Oefententamen vragen ethiek (SOW-PWM010)
Gesloten vragen
1. Welke impliciete kritiek levert Singer op een puur meritocratisch
opvoedingsideaal?
A. Het is inefficiënt
B. Het miskent structurele ongelijkheid
C. Het reduceert het goede leven tot prestaties
D. Het is cultureel bepaald
2. In hoeverre is Singer’s pleidooi voor “elephant parenting” normatief in plaats
van descriptief?
A. Het beschrijft gedrag
B. Het legitimeert een opvoedingsideaal
C. Het verklaart cultuurverschillen
D. Het analyseert psychologie
3. Welke spanning in Singer’s tekst is typisch utilitaristisch?
A. Regel vs intentie
B. Individu vs gemeenschap
C. Rede vs emotie
D. Norm vs waarde
4. Wat maakt Singer’s positie kwetsbaar voor kritiek vanuit deugdethiek?
A. Te weinig aandacht voor regels
B. Te weinig aandacht voor karaktervorming
C. Te veel nadruk op cultuur
D. Te weinig empirisch bewijs
5. Hoe zou Singer reageren op de claim dat geluk subjectief is?
A. Hij ontkent geluk
B. Hij vervangt geluk door regels
C. Hij operationaliseert welzijn
D. Hij verwerpt ethiek
6. Wat is volgens Bergdahl het fundamentele probleem van hedendaagse
waardendiscussies?
A. Gebrek aan consensus
B. Overregulering
C. Verlies van betekenisdragende taal
D. Individualisering
7. Waarom is het reduceren van waarden tot normen problematisch volgens
Bergdahl?
A. Het maakt waarden subjectief
B. Het elimineert conflict
C. Het verarmt hun existentiële betekenis
D. Het versterkt autonomie
8. Wat betekent het dat waarden “geleefd” moeten worden in Bergdahl?
A. Ze moeten worden geleerd
B. Ze moeten worden toegepast
C. Ze moeten geïnternaliseerd en ervaren worden
,D. Ze moeten worden gemeten
9. Welke implicatie heeft Bergdahl’s visie voor curriculumontwikkeling?
A. Meer regels
B. Meer kennisoverdracht
C. Meer reflectieve en ervaringsgerichte pedagogiek
D. Meer toetsing
10. Waarom bekritiseren de auteurs in Bergdahl deliberatieve modellen?
A. Te weinig conflict
B. Te veel consensusgericht
C. Te abstract en politiek georiënteerd
D. Te emotioneel
11. Wat is de kern van Gray’s kritiek op moraliteit?
A. Moraal is te streng
B. Moraal is evolutionair
C. Moraal pretendeert universaliteit die niet bestaat
D. Moraal is te complex
12. Waarom is Gray’s positie fundamenteel anti-utilitaristisch?
A. Hij verwerpt gevolgen
B. Hij verwerpt geluk als normatief criterium
C. Hij verwerpt regels
D. Hij verwerpt rationaliteit
13. Wat maakt Gray’s visie problematisch voor professionele ethiek?
A. Te normatief
B. Te praktisch
C. Ontbreken van handelingsrichting
D. Te empirisch
14. Wat is volgens Gray de status van morele vooruitgang?
A. Reëel
B. Illusoir
C. Onvermijdelijk
D. Wetenschappelijk
15. Hoe zou Gray reageren op zorgethiek?
A. Als bevestiging
B. Als gedeeltelijke correctie
C. Als nieuwe morele illusie
D. Als empirisch bewijs
16. Waarom is deugdethiek moeilijk te operationaliseren in beleid?
A. Te abstract
B. Te contextafhankelijk
C. Te rationeel
D. Te normatief
17. Wat is de implicatie van het idee dat houding waarneming beïnvloedt?
A. Objectiviteit is onmogelijk
B. Moraal is irrelevant
C. Waarneming is moreel geladen
, D. Kennis is subjectief
18. Wat is de kracht van deugdethiek in professionele contexten?
A. Regelvastheid
B. Flexibiliteit en contextgevoeligheid
C. Meetbaarheid
D. Efficiëntie
19. Wat is het risico van deugdethiek in moderne samenlevingen?
A. Te veel regels
B. Conformisme
C. Te weinig kennis
D. Individualisme
20. Hoe lost Van Tongeren het probleem van relativisme op?
A. Door regels
B. Door waarden
C. Door voorbeelden en praktijken
D. Door wetenschap
21. Wat onderscheidt zorgethiek van deugdethiek fundamenteel?
A. Regels vs waarden
B. Individu vs relatie
C. Rede vs emotie
D. Theorie vs praktijk
22. Wat is het risico van zorgethiek?
A. Te abstract
B. Te instrumenteel
C. Gebrek aan normatieve grenzen
D. Te rationeel
23. Waarom is “motivational displacement” moreel relevant?
A. Het verhoogt autonomie
B. Het ondermijnt regels
C. Het verplaatst morele focus naar de ander
D. Het voorkomt conflict
24. Wat maakt zorgethiek aantrekkelijk voor pedagogiek?
A. Meetbaarheid
B. Relationele focus
C. Regelgerichtheid
D. Rationaliteit
25. Hoe kan zorgethiek falen?
A. Door te veel regels
B. Door gebrek aan empathie
C. Door afhankelijkheid van relaties
D. Door te veel autonomie
26. Waarom verwerpt Dewey vaste morele theorieën?
A. Te complex
B. Te abstract en statisch
C. Te praktisch
Gesloten vragen
1. Welke impliciete kritiek levert Singer op een puur meritocratisch
opvoedingsideaal?
A. Het is inefficiënt
B. Het miskent structurele ongelijkheid
C. Het reduceert het goede leven tot prestaties
D. Het is cultureel bepaald
2. In hoeverre is Singer’s pleidooi voor “elephant parenting” normatief in plaats
van descriptief?
A. Het beschrijft gedrag
B. Het legitimeert een opvoedingsideaal
C. Het verklaart cultuurverschillen
D. Het analyseert psychologie
3. Welke spanning in Singer’s tekst is typisch utilitaristisch?
A. Regel vs intentie
B. Individu vs gemeenschap
C. Rede vs emotie
D. Norm vs waarde
4. Wat maakt Singer’s positie kwetsbaar voor kritiek vanuit deugdethiek?
A. Te weinig aandacht voor regels
B. Te weinig aandacht voor karaktervorming
C. Te veel nadruk op cultuur
D. Te weinig empirisch bewijs
5. Hoe zou Singer reageren op de claim dat geluk subjectief is?
A. Hij ontkent geluk
B. Hij vervangt geluk door regels
C. Hij operationaliseert welzijn
D. Hij verwerpt ethiek
6. Wat is volgens Bergdahl het fundamentele probleem van hedendaagse
waardendiscussies?
A. Gebrek aan consensus
B. Overregulering
C. Verlies van betekenisdragende taal
D. Individualisering
7. Waarom is het reduceren van waarden tot normen problematisch volgens
Bergdahl?
A. Het maakt waarden subjectief
B. Het elimineert conflict
C. Het verarmt hun existentiële betekenis
D. Het versterkt autonomie
8. Wat betekent het dat waarden “geleefd” moeten worden in Bergdahl?
A. Ze moeten worden geleerd
B. Ze moeten worden toegepast
C. Ze moeten geïnternaliseerd en ervaren worden
,D. Ze moeten worden gemeten
9. Welke implicatie heeft Bergdahl’s visie voor curriculumontwikkeling?
A. Meer regels
B. Meer kennisoverdracht
C. Meer reflectieve en ervaringsgerichte pedagogiek
D. Meer toetsing
10. Waarom bekritiseren de auteurs in Bergdahl deliberatieve modellen?
A. Te weinig conflict
B. Te veel consensusgericht
C. Te abstract en politiek georiënteerd
D. Te emotioneel
11. Wat is de kern van Gray’s kritiek op moraliteit?
A. Moraal is te streng
B. Moraal is evolutionair
C. Moraal pretendeert universaliteit die niet bestaat
D. Moraal is te complex
12. Waarom is Gray’s positie fundamenteel anti-utilitaristisch?
A. Hij verwerpt gevolgen
B. Hij verwerpt geluk als normatief criterium
C. Hij verwerpt regels
D. Hij verwerpt rationaliteit
13. Wat maakt Gray’s visie problematisch voor professionele ethiek?
A. Te normatief
B. Te praktisch
C. Ontbreken van handelingsrichting
D. Te empirisch
14. Wat is volgens Gray de status van morele vooruitgang?
A. Reëel
B. Illusoir
C. Onvermijdelijk
D. Wetenschappelijk
15. Hoe zou Gray reageren op zorgethiek?
A. Als bevestiging
B. Als gedeeltelijke correctie
C. Als nieuwe morele illusie
D. Als empirisch bewijs
16. Waarom is deugdethiek moeilijk te operationaliseren in beleid?
A. Te abstract
B. Te contextafhankelijk
C. Te rationeel
D. Te normatief
17. Wat is de implicatie van het idee dat houding waarneming beïnvloedt?
A. Objectiviteit is onmogelijk
B. Moraal is irrelevant
C. Waarneming is moreel geladen
, D. Kennis is subjectief
18. Wat is de kracht van deugdethiek in professionele contexten?
A. Regelvastheid
B. Flexibiliteit en contextgevoeligheid
C. Meetbaarheid
D. Efficiëntie
19. Wat is het risico van deugdethiek in moderne samenlevingen?
A. Te veel regels
B. Conformisme
C. Te weinig kennis
D. Individualisme
20. Hoe lost Van Tongeren het probleem van relativisme op?
A. Door regels
B. Door waarden
C. Door voorbeelden en praktijken
D. Door wetenschap
21. Wat onderscheidt zorgethiek van deugdethiek fundamenteel?
A. Regels vs waarden
B. Individu vs relatie
C. Rede vs emotie
D. Theorie vs praktijk
22. Wat is het risico van zorgethiek?
A. Te abstract
B. Te instrumenteel
C. Gebrek aan normatieve grenzen
D. Te rationeel
23. Waarom is “motivational displacement” moreel relevant?
A. Het verhoogt autonomie
B. Het ondermijnt regels
C. Het verplaatst morele focus naar de ander
D. Het voorkomt conflict
24. Wat maakt zorgethiek aantrekkelijk voor pedagogiek?
A. Meetbaarheid
B. Relationele focus
C. Regelgerichtheid
D. Rationaliteit
25. Hoe kan zorgethiek falen?
A. Door te veel regels
B. Door gebrek aan empathie
C. Door afhankelijkheid van relaties
D. Door te veel autonomie
26. Waarom verwerpt Dewey vaste morele theorieën?
A. Te complex
B. Te abstract en statisch
C. Te praktisch