, brusjes,
familie, school)
o Principe van nabijheid: hulp wordt zoveel mogelijk in de natuurlijke situatie geboden, gebruikmakend
van competenties van kind, ouders en context. Verhoogt haalbaarheid en duurzaam effect, verlaagt
stigmatisering en kosten
4. Planning: Schriftelijk interventieplan/behandelplan: welke doelen, welke middelen, welke volgorde en op
welke manier.
5. Uitvoering: Uitvoering. Uitvoeren interventieplan. Treatment integrity of implementation fidelity bewaken
door geprotocolleerde interventies zoveel als mogelijk uit te voeren volgens dat protocol. Het meten van
effecten tijdens de hulpverlening met standaardinstrumenten wordt routine outcome monitoring genoemd.
Procesdiagnostiek: er kunnen veranderingen plaatsvinden tijdens uitvoering. Het is in feite een soort
periodieke tussentijdse evaluatie. Uitkomst: voldoende resultaat of stoppen wegens onuitvoerbaarheid
, 6. Monitoring en evaluatie (over uitvoering van hulp, opbrengsten daarvan en huidig functioneren)
o Instrumenten voor monitoring
- Goal Attainment Scaling (GAS): huidige situatie als nullijn vastgelegd. Kwantificeren in
hoeverre doelrealisatie plaatsvindt.
- Feedback-Informed Treatment (FIT): behandelaar meet regelmatig individueel,
interpersoonlijk en maatschappelijk welzijn gezinsleden + feedback over gevoel begrip.
- Routine outcome monitoring (ROM): procedure binnen instellingen. Daarbij wordt bij begin
(en vaak alleen bij) afsluiting informatie vastgelegd. Voor alle behandelaars gelijk, dus niet
altijd individueel beoogde verandering vastgelegd
o Terugkoppeling en eindevaluatie: Door te monitoren kunnen problemen aan het licht komen met
betrekking tot de haalbaarheid voor het kind, ouders en/of hulpverlener. Er kunnen dan aanpassingen
worden gedaan om dat te vergroten. Ook kan het aanleiding geven om eerder te evalueren. In een
evaluatie wordt teruggekeken op alle aspecten van het verloop van de behandeling. De eindevaluatie
is de laatste. Is voor het team een reflectie- en leermoment van gehele proces.
Orthopedagogische invalshoek
Er is een verschil in communicatie met een kind en een adolescent:
o Afstemmen op ontwikkelingsniveau van het kind. Je moet afstemmen op de cognitieve en emotionele
ontwikkeling van het kind.
Kind is nog heel afhankelijk van anderen. Je kan niet alleen het kind behandelen. Je vormt dus een
therapeutische alliantie. Deze relatie vraagt om overeenstemming over de doelen en middelen, en vertrouwen
in elkaars vermogen die te (helpen) bereiken. Grote invloed op het succes van diagnostiek en behandeling.
Ethische kwesties kunnen een rol spelen. Een kind kan zich verzetten, wat doe je dan? Wat als het probleem
bij de ouders ligt? In hoeverre mag een kind meebeslissen? Wat moet je doen met vertrouwelijke informatie?
Overzicht behandelingsperspectieven
Systemisch model
Visie/mensbeeld en -Functioneren gezin als geheel staat centraal. Dit is van invloed op het gedrag en de
etiologie ontwikkeling van het kind,
probleemgedrag -Problemen ontstaan bij disfunctioneren van gezinsinteracties, structuren en relaties
(homeostase en hiërarchie)
-Opvoedingsstijlen / opvoederskenmerken zijn van invloed
-Er is sprake van wederkerigheid van de ouder-kind relatie. Bij een hyperactief kind is
controlerende opvoeding vaak van belang, waardoor het kind hier weer op reageert.
Diagnostiek -Gedrag moet je niet geïsoleerd bekijken. Men dient te kijken in meerdere (sub-)systemen
-Instrumenten: gezinsobservatie, gezinsvragenlijsten, gezinsinterview, genogram
(generaties in beeld brengen)
Visie op -Focus: gezinssysteem
behandeling -Aanpak: zorgen voor gezond en evenwichtig gezinssysteem door grenzen, goede
communicatie, wederkerigheid, cohesie, verantwoordelijkheid en respect. Je haalt het kind
niet uit het systeem, maar behandelt het hele gezin.
Interventies Aangrijpingspunten in het gezinssysteem
-Gezinstherapie (systeemtherapie)
-Oudergroepen, oudertherapie
Psychodynamisch model
Inleidend -Gericht op het ontwikkelingsproces
-Problemen worden bekeken in termen van emotionele onrijpheid
-Voor persoonlijke ontwikkeling zijn angst en emotionele crisissen nodig.
-Belang personen in vroege ontwikkeling
-Aandacht voor intra-psychische aspect van het individu. Focus op innerlijke percepties.
Visie/mensbeeld -Persoonlijkheid is de uitkomst van een ontwikkelingsproces van 3 structuren:
Id: Lustprincipe (bij geboorte aanwezig, instinctief)
Ego: Realiteitsprincipe (aangepast aan de externe wereld, logisch en rationeel
denken). Het bemiddeld tussen het id en superego.
Superego: Ego-ideaal (wil je bereiken = positief), Geweten (= negatief).
Etiologie -Sociaal-emotionele ontwikkeling raakt verstoord door het niet succesvol oplossen van een
probleemgedrag conflict tussen id, ego en super-ego
-Fixatie in 1 van de volgende fasen heeft abnormaal gedrag tot gevolg