Samenvatting hoofdstuk 7 Procesmanagement in een
productieomgeving
Hoofdstuk 7 gaat over hoe een organisatie productieprocessen ontwerpt, bestuurt en verbetert. In
het hoofdstuk wordt procesmanagement in een productieomgeving ook wel operations
management genoemd. Daarmee wordt bedoeld dat een bedrijf niet alleen een product maakt,
maar ook bewust nadenkt over planning, afstemming, voorraad, logistiek, kwaliteit en de keten
rondom het product. De kern is dat een productieproces effectief moet zijn, dus het juiste
resultaat leveren, en efficiënt moet zijn, dus zo min mogelijk verspilling veroorzaken.
1 Productieprocessen
Een productieproces is een reeks handelingen waarbij input wordt omgezet in gewenste output.
Die input bestaat niet alleen uit grondstoffen, maar ook uit informatie, energie, machines,
mensen en organisatie. In de figuur op pagina 3 wordt duidelijk dat productie niet alleen gaat
over “iets maken”, maar over een samenspel van materiaalstromen, informatiestromen en
besturing. Informatie in de vorm van instructies en specificaties zorgt ervoor dat grondstoffen
met behulp van energie worden getransformeerd tot producten. Tegelijk ontstaat ook afval. Dat
laat zien dat elk productieproces een transformatieproces is waarbij waarde wordt toegevoegd,
maar waarbij ook verlies en verstoring kunnen optreden.
Belangrijk is dat een productieproces volgens het hoofdstuk nooit los gezien mag worden van de
omgeving eromheen. Een storing in de informatiestroom of in de materiaalstroom kan er
namelijk voor zorgen dat het hele transformatieproces start, stopt of minder goed functioneert.
Daarom is procesmanagement niet alleen technisch, maar ook organisatorisch. Een bedrijf moet
dus niet alleen kijken naar machines, maar ook naar planning, coördinatie en de samenhang
tussen stappen.
2 Grondvormen van productie
Het hoofdstuk onderscheidt vier grondvormen van productie. Die vormen bepalen hoe een
productieomgeving wordt ingericht en hoe efficiënt die kan functioneren. De vier vormen zijn
stukproductie, serieproductie, massaproductie en continue productie. Het verschil tussen deze
vormen zit vooral in de mate van standaardisatie, de omvang van de productie, de rol van
flexibiliteit en de manier waarop mensen en machines worden ingezet.
Stukproductie betekent dat producten één voor één worden gemaakt. Dat zie je vooral bij unieke
of sterk klantspecifieke producten, zoals bruggen, kunstwerken of ambachtelijke producten. De
kracht van stukproductie is de hoge flexibiliteit. Een bedrijf kan veel inspelen op bijzondere
klantwensen. Tegelijk is dit ook de zwakte, want stukproductie is vaak duur. Machines moeten
veel verschillende bewerkingen aankunnen, de routings zijn minder vast en er is veel
vakmanschap nodig. Daardoor ligt de kostprijs per product hoger en is er minder schaalvoordeel.
, De productieopstelling is hier meestal functioneel, omdat vergelijkbare machines bij elkaar staan
in plaats van in een vaste lijn.
Serieproductie zit tussen maatwerk en standaardisatie in. Bij serieproductie worden producten in
series gemaakt. Na afloop van een serie worden machines omgesteld voor een andere serie. Dat
omstellen kost tijd en geld en daarom is de seriegrootte belangrijk. Een grotere serie verlaagt de
omstelfrequentie en dus ook de kosten per product, maar zorgt ook voor grotere voorraden en
meer kapitaalbeslag. Serieproductie vraagt daarom om een goede afweging tussen efficiëntie en
flexibiliteit. Het hoofdstuk laat zien dat machines hier enigszins gespecialiseerd zijn en dat bij
grotere series een lijnopstelling vaak efficiënter is dan een groepsopstelling.
Massaproductie is bedoeld voor grote hoeveelheden standaardproducten. Hier staan
standaardisatie, specialisatie en herhaling centraal. Werknemers voeren vaak één vaste taak uit
en producten bewegen meestal via een productgerichte lijnopstelling door het proces. Daardoor
ligt de productiviteit hoog en zijn de kosten per product relatief laag. Het nadeel is dat de
flexibiliteit laag is. Veranderingen in het product of proces zijn lastiger door te voeren. Het
hoofdstuk noemt Henry Ford als belangrijk historisch voorbeeld, omdat de lopende band een
revolutie betekende in het efficiënt produceren van grote aantallen auto’s tegen lage kosten.
Continue productie of flowproductie gaat nog een stap verder. Hier stopt het productieproces
vrijwel nooit en draait het vaak 24 uur per dag en 7 dagen per week. Dit zie je vooral bij
bulkproducten, zoals in de petrochemie, hoogovens of voedselverwerking. Deze productievorm
vraagt hoge investeringen, maar heeft daarna lage variabele kosten per eenheid. Omdat het
proces continu loopt, is een hoge capaciteitsbenutting heel belangrijk. Anders worden de vaste
kosten te zwaar. Continue productie is dus zeer efficiënt, maar ook zeer inflexibel.
De lijn door deze vier vormen heen is belangrijk voor je begrip. Naarmate productie meer
verschuift van stukproductie naar continue productie, neemt de standaardisatie toe, stijgt de
efficiëntie en daalt meestal de kostprijs per eenheid. Tegelijk daalt de flexibiliteit. Dat
spanningsveld tussen maatwerk en efficiëntie loopt door het hele hoofdstuk heen.
3 Productiesystemen
Na de grondvormen bespreekt het hoofdstuk productiesystemen. Een productiesysteem wordt
bepaald door twee vragen. Worden eindproducten op voorraad of op order geproduceerd en zijn
de materialen al beschikbaar of moeten die nog besteld worden. Op basis daarvan onderscheidt
het hoofdstuk verschillende systemen.
Bij productie op order begint de productie pas na ontvangst van de order. Dit past vooral bij
stukproductie en serieproductie, omdat daar klantspecificaties vaak belangrijk zijn. Het voordeel
is dat er weinig eindvoorraad nodig is. Het nadeel is dat de levertijd langer kan zijn, omdat pas
na de bestelling wordt gestart. Bij productie op voorraad worden producten vooraf gemaakt,
zodat direct uit voorraad geleverd kan worden. Dit past goed bij massaproductie. Het voordeel is
een korte levertijd, maar het nadeel is het risico op hoge voorraden en onverkochte producten.
productieomgeving
Hoofdstuk 7 gaat over hoe een organisatie productieprocessen ontwerpt, bestuurt en verbetert. In
het hoofdstuk wordt procesmanagement in een productieomgeving ook wel operations
management genoemd. Daarmee wordt bedoeld dat een bedrijf niet alleen een product maakt,
maar ook bewust nadenkt over planning, afstemming, voorraad, logistiek, kwaliteit en de keten
rondom het product. De kern is dat een productieproces effectief moet zijn, dus het juiste
resultaat leveren, en efficiënt moet zijn, dus zo min mogelijk verspilling veroorzaken.
1 Productieprocessen
Een productieproces is een reeks handelingen waarbij input wordt omgezet in gewenste output.
Die input bestaat niet alleen uit grondstoffen, maar ook uit informatie, energie, machines,
mensen en organisatie. In de figuur op pagina 3 wordt duidelijk dat productie niet alleen gaat
over “iets maken”, maar over een samenspel van materiaalstromen, informatiestromen en
besturing. Informatie in de vorm van instructies en specificaties zorgt ervoor dat grondstoffen
met behulp van energie worden getransformeerd tot producten. Tegelijk ontstaat ook afval. Dat
laat zien dat elk productieproces een transformatieproces is waarbij waarde wordt toegevoegd,
maar waarbij ook verlies en verstoring kunnen optreden.
Belangrijk is dat een productieproces volgens het hoofdstuk nooit los gezien mag worden van de
omgeving eromheen. Een storing in de informatiestroom of in de materiaalstroom kan er
namelijk voor zorgen dat het hele transformatieproces start, stopt of minder goed functioneert.
Daarom is procesmanagement niet alleen technisch, maar ook organisatorisch. Een bedrijf moet
dus niet alleen kijken naar machines, maar ook naar planning, coördinatie en de samenhang
tussen stappen.
2 Grondvormen van productie
Het hoofdstuk onderscheidt vier grondvormen van productie. Die vormen bepalen hoe een
productieomgeving wordt ingericht en hoe efficiënt die kan functioneren. De vier vormen zijn
stukproductie, serieproductie, massaproductie en continue productie. Het verschil tussen deze
vormen zit vooral in de mate van standaardisatie, de omvang van de productie, de rol van
flexibiliteit en de manier waarop mensen en machines worden ingezet.
Stukproductie betekent dat producten één voor één worden gemaakt. Dat zie je vooral bij unieke
of sterk klantspecifieke producten, zoals bruggen, kunstwerken of ambachtelijke producten. De
kracht van stukproductie is de hoge flexibiliteit. Een bedrijf kan veel inspelen op bijzondere
klantwensen. Tegelijk is dit ook de zwakte, want stukproductie is vaak duur. Machines moeten
veel verschillende bewerkingen aankunnen, de routings zijn minder vast en er is veel
vakmanschap nodig. Daardoor ligt de kostprijs per product hoger en is er minder schaalvoordeel.
, De productieopstelling is hier meestal functioneel, omdat vergelijkbare machines bij elkaar staan
in plaats van in een vaste lijn.
Serieproductie zit tussen maatwerk en standaardisatie in. Bij serieproductie worden producten in
series gemaakt. Na afloop van een serie worden machines omgesteld voor een andere serie. Dat
omstellen kost tijd en geld en daarom is de seriegrootte belangrijk. Een grotere serie verlaagt de
omstelfrequentie en dus ook de kosten per product, maar zorgt ook voor grotere voorraden en
meer kapitaalbeslag. Serieproductie vraagt daarom om een goede afweging tussen efficiëntie en
flexibiliteit. Het hoofdstuk laat zien dat machines hier enigszins gespecialiseerd zijn en dat bij
grotere series een lijnopstelling vaak efficiënter is dan een groepsopstelling.
Massaproductie is bedoeld voor grote hoeveelheden standaardproducten. Hier staan
standaardisatie, specialisatie en herhaling centraal. Werknemers voeren vaak één vaste taak uit
en producten bewegen meestal via een productgerichte lijnopstelling door het proces. Daardoor
ligt de productiviteit hoog en zijn de kosten per product relatief laag. Het nadeel is dat de
flexibiliteit laag is. Veranderingen in het product of proces zijn lastiger door te voeren. Het
hoofdstuk noemt Henry Ford als belangrijk historisch voorbeeld, omdat de lopende band een
revolutie betekende in het efficiënt produceren van grote aantallen auto’s tegen lage kosten.
Continue productie of flowproductie gaat nog een stap verder. Hier stopt het productieproces
vrijwel nooit en draait het vaak 24 uur per dag en 7 dagen per week. Dit zie je vooral bij
bulkproducten, zoals in de petrochemie, hoogovens of voedselverwerking. Deze productievorm
vraagt hoge investeringen, maar heeft daarna lage variabele kosten per eenheid. Omdat het
proces continu loopt, is een hoge capaciteitsbenutting heel belangrijk. Anders worden de vaste
kosten te zwaar. Continue productie is dus zeer efficiënt, maar ook zeer inflexibel.
De lijn door deze vier vormen heen is belangrijk voor je begrip. Naarmate productie meer
verschuift van stukproductie naar continue productie, neemt de standaardisatie toe, stijgt de
efficiëntie en daalt meestal de kostprijs per eenheid. Tegelijk daalt de flexibiliteit. Dat
spanningsveld tussen maatwerk en efficiëntie loopt door het hele hoofdstuk heen.
3 Productiesystemen
Na de grondvormen bespreekt het hoofdstuk productiesystemen. Een productiesysteem wordt
bepaald door twee vragen. Worden eindproducten op voorraad of op order geproduceerd en zijn
de materialen al beschikbaar of moeten die nog besteld worden. Op basis daarvan onderscheidt
het hoofdstuk verschillende systemen.
Bij productie op order begint de productie pas na ontvangst van de order. Dit past vooral bij
stukproductie en serieproductie, omdat daar klantspecificaties vaak belangrijk zijn. Het voordeel
is dat er weinig eindvoorraad nodig is. Het nadeel is dat de levertijd langer kan zijn, omdat pas
na de bestelling wordt gestart. Bij productie op voorraad worden producten vooraf gemaakt,
zodat direct uit voorraad geleverd kan worden. Dit past goed bij massaproductie. Het voordeel is
een korte levertijd, maar het nadeel is het risico op hoge voorraden en onverkochte producten.