Soorten toedieningsvormen -> verschillende AUC-curves
1. Intraveneuze bolusinjectie (in 1 keer alle dosis, neemt daarna af)
2. Intraveneuze infuus (drupt drupt, dosis langzaam afgegeven)
3. Extravasculair (aangebracht buiten je bloedbaan, dus via spier/MDK/ ect)
1 compartiment model (bolus administratie)
Je hebt een dosering D -> aanname dat lichaam als 1 groot compartiment wordt gezien en
verdeling over lichaam erg snel is -> aanname eliminatieproces is 1e orde (exponentiele lijn
want hoe minder stof over, hoe minder stof wordt afgebroken. Dus concentratie op bepaalde
tijdstip is recht evenredig met eliminatieconstante, maar deze ke is een vast getal).
De t is niet een vaste waarde, het is niet lineair vanwege
de t. Door de e weg te yeeten krijg je een rechte lijn en de
helling is de -k.
Area under the curve
Model dependent (iv bolus) AUC= C0 / eliminatieconstante
Model independent met trapezium methode
Verdelingsvolume Vd
Vd = Dosis / beginconcentratie (alleen bij iv bolus)
Door characoal, de beginconcentratie is lager (minder lost op want gedeelte houdt vast aan de
kool). Dus volume lijkt groter door de lagere opgeloste concentratie bij dezelfde
aangebrachte dosis.
Clearance Clt
Volume van bloed per tijdseenheid dat ontdaan wordt van farmacon.
Cl = eliminatieconstante x Vd
Niet alle drugs elimineren via eerste orde
Nulde orde -> rechte lijn. Telkens eenzelfde hoeveelheid stof (mg) geëlimineerd, no matter
hoeveel stof over is. 10 – 8 – 6 – 4
,WEEK 2 ABSORPTIE
Soorten transport
Transcellulair (door de cel heen)
Passieve diffusie
Dit kan of door de fosfolipide laag heen of via hydrofiele poriën. Door de fosfolipide laag
is alleen mogelijk bij een concentratiegradiënt en als het molecuul klein en lipofiel is. Als
het molecuul zeer klein en opgelost is in water (hydrofiel) dan kan het ook via de
hydrofiele poriën. Dit is bijvoorbeeld zo voor kleine ionen.
Voorbeelden: steroïdhormonen zijn lipofiel en klein genoeg, deze kunnen passief
diffunderen.
Carrier-mediated transport
Het molecuul bindt aan het transporteiwit (carrier, transporter) en via vormverandering
van het transporteiwit komt het terecht aan de andere kant. Deze transporteiwitten zijn
vaak specifiek. Beide hydrofiele en lipofiele moleculen kunnen via deze weg
getransporteerd worden.
Twee types bestaan: facilitated diffusion (via een uniporter, met concentratiegradiënt
mee) en active transport (tegen concentratiegradiënt in). Facilitated diffusie kost geen
energie.
Voorbeeld: GLUT-transporter voor glucose, glucose is te hydrofiel en groot om via
passieve diffusie te diffunderen, en gaat dus via facilitated diffusie.
Endocytose en exocytose
Voor macromoleculen (erg grote moleculen zoals proteïnes) is transport via blaasjes.
Paracellulair tussen de cellen door, extracellulaire vloeistof)
Farmaceutische beschikbaarheid= fractie
werkzame stof dat vrijkomt uit de toedieningsvorm
en geabsorbeerd kan worden
Biologische beschikbaarheid= fractie werkzame
stof dat opgenomen is in de systemische circulatie
Redenen voor een lage biologische beschikbaarheid
zijn: first-pass effect, drug is niet volledig opgelost,
niet genoeg verblijftijd (niet alles geabsorbeerd),
afbraak van de drug op de plek van absorptie
(maagzuur, enzymen), efflux.
, Pandit H11 Pharmacokinetic concepts
Om het gewenste effect van een toegediende drug te behalen, is het van belang dat de juiste
concentratie in het bloed terecht komt. Een te lage concentratie die onder de therapeutisch
window valt, zal geen (significant) effect veroorzaken. Een te hoge concentratie kan zorgen
voor ongewenste bijwerkingen.
Factoren die invloed hebben op de drugconcentratie in het bloed zijn de toegediende dosis,
absorptie van de drug, distributie, metabolisme en excretie (ADME). Aangezien het bijna niet
mogelijk is de concentratie van de drug te meten bij de doelreceptor, wordt de concentratie in
het bloedplasma gemeten.
Pharmokinetics= wat doet het lichaam
met de drug (absorptie, metabolisme,
distributie en excretie).
Pharmodynamics= wat doet de drug met
het lichaam (receptor-ligand interacties).
Drug concentratie in bloedplasma
Vaak worden drugconcentraties gemeten in het bloedplasma of serum in plaats van bloed
(met bloedplaatjes/bloedcellen). In bloedplasma zitten stollingseiwitten (fibrinogeen), in
serum niet.
Drug concentratie in weefsels
Plasma perfuseren door weefsels heen, de drug in het plasma kan vrij of gebonden zijn aan
plasmaproteïnes. De vrije drug fractie kan door de haarvaten heen passeren en terecht komen
in de extracellulaire vloeistof (ECF) en eventueel in de intracellulaire vloeistof (ICF).
Distributie is afhankelijk van hoe goed doorbloedt het weefsel is, bij weefsels zoals het hart
kan aangenomen worden dat de drug in het plasma in dynamisch evenwicht is met de
extracellulaire vloeistof. Bij slecht doorbloede weefsels (vet en spier), door langzame
bloedstroom of weinig haarvaten, duurt het langer om evenwicht te bereiken tussen plasma en
extracellulaire vloeistof.
Plasmaconcentratie curve
De plasmaconcentratie is bepaald door twee dingen: de snelheid van
absorptie en de snelheid van eliminatie. De vorm van de curve ligt aan
de toedieningsvorm. Bij een IV-bolus (intraveneuze injectie in een
korte periode) is op tijdstip 0 de Cmax behaalt.