Hoorcollege 1
Mogelijke plekken voor observaties: thuiscontext, lab, op een publieke
locatie, op school, in een praktijkinstelling, etc.
Mogelijke situaties voor observatie: vrij spel, bad routine, voorlezen,
diagnostisch onderzoek, maaltijd, etc.
Hawthorne effect (observe reactivity) is het effect wat een observator heeft
op het gedrag van iemand. Dit vermindert de ecologische validiteit.
,De kwaliteitsmaten van observatiemethode zijn betrouwbaarheid en
validiteit. Bij een thuisobservatie is er een hogere ruis maar een hogere
ecologische validiteit, in een lab is dit tegenovergesteld.
1. Gedragsfrequenties (tellen)
Bij deze methode registreer je hoe vaak een bepaald gedrag
voorkomt binnen een specifieke tijdsperiode. Je hebt eerst gedefinieerd wat
het gedrag is, en dan tel je simpelweg hoeveel keer het voorkomt.
Voorbeeld: Als je observeert of een leerling de klas binnenkomt, tel je
hoeveel keer de leerling de klas binnenkomt in een uur. Het gaat hierbij dus
echt om het aantal keren dat iets gebeurt.
Kenmerken:
Definitie van gedrag is van tevoren vastgesteld.
Telt simpelweg de frequentie van het gedrag.
Tijdsperiode is vast (bijvoorbeeld 10 minuten, een uur, etc.).
2. Event-based
Deze methode wordt gebruikt wanneer je gedrag alleen onder specifieke
omstandigheden wilt coderen. Het gedrag wordt geregistreerd als het zich
voordoet onder bepaalde voorwaarden, zoals wanneer er een verandering of
trigger is in de omgeving of de context.
Voorbeeld: Als je alleen wilt registreren wanneer een leerling begint te
schreeuwen na een specifieke gebeurtenis, zoals wanneer de leraar de
leerling corrigeert, dan registreer je dit gedrag alleen als het binnen die
context plaatsvindt.
Kenmerken:
Het gedrag wordt alleen geobserveerd als het voldoet aan specifieke
voorwaarden (bijv. een bepaalde situatie of trigger).
Niet continu maar gebonden aan een gebeurtenis.
3. Micro-level (real-time)
Micro-level coderen betekent dat je kijkt naar heel kleine, moment-to-
moment gedragingen. Dit kunnen bijvoorbeeld kleine reacties zijn zoals een
glimlach, fronsen, of het verhogen van de stem. Het idee is om gedragingen
in real-time te observeren en direct vast te leggen.
, Voorbeeld: Als je observeert of iemand glimlacht tijdens een gesprek,
registreer je per moment of het gedrag zich voordoet. Je kijkt naar het
gedrag van moment tot moment en registreert ja of nee (bijvoorbeeld:
glimlachte de persoon tijdens deze specifieke seconde?).
Kenmerken:
Het gaat om kleine, gedetailleerde gedragingen die onmiddellijk
optreden.
Gedragingen worden op het precies juiste moment geregistreerd.
Ja/nee codering per tijdseenheid (bijvoorbeeld per seconde of minuut).
4. Macro-level schalen
Bij deze methode gebruik je schalen om gedragingen te coderen. In plaats
van simpelweg te tellen of te kijken naar het gedrag op moment-niveau,
gebruik je grotere categorieën en definieer je gedetailleerde schalen die
gedrag beoordelen aan de hand van concrete voorbeelden.
Voorbeeld: Als je een schaal gebruikt om te beoordelen hoe warm de relatie
tussen een leraar en een leerling is, zou je bijvoorbeeld punten toekennen
zoals:
1 = Zeer afstandelijk en formeel
2 = Af en toe vriendelijk, maar overwegend formeel
3 = Heel vriendelijk en positief
Kenmerken:
Gedrag wordt geobserveerd en gewaardeerd op een schaal.
Er worden concrete gedragingen aan de schaal gekoppeld.
Schaalpunten worden toegewezen op basis van observatie
van algemene patronen in gedrag.
Er is een verloop van een observatietraining:
1. Gestandaardiseerd codeerprotocol
2. Intensieve training
3. Betrouwbaarheidstest
4. Intercodeurs betrouwbaarheid
5. Voorkom ‘codeer drift’ (door te dubbelcoderen en intervisie)
Een inferentieniveau is de mate waarin het instrument gevoelig is voor
subjectiviteit/interpretatie en daarmee de hoeveelheid training die nodig is
om het instrument onder de knie te krijgen.