Samenvatting Literatuur Transfer Pricing Week 1
Week 1 H1 t/m H3.4 (63 blz)
- Relevantie transfer pricing H4 (25 blz)
- Het arm’s-lengthbeginsel H11.1 (5 blz)
- Wet- en regelgeving en recente Verrekenprijzenbesluit 2022, paragraaf 3
ontwikkelingen
- De impact van de keuze van de
methode op de winstallocatie
- Gelieerdheid
- Verrekenprijsmethoden
Week 2 H8 (18 blz)
- Business modellen en hun transfer H9 (13 blz)
pricing aspecten Verrekenprijzenbesluit 2022, paragraaf 8
- Transfer pricing aspecten voor
vaste inrichtingen
Week 3 H5 (20 blz)
- Concerndiensten met hoge en lage H6 (39 blz)
toegevoegde waarde H7 (14 blz)
- Immateriële vaste activa Verrekenprijzenbesluit 2022, paragraaf 5, 6, 7
- Cost Contribution Arrangements
Week 4 Hard-to-value-intangibles: how hard can it be?,
- Herstructureringen binnen WFR 2022/200
concern Verrekenprijsaspecten van internationale
- Waarderingen binnen reorganisaties, TFO 2024/195.3
herstructureringen
- Immateriële vaste activa
waarderingen
Week 5 H10 (33 blz)
- Rente op leningen Verrekenprijzenbesluit 2022, paragraaf 9
- Garantiestellingen De lening in internationaal perspectief,
- Cash pooling ledigheid is des duivels oorkussen, WFR
- Interne 2021/108
(her)verzekeringssactiviteiten
Week 6 H3.5 t/m H3.13 (26 blz)
- Documentatieverplichtingen en H11.2 t/m 11.6 (41 blz)
transparantie Besluit vooroverleg rulings met een
- Benchmarking internationaal karakter
- Operationele transfer pricing Besluit Onderlinge overlegprocedures van 23
- Bewijslast(verdeling) juni 2020
- Het verkrijgen van zekerheid Verrekenprijzenbesluit 2022, paragraaf 2, 4, 10
- Transfer pricing adjustments en 11
- Internationale
geschillenbeslechting
(MAP/Arbitrage)
1
,Hoofdstuk 1: Inleiding en verantwoording
Een verrekenprijs is de prijs die door het ene onderdeel van een multinationaal opererend
concern in rekening wordt gebracht aan een ander onderdeel van hetzelfde concern voor de
levering van een goed of een dienst, de verkoop van de beschikbaarstelling van een intangible
of het uitlenen van een geldsom. De prijs en de voorwaarden van een dergelijke transactie
worden niet bepaald door de vrije markt: de prijzen kunnen beïnvloed worden door de
gelieerdheid.
Op de plekken waar de extra waarde (bijvoorbeeld in het geval van apple de merkwaarde)
wordt toegevoegd moet door een passend verrekenprijssysteem de (extra) winst terechtkomen
en kunnen worden belast.
Startpunt van een verrekenprijsanalyse is: een economische functionele analyse die nagaat
waar welke waarde toegevoegd wordt in de keten van een onderneming.
Hoe internationaal verrekenprijzen worden bepaald is internationaal het ‘at arm’s length
beginsel’ van groot belang. Dit is opgenomen in het OESO-MV, VN-MV en de NL wet.
Daarmee hanteren de meeste landen in hun onderlinge verhoudingen eenzelfde beginsel voor
het bepalen van de verrekenprijzen.
TP is een snel veranderend vakgebied, met veel discussies. Zo is er recentelijk meer het idee
om de winst meer te alloceren in de landen waar de consumenten zijn gevestigd.
2
,Hoofdstuk 2: Het arm’s-Lengthbeginsel
2.1: Inleiding
Voor het bepalen van verrekenprijzen bij transacties tussen gelieerde partijen wordt
internationaal door bedrijven en belastingdiensten doorgaans gebruikgemaakt van het arm’s-
Lengthbeginsel om te komen tot een toerekening van winsten aan landen. Dit staat sinds 1-1-
2002 in de NL wet via art. 8b Wet Vpb.
2.2: Het arm’s length beginsel en de OESO-richtlijn
Multinationals verrichten activiteiten in verschillende landen met het doel om winst te
maken. Aandeelhouders van multinationals zijn geïnteresseerd in de totale geconsolideerde
winst. Voor de BD van de verschillende landen ligt dit anders, zij willen belasting heffen over
dat deel van de winst dat is toe te rekenen aan de activiteiten van de betreffende
multinationals in hun land.
Vaststelling van de winst per land is bij grote concerns niet altijd vanzelfsprekend/logisch uit
de administratie. Gegeven het feit dat de diverse belastingdiensten de neiging hebben zo’n
groot mogelijk deel van de winst te belasten en dat dubbele belasting ongewenst is, is een
internationaal geaccepteerde methodiek van winstverdeling van groot belang. We willen
double taxation en double non-taxation tegengaan.
Separate entity approach (‘zelfstandigheidsfictie) = de individuele delen van de
multinationale onderneming worden geacht onderling zakelijk te handelen op basis van het
arm’s-length beginsel als ware zij ongelieerde ondernemingen. Bij de toepassing van het
beginsel wordt een multinationale onderneming gesplitst in afzonderlijke entiteiten.
Arm’s-length beginsel = de voorwaarden van een transactie moeten worden vergeleken
met de voorwaarden van vergelijkbare transacties tussen ongelieerde partijen teneinde te
kunnen beoordelen of er sprake is van zakelijk handelen. Indien bepaalde voor- of nadelen
door het hanteren van onzakelijke voorwaarden niet bij een partij zijn terechtgekomen, is er
aanleiding voor een belastingdienst om een correctie aan te brengen.
De OESO speelt een belangrijke richtinggevende rol bij de ontwikkeling en uitleg van het
arm’s-lengthbeginsel. De OESO-richtlijn wordt gebruikt door landen die lid zijn van de
OESO. In Nederland is de OESO-richtlijn deels overgenomen in het Verrekenprijzenbesluit
2022. Dit besluit is geen dwingend recht, maar een soort ‘aanbeveling’ van de
staatssecretaris.
2.3: Het arm’s length beginsel in de Nederlandse context
Samengevat zijn de volgende redenen aangevoerd voor de invoering van artikel 8b Wet Vpb:
- Een uitdrukkelijke bevestiging van het arm’s-Lengthbeginsel;
- Een codificatie van de bestaande praktijk;
- Het effectief kunnen voorkomen van fiscaal gedreven winstverschuivingen binnen
multinationals
- Het scheppen van duidelijkheid over de toepassing van de OESO-richtlijn.
De staatssecretaris vond dat codificatie noodzakelijk werd voor de praktijk, het gaf
duidelijkheid over de Nederlandse positie en maakte deel uit van een reeks maatregelen die
vanwege de kritiek uit het buitenland over belastingconcurrentie werd genomen.
3
, Artikel 8b lid 1 Wet Vpb:
“Indien een lichaam, onmiddellijk of middellijk, deelneemt aan de leiding van of het toezicht
op, dan wel in het kapitaal van een ander lichaam en tussen deze lichamen ter zake van hun
onderlinge rechtsverhoudingen voorwaarden worden overeengekomen of opgelegd
(verrekenprijzen) die afwijken van voorwaarden die in het economische verkeer door
onafhankelijke partijen zouden zijn overeengekomen, wordt de winst van die lichamen
bepaald alsof die laatstbedoelde voorwaarden zouden zijn overeengekomen.”
At arm’s-lengthbeginsel houdt in dat de voorwaarden zoals die gelden voor transacties
tussen gelieerde partijen worden vergeleken met de voorwaarden die in soortgelijke situaties
worden overeengekomen tussen onafhankelijke derden.
In artikel 8b wordt in plaats van het begrip ‘commerciële en financiële betrekkingen’ (zoals in
art. 9 OESO-verdrag) het begrip ‘onderlinge rechtsverhoudingen’ gebruikt. Art. 8b spreekt
daarnaast niet van ‘ondernemingen’, maar van ‘lichamen’. Algemeen wordt aangenomen dat
in beide artikelen hetzelfde wordt bedoeld
Memorie van toelichting op art. 8b Wet Vpb: het arm’s-lengthbeginsel heeft slechts werking
in de onderlinge verhouding tussen lichamen, er wordt niet beoogd de onderlinge verhouding
tussen lichamen en natuurlijk personen een wijziging aan te brengen.
Voordat art. 8b werd ingevoerd op 1-1-2002 vonden correcties uitsluitend plaats, door voor-
en nadelen die uit een aandeelhoudersactie plaatsvonden, uit de totaalwinst van een lichaam
te elimineren (art. 3.8 Wet IB) hiervoor was omvangrijke jurisprudentie aanwezig. Door
deze jurisprudentie is het vereiste van de ‘dubbele bewustheid’ ontwikkeld.
Dubbele bewustheidstoets = Zowel de ontvanger als de verstrekker van het onzakelijke
voordeel dienen zich ervan bewust te zijn dat een voordeel wordt toegedeeld.
Er is sprake van een (verkapt) dividend als aan drie voorwaarden wordt voldaan:
1. Vermogensverschuiving: Er moet een vermogensverschuiving plaatsvinden van de
BV naar de aandeelhouder.
2. Bevoordeling: De aandeelhouder wordt bevoordeeld.
3. Dubbele bewustheid: Zowel:
o de BV (vertegenwoordigd door het bestuur), als
o de aandeelhouder
moeten zich ervan bewust zijn (of redelijkerwijs bewust hebben moeten zijn) dat de
aandeelhouder wordt bevoordeeld ten laste van de winst.
In de parlementaire geschiedenis van art. 8b wordt bevestigd dat ten aanzien van
verrekenprijscorrecties de bevoordelingsbedoeling is geobjectiveerd, omdat het arm’s-
Lengthbeginsel in principe een objectieve maatstaf geeft voor het vaststellen van een
zakelijke verrekenprijs.
Met “geobjectiveerd” wordt hier níet bedoeld dat je er letterlijk een getal aan moet
kunnen hangen. Wat het wél betekent: De subjectieve bedoeling (wilden partijen
elkaar bevoordelen?) is niet meer doorslaggevend. In plaats daarvan wordt gekeken
naar een objectieve maatstaf: het arm’s-lengthbeginsel.
o Geobjectiveerd betekent dus niet:“Wilden ze bevoordelen?”
o Maar: “Is dit een prijs die onafhankelijke derden ook zouden afspreken?”
4
Week 1 H1 t/m H3.4 (63 blz)
- Relevantie transfer pricing H4 (25 blz)
- Het arm’s-lengthbeginsel H11.1 (5 blz)
- Wet- en regelgeving en recente Verrekenprijzenbesluit 2022, paragraaf 3
ontwikkelingen
- De impact van de keuze van de
methode op de winstallocatie
- Gelieerdheid
- Verrekenprijsmethoden
Week 2 H8 (18 blz)
- Business modellen en hun transfer H9 (13 blz)
pricing aspecten Verrekenprijzenbesluit 2022, paragraaf 8
- Transfer pricing aspecten voor
vaste inrichtingen
Week 3 H5 (20 blz)
- Concerndiensten met hoge en lage H6 (39 blz)
toegevoegde waarde H7 (14 blz)
- Immateriële vaste activa Verrekenprijzenbesluit 2022, paragraaf 5, 6, 7
- Cost Contribution Arrangements
Week 4 Hard-to-value-intangibles: how hard can it be?,
- Herstructureringen binnen WFR 2022/200
concern Verrekenprijsaspecten van internationale
- Waarderingen binnen reorganisaties, TFO 2024/195.3
herstructureringen
- Immateriële vaste activa
waarderingen
Week 5 H10 (33 blz)
- Rente op leningen Verrekenprijzenbesluit 2022, paragraaf 9
- Garantiestellingen De lening in internationaal perspectief,
- Cash pooling ledigheid is des duivels oorkussen, WFR
- Interne 2021/108
(her)verzekeringssactiviteiten
Week 6 H3.5 t/m H3.13 (26 blz)
- Documentatieverplichtingen en H11.2 t/m 11.6 (41 blz)
transparantie Besluit vooroverleg rulings met een
- Benchmarking internationaal karakter
- Operationele transfer pricing Besluit Onderlinge overlegprocedures van 23
- Bewijslast(verdeling) juni 2020
- Het verkrijgen van zekerheid Verrekenprijzenbesluit 2022, paragraaf 2, 4, 10
- Transfer pricing adjustments en 11
- Internationale
geschillenbeslechting
(MAP/Arbitrage)
1
,Hoofdstuk 1: Inleiding en verantwoording
Een verrekenprijs is de prijs die door het ene onderdeel van een multinationaal opererend
concern in rekening wordt gebracht aan een ander onderdeel van hetzelfde concern voor de
levering van een goed of een dienst, de verkoop van de beschikbaarstelling van een intangible
of het uitlenen van een geldsom. De prijs en de voorwaarden van een dergelijke transactie
worden niet bepaald door de vrije markt: de prijzen kunnen beïnvloed worden door de
gelieerdheid.
Op de plekken waar de extra waarde (bijvoorbeeld in het geval van apple de merkwaarde)
wordt toegevoegd moet door een passend verrekenprijssysteem de (extra) winst terechtkomen
en kunnen worden belast.
Startpunt van een verrekenprijsanalyse is: een economische functionele analyse die nagaat
waar welke waarde toegevoegd wordt in de keten van een onderneming.
Hoe internationaal verrekenprijzen worden bepaald is internationaal het ‘at arm’s length
beginsel’ van groot belang. Dit is opgenomen in het OESO-MV, VN-MV en de NL wet.
Daarmee hanteren de meeste landen in hun onderlinge verhoudingen eenzelfde beginsel voor
het bepalen van de verrekenprijzen.
TP is een snel veranderend vakgebied, met veel discussies. Zo is er recentelijk meer het idee
om de winst meer te alloceren in de landen waar de consumenten zijn gevestigd.
2
,Hoofdstuk 2: Het arm’s-Lengthbeginsel
2.1: Inleiding
Voor het bepalen van verrekenprijzen bij transacties tussen gelieerde partijen wordt
internationaal door bedrijven en belastingdiensten doorgaans gebruikgemaakt van het arm’s-
Lengthbeginsel om te komen tot een toerekening van winsten aan landen. Dit staat sinds 1-1-
2002 in de NL wet via art. 8b Wet Vpb.
2.2: Het arm’s length beginsel en de OESO-richtlijn
Multinationals verrichten activiteiten in verschillende landen met het doel om winst te
maken. Aandeelhouders van multinationals zijn geïnteresseerd in de totale geconsolideerde
winst. Voor de BD van de verschillende landen ligt dit anders, zij willen belasting heffen over
dat deel van de winst dat is toe te rekenen aan de activiteiten van de betreffende
multinationals in hun land.
Vaststelling van de winst per land is bij grote concerns niet altijd vanzelfsprekend/logisch uit
de administratie. Gegeven het feit dat de diverse belastingdiensten de neiging hebben zo’n
groot mogelijk deel van de winst te belasten en dat dubbele belasting ongewenst is, is een
internationaal geaccepteerde methodiek van winstverdeling van groot belang. We willen
double taxation en double non-taxation tegengaan.
Separate entity approach (‘zelfstandigheidsfictie) = de individuele delen van de
multinationale onderneming worden geacht onderling zakelijk te handelen op basis van het
arm’s-length beginsel als ware zij ongelieerde ondernemingen. Bij de toepassing van het
beginsel wordt een multinationale onderneming gesplitst in afzonderlijke entiteiten.
Arm’s-length beginsel = de voorwaarden van een transactie moeten worden vergeleken
met de voorwaarden van vergelijkbare transacties tussen ongelieerde partijen teneinde te
kunnen beoordelen of er sprake is van zakelijk handelen. Indien bepaalde voor- of nadelen
door het hanteren van onzakelijke voorwaarden niet bij een partij zijn terechtgekomen, is er
aanleiding voor een belastingdienst om een correctie aan te brengen.
De OESO speelt een belangrijke richtinggevende rol bij de ontwikkeling en uitleg van het
arm’s-lengthbeginsel. De OESO-richtlijn wordt gebruikt door landen die lid zijn van de
OESO. In Nederland is de OESO-richtlijn deels overgenomen in het Verrekenprijzenbesluit
2022. Dit besluit is geen dwingend recht, maar een soort ‘aanbeveling’ van de
staatssecretaris.
2.3: Het arm’s length beginsel in de Nederlandse context
Samengevat zijn de volgende redenen aangevoerd voor de invoering van artikel 8b Wet Vpb:
- Een uitdrukkelijke bevestiging van het arm’s-Lengthbeginsel;
- Een codificatie van de bestaande praktijk;
- Het effectief kunnen voorkomen van fiscaal gedreven winstverschuivingen binnen
multinationals
- Het scheppen van duidelijkheid over de toepassing van de OESO-richtlijn.
De staatssecretaris vond dat codificatie noodzakelijk werd voor de praktijk, het gaf
duidelijkheid over de Nederlandse positie en maakte deel uit van een reeks maatregelen die
vanwege de kritiek uit het buitenland over belastingconcurrentie werd genomen.
3
, Artikel 8b lid 1 Wet Vpb:
“Indien een lichaam, onmiddellijk of middellijk, deelneemt aan de leiding van of het toezicht
op, dan wel in het kapitaal van een ander lichaam en tussen deze lichamen ter zake van hun
onderlinge rechtsverhoudingen voorwaarden worden overeengekomen of opgelegd
(verrekenprijzen) die afwijken van voorwaarden die in het economische verkeer door
onafhankelijke partijen zouden zijn overeengekomen, wordt de winst van die lichamen
bepaald alsof die laatstbedoelde voorwaarden zouden zijn overeengekomen.”
At arm’s-lengthbeginsel houdt in dat de voorwaarden zoals die gelden voor transacties
tussen gelieerde partijen worden vergeleken met de voorwaarden die in soortgelijke situaties
worden overeengekomen tussen onafhankelijke derden.
In artikel 8b wordt in plaats van het begrip ‘commerciële en financiële betrekkingen’ (zoals in
art. 9 OESO-verdrag) het begrip ‘onderlinge rechtsverhoudingen’ gebruikt. Art. 8b spreekt
daarnaast niet van ‘ondernemingen’, maar van ‘lichamen’. Algemeen wordt aangenomen dat
in beide artikelen hetzelfde wordt bedoeld
Memorie van toelichting op art. 8b Wet Vpb: het arm’s-lengthbeginsel heeft slechts werking
in de onderlinge verhouding tussen lichamen, er wordt niet beoogd de onderlinge verhouding
tussen lichamen en natuurlijk personen een wijziging aan te brengen.
Voordat art. 8b werd ingevoerd op 1-1-2002 vonden correcties uitsluitend plaats, door voor-
en nadelen die uit een aandeelhoudersactie plaatsvonden, uit de totaalwinst van een lichaam
te elimineren (art. 3.8 Wet IB) hiervoor was omvangrijke jurisprudentie aanwezig. Door
deze jurisprudentie is het vereiste van de ‘dubbele bewustheid’ ontwikkeld.
Dubbele bewustheidstoets = Zowel de ontvanger als de verstrekker van het onzakelijke
voordeel dienen zich ervan bewust te zijn dat een voordeel wordt toegedeeld.
Er is sprake van een (verkapt) dividend als aan drie voorwaarden wordt voldaan:
1. Vermogensverschuiving: Er moet een vermogensverschuiving plaatsvinden van de
BV naar de aandeelhouder.
2. Bevoordeling: De aandeelhouder wordt bevoordeeld.
3. Dubbele bewustheid: Zowel:
o de BV (vertegenwoordigd door het bestuur), als
o de aandeelhouder
moeten zich ervan bewust zijn (of redelijkerwijs bewust hebben moeten zijn) dat de
aandeelhouder wordt bevoordeeld ten laste van de winst.
In de parlementaire geschiedenis van art. 8b wordt bevestigd dat ten aanzien van
verrekenprijscorrecties de bevoordelingsbedoeling is geobjectiveerd, omdat het arm’s-
Lengthbeginsel in principe een objectieve maatstaf geeft voor het vaststellen van een
zakelijke verrekenprijs.
Met “geobjectiveerd” wordt hier níet bedoeld dat je er letterlijk een getal aan moet
kunnen hangen. Wat het wél betekent: De subjectieve bedoeling (wilden partijen
elkaar bevoordelen?) is niet meer doorslaggevend. In plaats daarvan wordt gekeken
naar een objectieve maatstaf: het arm’s-lengthbeginsel.
o Geobjectiveerd betekent dus niet:“Wilden ze bevoordelen?”
o Maar: “Is dit een prijs die onafhankelijke derden ook zouden afspreken?”
4