Tijdvak 5 (1500-1600 – 16e eeuw)
• Het begin van de Europese overzeese expansie.
West-Europeanen hebben een beperkt wereldbeeld. Alleen Europa, Nood-Afrika en de Arabische
wereld zijn bekend.
Redenen voor de Europese expansie:
Economie: handel (specerijen, zijde, goud en zilver etc.)
Politiek: veroveren van een groot rijk.
Cultuur: verspreiding van het christendom.
Cultuur: nieuwsgierigheid en zucht naar avontuur.
Spaanse conquistadores (veroveraars) koloniseren de rijken van de Azteken en de Inca's.
Gevolgen:
- Indianen sterven door Europese ziektes.
- Indianen worden gekerstend (bekeerd tot het christendom).
- Indianen worden gedwongen tot arbeid.
Protest tegen slechte behandeling van indianen -> gevolg vanaf 1542 is de Trans-Atlantische
slavenhandel (slavenhandel over de oceaan): import van Afrikaanse slaven vormt het begin van de
driehoekshandel.
• Het veranderde mens- en wereldbeeld van de renaissance en het begin van een nieuwe
wetenschappelijke belangstelling.
Nieuw mensbeeld voor bovenlaag van rijke handelaren:
Middeleeuwen --> Renaissance
Memento mori (gedenk te sterven) carpe diem (geniet van je
leven)
Hemel of hel (leven naar de bijbel)
Nieuwe belangstelling voor klassieke erfgoed (alles wat over was gebleven uit de Grieks/ Romeinse
tijd) ↓ ↓
Renaissance (wedergeboorte). Architectuur en kunst op basis van de klassieke vormentaal.
Humanisme: geleerde die op basis van oude geschriften van de Grieken en Romeinen probeerde de
wereld beter te begrijpen. Dit deden ze door oude teksten van de Grieken en Romeinen gingen
vergelijken met de teksten die ze toen hadden. Daarna gingen ze de teksten 'herstellen'.
↙ ↘
Kritische denkhouding universele mens (mens die van alles verstand had)
↓ ↓
, Nieuwe wetenschappelijke belangstelling
• De protestantse reformatie die splitsing van de christelijke kerk in West-Europa tot gevolg
had.
Toenemende kritiek op de geestelijkheid:
- Streven naar wereldlijke macht door de paus.
- Ze waren veel bezig met het luxeleven, corruptie en rijkdom van de hoge geestelijkheid.
- Slechte opleiding van de parochiepriesters.
Mensen die afweken van de katholieke leer werden vervolgd door de inquisitie.
↓
Kerkelijke rechtbank die niet-katholieken (ketters) opspoort en veroordeelt.
Vanaf 15e eeuw: kritiek op de geestelijkheid kon snel verspreid worden via de nieuw uitgevonden
drukpers -> (gevolg) begin van de kerkhervorming of reformatie: protestbeweging tegen
misstanden en manieren van geloven in de katholieke kerk.
Katholieke kerk:
➢ Kerk bepaalt de geloofsregels.
➢ Geestelijkheid is nodig voor contact tussen God en gelovigen.
Humanisten: (Erasmus (Luther en Calvijn) belangrijkste humanist en hij vond uit dat de Vulgaat vol
met fouten staat)
➢ Kerk is niet bezig met het geloof, maar met bijgeloof, rijkdom en macht.
➢ Bijbel is de basis van het geloof.
➢ Geestelijkheid is niet nodig.
->> kerk moet hervormd worden. Erasmus bleef trouw aan de paus.
Katholiek:
➢ De paus is de leider van de kerk.
➢ Alle ambten in de organisatie van de kerk worden vervuld door geestelijken.
➢ Geestelijken mogen niet trouwen.
➢ In de kerkdienst staat de eucharistieviering centraal.
➢ Geestelijken en heiligen zijn nodig als bemiddelaars tussen de gewone mens en God.
Protestant:
➢ Er is geen aparte leider van alle protestantse groeperingen.
➢ Alle taken in de kerk worden door leken vervuld, behalve het ambt van predikant.
➢ Predikanten mogen trouwen.
➢ In de kerkdienst staat de preek van de predikant over een Bijbeltekst centraal.
➢ Geestelijken en heiligen zijn niet nodig, iedereen kan zelf zijn weg naar God vinden.
Verschillen tussen Luther en Calvijn:
- Kerkdiensten.
- Weg naar de hemel.
- Rol van de vorst.
,Luther: verering van relikwieën en heiligen is bijgeloof, allen door oprecht geloven komt men in de
hemel en ''wiens gebied, diens gebed'': vorst mag het geloof voor zijn onderdanen bepalen.
Calvijn: verering van relikwieën en heilig, branden van kaarsen en orgelspel is bijgeloof,
predestinatie: God heeft al bepaald of jij naar de hemel gaat en gelovig mag zelf zijn geloof bepalen
en als een vorst dit niet toestaat mag de gelovige in opstand komen.
Gevolgen van de reformatie:
- Godsdienstoorlogen in het Duitse rijk -> (gevolg) 1555 Vrede van Augsburg: vorsten mogen
zelf bepalen of hun gebied katholiek of protestant is.
- Contrareformatie (tegen de reformatie/hervorming) door de katholieke kerk -> (gevolg)
bestrijding van het protestantisme en verbetering van de misstanden in de katholieke kerk.
• Het conflict in de Nederlanden dat resulteerde in de stichting van de Nederlandse staat.
15e eeuw: Nederlanden behoren tot Bourgondië. Bourgondische hertogen proberen Nederlanden te
centraliseren. Er kwam veel verzet van steden tegen uniformering, omdat zij hun privileges
kwijtraakten.
Vanaf 1515 behoren de Nederlanden tot het Spaans-Habsburgse rijk onder leiding van Karel V. 1555
worden de gebieden die Karel V in zijn macht had doorgegeven aan zijn zoon Filips II.
1566: beeldenstorm, protestantse maken katholieken beelden kapot. Filips II stuurt de Hertog van
Alva. Hij zet de raad van beroerten op en om zijn leger etc. te kunnen financieren zet hij de tiende
penning in (belasting).
Willem van Oranje is de leider van de Nederlandse opstand (1568-1648).
1568: slag bij Heiligerlee.
1572: Geuzen nemen Den Briel in.
1576: Spaanse furie (Spaanse soldaten kregen geen loon meer en trekken weg naar rijke Vlaamse
steden en beginnen te plunderen).
↓
1576: pacificatie van Gent: alle 17 gewesten komen in opstand tegen de Spaanse.
1579: Unie van Atrecht (stappen uit pacificatie van Gent en sluiten zich weer aan bij de Spaanse).
↓
1579: Unie van Utrecht.
1581: Acte van Verlating (Filips II werd verlaten)
1588: Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.
1609-1621: twaalfjarige bestand (periode van vrede tussen Spanje en de Republiek).
1648: Vrede van Munster.
Tijdvak 6 (1600-1700 - 17e eeuw)
• Wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie.
16e en 17e eeuw: opkomst van handelskapitalisme in de Republiek.
, De handelaar wil zoveel mogelijk winst maken. Een deel van de winst gaat hij herinvesteren zodat
het bedrijf meer groeit (kapitalisme).
Nederlandse handelaren gaan steeds meer overzee handelen -> (voor 1585: Antwerpen valt in
Spaanse handen en was de belangrijkste handelsstad van NL) Amsterdam groeit uit tot de grootste
stapelmarkt (pakhuizen) van Europa.
Belangrijkste handel is met handel met heet Oostzeegebied (voornamelijk graan en hout). De
Republiek gaat ook deelnemen aan wereldeconomie.
- VOC (1602)
(Economie) monopolie op Nederlandse handel met Azië.
Belangrijkste producten: specerijen, zijde en porselein etc.
Kapitaal via aandelen.
(Politiek) bestuur over overzeese handelsposten en koloniën.
Afsluiten van verdragen.
Eigen soldaten
- WIC (1621)
(Economie) monopolie op Nederlandse handel met West-Afrika en Amerika.
Belangrijkste producten: zilver, slaven en plantageproducten.
Kapitaal via aandelen.
(Politiek) eigen soldaten.
Kaapvaart tegen Spanje.
Bestuur over overzeese handelsposten en koloniën.
Afsluiten van verdragen.
De opbloei van de handel zorgt voor opbloei van de gehele economie -> Gouden Eeuw.
Andere landen proberen Nederlandse handel tegen te gaan d.m.v. mercantilisme (export van eigen
producten bevorderen en import bemoeilijken).
• De bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel opzicht
van de Nederlandse Republiek.
(Politiek – hoe wordt de samenleving bestuurd?) Decentraal bestuur (versnipperd bestuur)
Graafschappen (adel op het platteland) en vroedschappen (regenten in de steden) sturen
vertegenwoordigers naar en betalen belasting aan -> gewestelijke staten (eigen bestuur en eigen
rechtspraak) sturen vertegenwoordigers naar en betalen belasting aan -> Staten-Generaal (defensie,
buitenlands beleid, bestuur van de Generaliteitslanden)
De gewestelijke staten benoemt de raadspensionaris (Secretaris van de Staten-Generaal en
contacten met het buitenland) en geeft advies aan de Staten-Generaal. Ook benoemen ze de
stadhouder (opperbevelhebber van leger en vloot en toezicht op rechtspraak)