Inhoudsopgave
1. Inleiding in het IPR.....................................................................................2
2. Internationaal bevoegdheidsrecht/rechtsmacht: welke rechter is bevoegd om
van het geschil kennis te nemen?...................................................................4
3. Geschiedenis conflictenrecht......................................................................7
4. Beginselen van het conflicten-/toepasselijk recht.......................................10
5. Erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen......................16
Stappenplan................................................................................................ 18
6. Onrechtmatige daad.................................................................................19
6.1. Bevoegdheidsrecht/rechtsmacht onrechtmatige daad...........................................19
.................................................................................................................................. 26
6.2. Conflicten-/toepasselijk recht onrechtmatige daad................................................26
7. Verbintenissen uit overeenkomst..............................................................30
A. Consumentenovereenkomst......................................................................30
7A.1 Bevoegdheidsrecht/rechtsmacht consumentenovereenkomst.............................30
7A.2. Conflicten-/toepasselijk recht consumentenovereenkomst..................................33
8B. Overeenkomsten algemeen.....................................................................35
8B.1 Bevoegdheidsrecht/rechtsmacht overeenkomsten algemeen..............................35
8B.2. Conflicten-/toepasselijk recht overeenkomst algemeen.......................................38
9. Huwelijk................................................................................................... 41
9.1. Erkenning huwelijk................................................................................................. 41
9.2. Echtscheiding........................................................................................43
9.2.1. Bevoegdheidsrecht/rechtsmacht echtscheiding..................................................43
9.2.1. Conflicten-/toepasselijk recht echtscheiding.......................................................45
9.2.2. Erkenning en tenuitvoerlegging echtscheiding...................................................45
9.3. Huwelijksvermogensrecht......................................................................46
9.3.1. Bevoegdheidsrecht/rechtsmacht huwelijksvermogensrecht...............................46
9.3.2. Conflicten-/toepasselijk recht huwelijksvermogensrecht.....................................48
9.3 Erkenning en tenuitvoerlegging huwelijksvermogensrecht.....................................50
10. Afstamming............................................................................................ 52
, 10.1 Bevoegdheidsrecht/rechtsmacht afstamming.......................................................52
10.2 Conflicten-/toepasselijk recht afstamming............................................................52
10.3 Erkenning en tenuitvoerlegging afstamming........................................................52
11. Ouderlijke verantwoordelijkheid..............................................................53
11.1 Bevoegdheidsrecht/rechtsmacht ouderlijke verantwoordelijkheid........................53
11.3 Erkenning en tenuitvoerlegging ouderlijke verantwoordelijkheid..........................55
12. Alimentatie............................................................................................ 56
12.1 Bevoegdheidsrecht/rechtsmacht alimentatie........................................................56
12.3 Erkenning en tenuitvoerlegging alimentatie.........................................................58
13. Erfrecht.................................................................................................. 59
13.1 Bevoegdheidsrecht/rechtsmacht erfrecht.............................................................59
13.3 Erkenning en tenuitvoerlegging erfrecht..............................................................61
Schema’s bevoegdheid, toepasselijk recht en erkenning................................62
Beginselen/begrippen van internationaal privaatrecht...................................67
1. Inleiding in het IPR
IPR is nationaal recht voor internationale gevallen. Ieder land heeft eigen IPR-regels.
2
, Doel van IPR is het zo doelmatig en rechtvaardig reguleren van het internationale rechtsverkeer.
Dit is ook noodzaak, anders wil niemand meer zakendoen met Nederland.
Op basis van Nederlandse waarden, normen en rechtsgebieden.
Het gevolg hiervan is dat rechtsposities afhankelijk zijn van plaats en tijd. Denk bijvoorbeeld aan
het huwelijk.
Internationaal privaatrecht speelt pas een rol wanneer er voldaan is aan de bestaansvoorwaarden
voor conflictenregels 1. verschil in inhoud van regels (rechtsverscheidenheid) en 2.
grensoverschrijdend rechtsverkeer.
Drie hoofdonderdelen IPR
Internationaal bevoegdheidsrecht/jurisdictierecht/rechtsmacht: welke rechter is bevoegd om van
het geschil kennis te nemen?
1. Verordeningen (EU)
2. Verdragen
3. Rv (artt. 1-14)
Toepasselijk recht/conflictenrecht/verwijzingsrecht: uit welk land wordt het recht toegepast?
1. Verordeningen (EU)
2. Verdragen
3. Boek 10 BW (geldt wanneer er geen verordening of verdrag van toepassing is).
Internationaal erkennings- en tenuitvoerleggingsrecht/executierecht: wordt een buitenlandse
uitspraak erkend en kan zij worden uitgevoerd?
1. Verordeningen (EU)
2. Verdragen
3. Rv (art. 431)
Drie hoofdonderdelen IPR
De drie hoofdonderdelen staan in verschillende rechtsbronnen (verordeningen, verdragen en
wetten). De structuur van de verwijzingsregel is in al deze bronnen hetzelfde:
1. Verwijzingscategorie (onderwerp): de bepaling bevat het onderwerp dat het betreft. Bijv.
onrechtmatige daad, overeenkomst of echtscheiding. Het is van belang om eerst vast te stellen om
welk onderwerp het gaat en in welke verwijzingscategorie het onderwerp thuishoort. Dit wordt
ook kwalificatie genoemd.
2. Aanknopingsfactor (norm): hierop wordt de bevoegdheid van de rechter gebaseerd. Een
aanknopingsfactor is gewoonlijk een feitelijk-geografisch gegeven, zoals de nationaliteit, de
gewone verblijfplaats, de plaats van handeling of de plaats van ligging. Er zijn zowel objectieve
(bijv. nationaliteit) en subjectieve (bijv. rechtskeuzebevoegdheid) aanknopingsfactoren.
3. Toepasselijke recht (gevolg): tot slot wordt er in de bepaling genoemd welk toepasselijk recht van
toepassing is.
Bestaansvoorwaarden conflicten-/toepasselijk recht
Rechtsverscheidenheid: als er verschillende landen zijn met een ander recht.
Grensoverschrijdend rechtsverkeer: als mensen de grens over gaan.
Grondvragen van het conflicten-/toepasselijk recht
Grondslag: waarom zou een staat buitenlands recht toepassen?
Methode: hoe bepaal je welk recht van toepassing is?
3
, 2. Internationaal bevoegdheidsrecht/rechtsmacht: welke rechter is
bevoegd om van het geschil kennis te nemen?
Internationaal burgerlijk procesrecht
Gaat over hoe een internationale civiele procedure verloopt bij de rechter.
Op de wijze van procederen ten overstaan van de Nederlandse rechter is Nederlands recht van
toepassing art. 10:3 BW.
o Uitzonderingen: verdragen en verordeningen (art. 10:1 BW), bijv. forum delicti (art. 7 sub 2
Brussel Ibis) en relatieve competentie.
Bewijskwesties
Art. 10:3 BW via lex fori: processuele vermoeden (zoals het niet verschijnen in de procedure),
horen getuigen, verschoningsrecht, formaliteiten (eed/belofte).
Art. 10:13 BW via lex causae: band met het toepasselijke recht, wettelijke vermoeden,
verdeling bewijslast, jurisprudentieel vermoeden (zoals omkeringsregel).
Verjaring en verval van rechten en rechtsvorderingen
Wordt niet als procesrecht gezien, maar als materieel recht.
Art. 10:14 BW: Of een recht of rechtsvordering is verjaard of vervallen, wordt bepaald door het
recht dat van toepassing is op de rechtsverhouding waaruit dat recht of die rechtsvordering is
ontstaan.
Sancties: vorderen en toewijzen
Ook hier onderscheidt maken in lex fori of lex causae.
De lex fori bepaalt of en zo ja, hoe een gebod, verbod, verklaring voor recht, nakoming of
eventueel restitutie kan worden gevorderd. Dus of je iets kan vorderen bij de rechter en hoe je dat
doet.
De vraag of een materiele aanspraak bestaat, wordt, evenals die van de gegrondheid en
toewijsbaarheid, evenwel beantwoord aan de hand van het recht dat de vordering beheerst (de lex
causae). De lex causae bepaalt welke sancties kunnen worden opgelegd. De vraag of je
daadwerkelijk recht hebt op die sanctie.
Bewijskwesties: processuele vermoeden, horen Art. 10:3 BW Lex fori
getuigen, verschoningsrecht, formaliteiten
Bewijskwesties die band met toepasselijke recht Art. 10:13 BW Lex causae
hebben: wettelijke vermoeden, verdeling bewijslast,
jurisprudentieel vermoeden
Verjaring en verval Art. 10:14 Lex causae
Sancties: hoe een gebod, verbod, verklaring voor Lex fori
recht, nakoming of eventueel restitutie kan worden
gevorderd
Sancties: de vraag of je daadwerkelijk recht hebt op Lex causae
die sanctie.
Bronnen
Verordeningen, verdragen (gelden als er geen verordening van toepassing is), Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering (geldt als er geen verordening of verdrag geldt).
Burgerlijke en handelszaken (met name vermogensrecht, dus geen familie- en erfrecht):
o Brussel Ibis Verordening
o Rechtsvordering
Toetsingsmoment
4