een vraagstelling
1.1 Onderwerp en vraag
Drijfveren = motivatie voor het doen van wetenschappelijk onderzoek.
- Drijfveren voor onderzoek:
o Interesse of nieuwsgierigheid
o Drang om iets aan te tonen
o Omgeving
1.1.1 Een onderwerp benoemen
Waarbij moet je rekening houden bij het kiezen van een onderwerp?
- Opdracht
- Interesse
- Bijdrage aan de wetenschap of samenleving – wetenschap is gericht op het ontwikkelen
van kennis, terwijl de maatschappelijke uitwerking hiervan groot goed is.
Wetenschappelijk werk wordt primair beoordeeld op het proces van kennisverwerving.
- Proces bestaat uit 2 delen:
1. Opbouwen van nieuwe kennis en inzichten
2. Onderzoeken, bekritiseren en afbraken van kennis en inzichten
1.1.2 Soorten vragen: beschrijvend, verklarend, verkennend
- Formuleren van een vraag en deelvragen
o Deelvragen = vormt op systematische wijze de beantwoording van de
hoofdvraag.
o Een goede onderzoeksvraag zoekt naar verdieping van inzicht in een bepaald
probleem
- Waar draait het bij de vraagstelling om?
o Kwaliteit en haalbaarheid
o Plaats tov andere vraagstukken
- 3 Typen vraagstellingen
1. Beschrijvend
o Aspecten en kenmerken van een onderwerp
o Resultaat: beschrijving waarin geen oordelen over het onderwerp worden
gegeven.
o Voor onderzoek waar niet/nauwelijks onderzoek naar is gedaan.
2. Verklarend
o Oorzaken van of verbanden tussen bepaalde verschijnselen
o Resultaat: verklaring voor een verschijnsel of proces
o Voor onderzoeken waar al veel onderzoek naar is gedaan.
, 3. Verkennend
o Toetsend karakter: bestaande verwachting of verklaring
onderzoeken/testen -> direct of indirect dmv vergelijking
o Voorschrijvend/adviserend karakter: formuleert conclusies mbt het
gebruik van het concept of de methode
o Voor onderzoeken waar al veel onderzoek naar is gedaan.
1.1.4 Criteria voor historische onderzoeksvragen
Criteria
- Precieze formulering -> concreet en duidelijk
- Geen onduidelijk-, algemeenheden of ambiguïteiten
- Academische criteria
o Historisch zinvol
o Mogelijkheid tot diepgang
o Geen impliciet waardeoordeel
o Realistisch -> mbt tijdsduur en beschikbare bronnen)
1.2 Oriënteren en vragen: de historiografische context
Stappen oriëntatiefase
1. Onderzoek naar wetenschappelijke literatuur (Status Quaestionis)
2. Eerste verkenning beschikbare materiaal
3. Inschatting bijdrage aan de wetenschap
1.2.1 Status Quaestionis (SQ)
Status Quaestionis/historiografisch overzicht = kritisch en analytisch overzicht van de
ontwikkeling van de geschiedschrijving over het onderwerp.
- Doel: inzicht krijgen in wat er al is onderzocht en welke verschillende perspectieven er
bestaan, welke wetenschappelijke en maatschappelijke debatten er over een onderwerp
zijn, wat overheerst en waar er eventuele lacunes zitten.
- Verbindt de kennis en stellingen die in de literatuur naar voren komen met het onderzoek
waar dit op gebaseerd is.
Debatten in de geschiedwetenschap gaan niet alleen over de vraag of gebeurtenissen juist zijn
weergegeven, maar vooral hoe ze geïnterpreteerd en verklaard moeten worden.
1.2.2 Beschikbaarheid van bronnen
Wat verstaan we onder bronnen?
- Elk soort documentatie direct afkomstig uit de tijd waarover de historicus onderzoek
doet.
Waarom is inzicht in bronnen en de voor- en nadelen ervan van belang?
- Formuleren van een definitieve onderzoeksvraag
- Nauwkeurig formuleren welke bijdrage de beantwoording ervan zal leveren aan de stand
van zaken in de historische wetenschap
, 1.2.3 Een eigen bijdrage aan de geschiedschrijving
Hoe ontstaan lacunes in de geschiedschrijving?
- Dominant geschiedbeeld -> waardoor verondersteld wordt dat het bestaande inzicht
voldoende is.
- Thema wordt niet als relevant geacht.
- Bronnen worden niet als bron (h)erkend.
1.3 Stellingname en historisch debat
De onderzoeksvraag kan beschouwd worden als een verbinding tussen het beoogde onderzoek,
de SQ en het beschikbare materiaal.
Strategisch gekozen onderzoeksvraag -> nieuwe inzichten die een bijdrage leveren aan het
bestaande debat of het openbreken van de huidige consensus.
Soms is het in historisch onderzoek mogelijk om een hypothese op te stellen obv de conclusies
van eerdere onderzoeken.
- Hypothese = voorlopig aangenomen veronderstelling die nader onderzocht moet worden
op waarheidsgehalte.
- Bevat vaak stellingen of verwachtingen mbt de verklaring van bepaalde verschijnselen.
- Hoeft niet gebaseerd te zijn op hetzelfde historische onderwerp.
1.3.1 Kritiek en zelfkritiek
Constructieve kritiek
- Opbouwende kritiek van collega’s
- Helpt bij onderkennen van onvolkomenheden in de vraagstelling en onderzoeksopzet.
‘So what?’
- Vraagt naar de relevantie van het onderzoek of de resultaten.
- Geeft vorm aan waarom het onderzoek belangrijk is of welke nieuwe inzichten het
oplevert en wat de relevantie daarvan is.
- Stuurt aan op zelfreflectie en aanscherping van de onderzoeksplannen.
- Het toetst de kwaliteit van het onderzoek.
1.3.2 Plaats bepalen: feiten, interpretaties en filosofische posities
Bij het opstellen van een onderzoeksvraag is het van belang dat je je bewust bent van je eigen
positionering. Hiervoor zijn goede argumenten nodig.
- Positionering = je eigen plaats en rol binnen het historisch debat.
Debat over goede historische verklaring
- Stelling van positivisten: historische verklaring is pas wetenschappelijk wanneer deze op
empirische regelmatigheden berust.