H1 Why psychical testing matters to you
Psychometrie = concepten en principes die belangrijk zijn voor het ontwikkelen van tests die
psychologisch betekenisvol en betrouwbaar zijn.
Drie kenmerken die centraal staan in de psychometrie:
1. Het type informatie (meestal scores)
2. Betrouwbaarheid van gegevens (krijg je dezelfde scores als je de test opnieuw doet)
3. Validiteit: meet je wat je wilt meten
Psychometrie is gebaseerd op twee belangrijke fundamenten:
1. De praktijk van psychologisch testen en meten (ontstaan uit de lange praktijk van het
afnemen van tests om menselijke vaardigheden en eigenschappen te meten)
2. De ontwikkeling van statistische methoden (testscores analyseren en verbeteren)
Zonder metingen kan wetenschappelijk onderzoek niet worden bestudeerd. Hierbij is evaluatie van de
metingen ook belangrijk voor een betekenisvolle en nauwkeurige interpretatie van je
onderzoeksresultaten.
Op hbo-niveau wordt er vooral geleerd hoe je een test moet afnemen. Op Wo-niveau gaat het
daarentegen meer over begrijpen van tests.
à Bijvoorbeeld: is het zinvol om een bepaalde test bij kleuters af te nemen?
Een gedragsmeting wordt meestal om twee redenen uitgevoerd:
1. Soms meten psychologen gedrag omdat zij geïnteresseerd zijn in dat specifieke gedrag op
zichzelf
2. Of gedragswetenschappers observeren gedrag als een manier om niet-observeerbare
psychologische attributen te beoordelen, zoals intelligentie, depressie etc.
Operationele definitie = het meetbaar maken van een construct.
à Bijvoorbeeld: je wilt weten wie van de twee leerlingen een groter werkgeheugen heeft. Dit is een
latente variabele dus heb je een andere (observeerbare) variabele nodig om het construct meetbaar te
maken. Door middel van digit-span laat je de leerlingen een aantal cijfers onthouden. Wie de meeste
cijfers onthoudt, heeft een groter werkgeheugen.
In het voorbeeld hiervoor gaan we ervan uit dat de digit-span het werkgeheugen weerspiegelt.
Wanneer een aanname juist is spreken we van een valide interpretatie (testvaliditeit), dus de scores
meten daadwerkelijk het mentale proces of toestand.
Theoretische concepten worden vaak gebruikt om verschillen in menselijk gedrag te verklaren.
à Bijvoorbeeld: intelligentie of stress
Psychologische test = een systematische procedure voor het vergelijken van het gedrag tussen twee of
meer personen.
à Meetmiddel
Differentiële psychologie = de wetenschappelijke studie die zich richt op de psychologische
verschillen tussen individuen en groepen.
à Tak van de psychologie
1
,Drie belangrijke componenten voor psychologische tests:
1. Tests omvatten gedragssteekproeven van een of andere aard
à Een kleine steekproef van gedrag
2. De gedragssteekproeven moeten op een systematische manier worden verzameld
à Het gedrag wordt bij iedereen op dezelfde manier gemeten: duidelijk en betrouwbaar
3. Het doel is het vaststellen van verschillen tussen mensen
Beck Depression Inventory = een 21-item papier-en-potloodtest ontworpen om depressie te meten.
Door de antwoorden op te tellen wordt bepaald hoe depressief iemand is.
Psychologische tests definitie is:
o Algemeen: het heeft een brede definitie en is op veel verschillende soorten tests van
toepassing.
o Type informatie: het type informatie dat de tests opleveren is algemeen
o Algemene doel: identificeren of kwantificeren van interindividuele verschillen of intra-
individuele verschillen
à Draagt bij aan de variabiliteit
House-Tree-Person Test = een test waarbij kinderen werden gevraagd om een huis, een boom en een
persoon te tekenen. De tekeningen werden beoordeeld op bepaalde kenmerken en op basis daarvan
werden ze ingedeeld in groepen.
Reflectieve indicatoren = de antwoorden worden gezien als het gevolg van het onderliggende
construct.
à Bijvoorbeeld: een groot werkgeheugen zorgt voor betere prestaties op de reading- en digitspan
Formatieve indicatoren = indicatoren die samen het construct vormen.
à Bijvoorbeeld: inkomen + opleiding + beroep = de sociaal economische status
Werkgeheugen = een cognitief systeem dat een limiet heeft voor het onthouden van informatie.
à Onderdeel van de WISC
à Wordt gerekend onder intelligentie
à Het is een niet observeerbaar construct
De WISC (Wechsler Intelligence Scale for Children) = een intelligentietest voor kinderen van 6 tot 16
jaar die verschillende cognitieve vaardigheden meet, waaronder werkgeheugen, en wordt gebruikt om
het IQ en het cognitieve profiel van een kind in kaart te brengen
Construct = hetgeen waarin we geïnteresseerd zijn, zoals intelligentie
Latente variabele = variabele die niet direct meetbaar is.
Digit span = observeerbaar
à Het werkgeheugen heeft invloed op de digit span
à Bijvoorbeeld: het aantal cijfers onthouden
Reading-span = observeerbaar
à Bijvoorbeeld: een aantal woorden onthouden
Een test zegt iets over het construct maar dat hoeft niet perfect te zijn. Er is theorie nodig om
hypothetische construct en observeerbaar gedrag te linken. Daarnaast is er empirisch onderzoek is
nodig om de validiteit (meet je wat je moet meten) en betrouwbaarheid te bepalen.
Test = een systematische procedure voor het vergelijken van het gedrag tussen twee of meer mensen.
à Wordt systematisch verzameld
2
, à ‘’Batterij’’ zijn een bundel van tests
à Kan ook individueel zijn, zolang er maar scores zijn waarmee er vergelijkt kan worden
à Het zijn gedragingen
à Bijvoorbeeld: op een tentamen worden er onder dezelfde omstandigheden en dezelfde vragen een
gedraging afgenomen.
De klassieke testtheorie (CTT) = een theorie die stelt dat een geobserveerde testscore bestaat uit
een ware score en een meetfout, en beschrijft hoe betrouwbaar testscores zijn.
à X0 = Xt + Xe
De itemresponstheorie (IRT) = een theorie die per vraag kijkt naar wat de kans op wat iemand scoort,
afhankelijk van zijn of haar vaardigheid.
à Bijvoorbeeld: een kind moet de vraag ‘’7 x 8’’ oplossen -> het kind heeft een hoge
rekenvaardigheid en dus is de kans groot dat het kind het goed zal oplossen.
De generaliseerbaarheidstheorie = een uitbreiding van de CTT die onderzoekt hoe betrouwbaar een
tests is onder verschillende omstandigheden en waar de meetfout vandaan komt.
Types of tests
Tests worden vaak onderverdeeld in twee soorten tests afhankelijk van het doel van de score.
Norm referenced = score van de respondent wordt geïnterpreteerd t.o.v. de scores van andere
respondenten
à Bijvoorbeeld: Beck depression inventory
Criterion referenced = score van de respondent wordt geïnterpreteerd a.h.v. een vooraf vastgelegd
criterium.
à Bijvoorbeeld: bepaald of iemand wel of niet aan een bepaalde norm voldoet (bv geslaagd of niet)
à Cut off shore = een minimale score die behaalt moet worden om een test te halen, zoals een 5.5 op
het tentamen.
SAT- en ACT-scores = worden gebruikt als toelatingseis voor het hoger onderwijs of beurzen.
Speeded test (snelheid test) = tijdslimiet
à Meet de verwerkingssnelheid en concentratie meten
Power test (algemene test) = weinig of geen tijdsdruk
à Meet vooral kennis, inzicht of vaardigheid
à Moeilijkere vragen
The importance of individual differences
o Gedragswetenschappen draaien om individuele verschillen
o Pedagogen en leraren houden zich voornamelijk bezig met individuele verschillen
o Cruciale hypothese binnen de gedragswetenschappen:
à Als een test of vragenlijst een bepaald construct meet, dan zouden verschillen in testscores
moeten duiden op verschillen in het construct
Uitdagingen van metingen in de psychologie:
1. De dimensies zo meten dat de complexiteit van het construct voldoende wordt weerspiegelt
2. Participant reactivity (participant gaat zich anders gedragen als het bewust is van het meten)
à De natuurwetenschappen kennen dit probleem nauwelijks door de levenloze objecten
3. Observator of scorerbias (verwachtingen, overtuigingen of belangen van de onderzoeker
verstoren vaak onbewust het gedrag van de participant)
3