Hoorcollege 1
Oude besproken theorieën:
Hechtingstheorie (bowlby & ainsworth)
Bowlby stelde dat een veilige hechting met een ouder of verzorger essentieel
is voor de emotionele ontwikkeling. Ainsworth onderzocht hechtingsstijlen en
ontdekte vier typen: veilig, vermijdend, ambivalent en gedesorganiseerd.
Een veilige hechting helpt bij het ontwikkelen van vertrouwen en gezonde
relaties. Problemen in hechting kunnen later zorgen voor onzekerheid en
moeite met sociale interacties.
Theorie van de gedachte (theory of mind)
Dit gaat over het besef dat anderen eigen gedachten, gevoelens en intenties
hebben die anders kunnen zijn dan die van jezelf. Kinderen ontwikkelen dit
rond hun vierde jaar, wat helpt bij inlevingsvermogen en sociale interacties.
Een kind met een goed ontwikkelde theory of mind begrijpt bijvoorbeeld dat
iemand anders iets niet weet of kan liegen. Problemen hiermee worden vaak
gezien bij autisme.
Klassiek conditioneren (Watson)
Watson toonde aan dat gedrag aangeleerd kan worden door associatie. In
zijn experiment met "Little Albert" koppelde hij een neutrale stimulus (een
witte rat) aan een eng geluid, waardoor het kind bang werd voor de rat. Dit
laat zien dat emoties en reacties aangeleerd kunnen worden door herhaalde
koppeling van prikkels.
Pavlov
Pavlov ontdekte klassiek conditioneren met honden. Hij liet een bel rinkelen
vlak voordat ze eten kregen, waardoor de honden uiteindelijk al gingen
kwijlen bij alleen het geluid. Dit betekent dat een neutrale prikkel een
automatische reactie kan uitlokken als deze vaak genoeg wordt herhaald.
Operant conditioneren (Skinner)
Skinner stelde dat gedrag wordt beïnvloed door beloningen en straffen.
Gedrag dat beloond wordt, zal vaker voorkomen, terwijl gedrag dat bestraft
wordt juist minder wordt. Dit principe wordt veel gebruikt in opvoeding,
onderwijs en gedragsbeïnvloeding.
Freud, Erikson & Rogers
Freud zag ontwikkeling als gestuurd door onbewuste driften en verlangens,
vooral gerelateerd aan seksualiteit en agressie. Erikson beschreef
ontwikkeling in levensfases, waarbij elke fase een psychologisch conflict
heeft, zoals vertrouwen vs. wantrouwen. Rogers legde de nadruk op
,zelfontplooiing en het belang van een positieve, ondersteunende omgeving
om iemands volle potentieel te bereiken.
Systeemtheorie (minuchin, watzlawick, boszormenyi-nagy)
Deze theorie stelt dat mensen altijd deel uitmaken van een systeem, zoals
een gezin of samenleving, en dat hun gedrag hierdoor beïnvloed wordt.
Minuchin keek naar gezinsstructuren en rollen binnen het gezin. Watzlawick
onderzocht communicatie en hoe misverstanden ontstaan. Boszormenyi-
Nagy benadrukte loyaliteit en onzichtbare verplichtingen binnen families.
Deze theorie helpt verklaren hoe relaties en omgeving gedrag beïnvloeden.
-
Het model van Pennington is een specifieke toepassing van het diathese-
stress model.
Het diathese-stress model is een algemeen psychologisch model dat stelt
dat een stoornis ontstaat door een combinatie van een aanleg
(diathese) en stress uit de omgeving. Alleen aanleg of alleen stress is
vaak niet genoeg om een probleem te veroorzaken, maar samen kunnen ze
leiden tot een stoornis.
Het model van Pennington past dit principe specifiek toe op neurologische
en ontwikkelingsstoornissen, zoals dyslexie en ADHD. Hij benadrukt dat
sommige kinderen een zwakkere neurologische basis hebben, waardoor
ze gevoeliger zijn voor omgevingsfactoren zoals opvoeding, onderwijs en
stress.
,Het Knorth model kijkt naar hoe verschillende factoren bijdragen aan
gedragsproblemen bij kinderen en jongeren. Het model benadrukt dat
er meerdere invloeden tegelijk meespelen:
1. Kindfactoren – Bijvoorbeeld temperament, erfelijke aanleg of
ontwikkelingsproblemen.
2. Ouderfactoren – Opvoedingsstijl, stress bij ouders of hechting.
3. Omgevingsfactoren – School, vrienden, buurt en maatschappij.
Als deze factoren niet goed op elkaar aansluiten, kan dat leiden tot
gedragsproblemen. Dit model helpt bij het begrijpen van problemen en hoe
hulp het beste kan worden ingezet.
Het transactionele model stelt dat kind en omgeving elkaar continu
beïnvloeden. Een kind wordt niet alleen beïnvloed door opvoeding en
omgeving, maar beïnvloedt die zelf ook terug. Dit is een wisselwerking die
over tijd verandert.
Bijvoorbeeld:
Een druk kind roept strengere reacties van ouders op, wat het gedrag
weer kan verergeren.
Een kind dat veel positieve aandacht krijgt, voelt zich veilig en gaat
zich ook socialer gedragen.
, Dit model laat zien dat ontwikkeling een dynamisch proces is, waarin zowel
het kind als de omgeving elkaar steeds beïnvloeden.
Equifinaliteit betekent dat verschillende oorzaken tot hetzelfde resultaat
kunnen leiden, zoals een kind dat angst ontwikkelt door erfelijkheid, stress
thuis of pesten. Multifinaliteit is het tegenovergestelde: dezelfde oorzaak kan
bij verschillende mensen tot andere uitkomsten leiden, zoals twee kinderen
die een scheiding meemaken, waarbij de één gedragsproblemen krijgt en de
ander zich goed aanpast. Dit laat zien dat ontwikkeling onvoorspelbaar is en
voor iedereen anders verloopt.
Een theorie is een verklaring. Het beschrijft waarom en hoe bepaalde
psychologische processen of gedragingen plaatsvinden. Ze zijn gebaseerd op
wetenschappelijk onderzoek en proberen onderliggende mechanismen te
verklaren.
Een model is een hulpmiddel of representatie. Het vereenvoudigt complexe
processen om beter te begrijpen wat er gebeurt en hoe de onderdelen met
elkaar samenhangen. Modellen zijn vaak visueel.
We gaan ons bezig houden met de vraag; hoe kom je van algemene theorie
naar een antwoord op de vraag van een individu? Dus van de populatie naar
n=1.
Iatrogene schade is schade die wordt toegediend door een behandeling te
doen. Het moet eerst kapot, voor je het maakt. Dit is ook in de psychische
zorg, denk aan een uithuisplaatsing.
Je oordeel wordt vaak beïnvloed door verschillende denkfouten en biases, die
het moeilijk maken om objectief te zijn. Bijvoorbeeld, anchoring of
het primacy-effect betekent dat je oordeel sterk beïnvloed wordt door de
informatie die je als eerste ontvangt. Stel je voor dat je eerst een hoge prijs
ziet, dan lijkt alles daarna goedkoop in vergelijking.
Bij excessive data collection verzamel je veel meer informatie dan nodig,
vaak zonder dat het echt helpt, en dit kan je beslissing verwarrend
maken. Bevestigingsbias speelt in als je alleen informatie zoekt die je al
gelooft, waardoor je andere, misschien belangrijke, feiten negeert.