MB0126-252612B / Premaster management OU
De toets die ik had was multiple choice. Heel vaak moest je aangeven
welke NIET juist was. TIP: schrijf op een kladblaadje a,b,c,d en schrijf
erachter welke goed is en welke niet. Dan kun je gemakkelijk bepalen
welke het antwoord NIET is en dus het juiste antwoord is op je antwoord.
1. Welke v/d volgende uitspraken over fundamenteel en toegepast
managementwetenschappelijk onderzoek is juist?
2. Validiteitsproblemen (welke soorten zijn er)? Je moet hieruit kiezen
en 1 is niet juist.
3. Verschillende soorten onderzoeksstrategieën (survey, experiment
etc.) ; herkennen om welke het in het gegeven statement gaat.
4. Verschil tussen basic en applied sciences (!!)
5. Verschil tussen verkennend en verklarend onderzoek
6. Bij een statement aangeven of het om een inductieve of deductieve
benadering gaat (!!)
7. Welke criteria van onderzoeksdoelstellingen worden gegeven?
8. Welke vragen horen bij een effectieve inleiding? (who cares, what do
we know/don't know en what will we learn?
9. Valkuilen t.a.v. introductie onderzoeksprobleem
10. Welke 4 aspecten van een kritische benadering zijn er?
11. Geef aan of dit een grijze of witte literatuurbron betreft (ken
dus de voorbeelden)
12. Waarom is een peer review proces belangrijk?
13. Er wordt 1 vraag gesteld over de APA regels : aangeven welke
bron goed geschreven is (!!)
14. Aangeven of de theorie een grand theory, middle-range theory
of substantive theory is
15. Wat beschrijf je in de theorie?
16. Welke 4 elementen bevat het theoretisch raamwerk? (!!)
17. Geef aan of dit een controlevariabele, modererende variabele
of mediërende variabele is (weet dus het verschil)
18. Kenmerken survey, archief etc. (!!)
19. Verschil tussen probability en non-probability sampling (!!)
20. Weten wat de waardes zijn van bijv. Cronbach's Alfa (SPSS),
hier kreeg ik zelf geen vraag over (maar wel goed om het te weten
voor het geval dat)
21. De 8 stappen van Eisenhardt en ook het verschil met
traditioneel onderzoek
22. Weet de theorie over Gibbert en Ruigrok (!!)
23. Ken de analysemethoden voor kwalitatieve data
24. Ken de 3 C's en wat ze betekenen (!!)
De toets die ik had was multiple choice. Heel vaak moest je aangeven
welke NIET juist was. TIP: schrijf op een kladblaadje a,b,c,d en schrijf
erachter welke goed is en welke niet. Dan kun je gemakkelijk bepalen
welke het antwoord NIET is en dus het juiste antwoord is op je antwoord.
1. Welke v/d volgende uitspraken over fundamenteel en toegepast
managementwetenschappelijk onderzoek is juist?
2. Validiteitsproblemen (welke soorten zijn er)? Je moet hieruit kiezen
en 1 is niet juist.
3. Verschillende soorten onderzoeksstrategieën (survey, experiment
etc.) ; herkennen om welke het in het gegeven statement gaat.
4. Verschil tussen basic en applied sciences (!!)
5. Verschil tussen verkennend en verklarend onderzoek
6. Bij een statement aangeven of het om een inductieve of deductieve
benadering gaat (!!)
7. Welke criteria van onderzoeksdoelstellingen worden gegeven?
8. Welke vragen horen bij een effectieve inleiding? (who cares, what do
we know/don't know en what will we learn?
9. Valkuilen t.a.v. introductie onderzoeksprobleem
10. Welke 4 aspecten van een kritische benadering zijn er?
11. Geef aan of dit een grijze of witte literatuurbron betreft (ken
dus de voorbeelden)
12. Waarom is een peer review proces belangrijk?
13. Er wordt 1 vraag gesteld over de APA regels : aangeven welke
bron goed geschreven is (!!)
14. Aangeven of de theorie een grand theory, middle-range theory
of substantive theory is
15. Wat beschrijf je in de theorie?
16. Welke 4 elementen bevat het theoretisch raamwerk? (!!)
17. Geef aan of dit een controlevariabele, modererende variabele
of mediërende variabele is (weet dus het verschil)
18. Kenmerken survey, archief etc. (!!)
19. Verschil tussen probability en non-probability sampling (!!)
20. Weten wat de waardes zijn van bijv. Cronbach's Alfa (SPSS),
hier kreeg ik zelf geen vraag over (maar wel goed om het te weten
voor het geval dat)
21. De 8 stappen van Eisenhardt en ook het verschil met
traditioneel onderzoek
22. Weet de theorie over Gibbert en Ruigrok (!!)
23. Ken de analysemethoden voor kwalitatieve data
24. Ken de 3 C's en wat ze betekenen (!!)