3.2 VRIO-analyse
1. Hoe verschilt Barney’s kijk op concurrentievoordeel
fundamenteel van die van Porter?
Porter suggereert dat ondernemingen duurzaam concurrentievoordeel
verkrijgen door strategieën te implementeren die hun interne sterktes
benutten, inspelen op kansen in de omgeving, externe bedreigingen
neutraliseren en interne zwaktes vermijden. Hiermee sluit Porter met deze
kijk heterogeniteit en immobiliteit van middelen uit als mogelijke bronnen
van concurrentievoordeel. Dit beschrijft direct het verschil in kijk op
concurrentievoordeel. Het artikel van Barney richt zich juist op resource-
based view. Dit houdt in dat duurzaam concurrentievoordeel ontstaat
omdat waardevolle middelen zowel verschillend (heterogeniteit) als
moeilijk overdraagbaar zijn (immobiliteit). Barney (1991) vervangt de
aannames van Porter door twee nieuwe aannames. Volgens Barney (1991)
wordt aangenomen dat ondernemingen binnen een industrie heterogeen
kunnen zijn met betrekking tot de strategische middelen die ze beheersen.
Ten tweede wordt aangenomen dat deze middelen niet perfect mobiel zijn
tussen ondernemingen. Dit houdt in dat heterogeniteit langdurig kan
bestaan.
2. Welke aannames over de markt of organisaties
maken beide auteurs?
Aannames van Porter (industry-based view)
Porter vertrekt vooral vanuit de markt en de industrie.
Belangrijkste aannames:
1. Bedrijven binnen een industrie zijn in essentie vergelijkbaar
→ Verschillen in prestaties worden vooral verklaard door de
structuur van de industrie, niet door unieke interne
eigenschappen van bedrijven.
2. Concurrentievoordeel komt primair voort uit externe
factoren
→ Denk aan toetredingsbarrières, machtsverhoudingen, substituten
en rivaliteit (Five Forces).
3. Resources zijn relatief mobiel en imiteerbaar
→ Als een strategie succesvol is, kunnen concurrenten deze in
principe ook kopiëren.
4. Industriestructuren zijn relatief stabiel
→ Daardoor is positionering (kostenleiderschap, differentiatie) het
kernvraagstuk.
1. Hoe verschilt Barney’s kijk op concurrentievoordeel
fundamenteel van die van Porter?
Porter suggereert dat ondernemingen duurzaam concurrentievoordeel
verkrijgen door strategieën te implementeren die hun interne sterktes
benutten, inspelen op kansen in de omgeving, externe bedreigingen
neutraliseren en interne zwaktes vermijden. Hiermee sluit Porter met deze
kijk heterogeniteit en immobiliteit van middelen uit als mogelijke bronnen
van concurrentievoordeel. Dit beschrijft direct het verschil in kijk op
concurrentievoordeel. Het artikel van Barney richt zich juist op resource-
based view. Dit houdt in dat duurzaam concurrentievoordeel ontstaat
omdat waardevolle middelen zowel verschillend (heterogeniteit) als
moeilijk overdraagbaar zijn (immobiliteit). Barney (1991) vervangt de
aannames van Porter door twee nieuwe aannames. Volgens Barney (1991)
wordt aangenomen dat ondernemingen binnen een industrie heterogeen
kunnen zijn met betrekking tot de strategische middelen die ze beheersen.
Ten tweede wordt aangenomen dat deze middelen niet perfect mobiel zijn
tussen ondernemingen. Dit houdt in dat heterogeniteit langdurig kan
bestaan.
2. Welke aannames over de markt of organisaties
maken beide auteurs?
Aannames van Porter (industry-based view)
Porter vertrekt vooral vanuit de markt en de industrie.
Belangrijkste aannames:
1. Bedrijven binnen een industrie zijn in essentie vergelijkbaar
→ Verschillen in prestaties worden vooral verklaard door de
structuur van de industrie, niet door unieke interne
eigenschappen van bedrijven.
2. Concurrentievoordeel komt primair voort uit externe
factoren
→ Denk aan toetredingsbarrières, machtsverhoudingen, substituten
en rivaliteit (Five Forces).
3. Resources zijn relatief mobiel en imiteerbaar
→ Als een strategie succesvol is, kunnen concurrenten deze in
principe ook kopiëren.
4. Industriestructuren zijn relatief stabiel
→ Daardoor is positionering (kostenleiderschap, differentiatie) het
kernvraagstuk.