Psychologie – Marc Brysbaert
Hoofdstukken 1,3,4,5,6,7,9,10
Volledige samenvatting voor de minor ‘Inleiding Toegepaste Psychologie’
(Hogeschool Utrecht)
,Hoofdstuk 1 – Wat is psychologie
1.1 – Een definitie van psychologie
Psychologie is een wetenschap waarbij het gedrag bestudeerd wordt en waarbij de
gedragsevidentie gebruikt wordt om de interne processen te begrijpen die ten grondslag
liggen aan het gedrag.
1.2 – Ontwikkelingen die de psychologie mogelijk gemaakt hebben
Rede, intuïtie en geloof
Voor de Griekse filosofen was de menselijke rede belangrijker dan de observatie. De eerste
geschriften over het functioneren van de mens kwamen van de Griekse filosofen, in het
bijzonder Plato en Aristoteles.
Volgens Plato (428-347 v.Chr.) diende er onderscheid gemaakt te worden tussen de ware,
onzichtbare wereld van onveranderlijke en ideale vormen én de zichtbare, veranderlijke
wereld rondom ons die een onvolmaakte afspiegeling is van de ware wereld. De menselijke
ziel is een deel van de ware, ideale wereld. Observatie was minder belangrijk, want die had
alleen toegang tot de zichtbare, continu veranderende wereld waarin ook dieren leefden.
Aristoteles (384-322 v.Chr.) vond de observatie belangrijker dan Plato, maar ook voor hem
kon ware kennis niet op observatie gebaseerd zijn. Om echte kennis te hebben, diende men
te vertrekken vanuit onwrikbare uitgangspunten. Deze werden door de menselijke ziel
intuïtief herkend als overduidelijk. Dit herkennen noemde Aristoteles een ‘demonstratie’.
Na de val van het Romeinse Rijk was de Rooms-katholieke kerk de belangrijkste hoeder van
kennis in de Westerse wereld. Zij vertaalde de geschriften van Plato en Aristoteles naar een
kerkelijke leer. Plato’s wereld van onveranderlijke, ideale vormen waaruit de ziel kwam,
stemde overeen met de hemel en de demonstraties van Aristoteles konden perfect gezien
worden als goddelijke ingevingen.
Wetenschappelijke revolutie
In Europa groeide in de 16e en 17e eeuw een andere vorm van kennisvergadering, die uniek
was in de wereld: de overtuiging dat ware kennis gebaseerd is op systematische observatie
en actief ingrijpen in de wereld. Dit inzicht is de wetenschappelijke revolutie.
Factoren die een rol gespeeld hebben bij het ontstaan van de wetenschappelijke revolutie in
Europa:
• De verminderde macht van de rooms-katholieke Kerk, die geconfronteerd werd met
de reformatie;
• Een herwaardering van handel en handenarbeid - voordien waren geleerden
personen die niets anders deden dan lezen, schrijven en bidden;
• De uitvinding van de boekdrukkunst waardoor informatie vlugger verspreid werd en
geleerden zich niet langer bezig moesten houden met het overschrijven van
manuscripten;
• De ontdekkingsreizen en de confrontatie van de westerse wereld met de islamitische
en Chinese beschavingen;
, • De oprichting van universiteiten;
• Een periode van relatieve welvaart.
De vaststelling dat de kalender niet bleek te kloppen was een belangrijk begrip voor de
wetenschappelijke revolutie.
Nicolaus Copernicus (1473-1543) verspreidde de eerste handgeschreven tekst in 1514
onder vrienden waarin hij de hypothese opperde dat de bewegingen in het heelal beter te
begrijpen vielen wanneer men uitging van de veronderstelling dat niet alle hemellichamen
rond de aarde draaide, maar dat de aarde rond de zon draaide. Dit werd pas na zijn dood
officieel gepubliceerd.
Galileo Galilei (1564-1642) kwam in 1632 met een boek waarin hij het copernicaanse model
verdedigde met een reeks aan nieuwe observaties. Door de uitvinding van de telescoop
werd dit mogelijk gemaakt. Isaac Newton (1643-1727) heeft deze inzichten later uitgewerkt.
Hij beschreef de bewegingen van de planeten rond de zon aan de hand van een aantal
relatief eenvoudige wiskundige formules. Deze wetten worden gezien als het beginpunt van
de fysica, de eerste natuurwetenschappen.
Copernicaanse revolutie: Het inzicht dat de aarde niet het centrum vormde van het heelal.
In de 18de en 19de eeuw ontstonden grote maatschappelijke veranderingen door het
onderzoek naar allerhande substanties (waaruit chemie ontstond) en levende wezens
(biologie en geneeskunde). De industriële revolutie en de uittocht van het platteland naar de
stad die ermee gepaard ging, leidde tot een grotere welvaart van de gehele bevolking en
onderwijs werd verplicht.
De groeiende macht van de wetenschap en het ontstaan van twee culturen
In landen als Zwitserland, Duitsland, Nederland en Groot-Brittannië was de invloed van de
wetenschap groter dan in landen als Italië, Frankrijk of Spanje, waar de invloed van de kerk
nog groot was.
Langzamerhand ontstonden er twee aparte culturen (volgens Snow, 1959). De klassieke,
humanistische cultuur (Alfawetenschap) en de nieuwe, natuurwetenschappelijke cultuur
(Bètawetenschap) die met elkaar concurreerde. Dit is vandaag de dag nog terug te zien in
het onderscheid tussen de alfa- en bètawetenschappen in het onderwijs.
Volgens Snow hebben beide culturen weinig contact en weten ze weinig van elkaar.
Bovendien hebben ze tegengestelde opvattingen over wat belangrijk is: volgens de
geesteswetenschappen is het bestuderen en uitbreiden van de bestaande cultuur en kunst
en het nastreven ideaal. Volgens de natuurwetenschappen moet de volledige samenleving
heringericht worden op basis van wetenschappelijke inzichten.
Toepassing van wetenschappelijke methodes op het menselijk lichaam
Omdat wetenschappelijk onderzoek afhing van een goede observatie, begonnen de
wetenschappers zich vragen te stellen over de mogelijkheden en beperkingen van de
menselijke waarneming. Al snel bleek dat mensen niet altijd alles meteen en gedetailleerd
konden waarnemen. Dit resulteerde in de eerste natuurwetenschappelijke studies over het
menselijk functioneren.
De nieuwe wetenschappelijke manier van het vergaren van kennis werd ook toegepast op
het psychische functioneren van mensen, in het bijzonder op de menselijke waarneming.
,Hermann von Helmholtz (1821-1894) snelheid van zenuwimpulsen in het zenuwstelsel.
Franciscus Cornelis Donders (1818-1889): Het onderzoek van Donders is het begin
geweest van de mentale chronometrie, een techniek waarbij men de psychologische
processen in informatieverwerving probeert te achterhalen door te kijken naar de reactietijd
die mensen nodig hebben om bepaalde taken uit te voeren. En de snelheid van
informatietransmissie in de zenuwen.
De evolutietheorie
Charles Darwin (1809-1882)
Volgens de evolutietheorie waren levende wezens het resultaat van een aanpassingsproces
aan veranderende omstandigheden. Binnen elk soort bestaan aangeboren individuele
verschillen, waardoor niet elke eigenschap in even grote mate aanwezig is bij elk lid ban de
soort (genetische variatie). Eigenschappen die goed aansluiten bij de omgeving zorgen
ervoor dat het individu goed gedijt en veel nakomelingen heeft. Eigenschappen die niet goed
aansluiten bij de omgeving verminderen de overlevings- en voortplantingskansen van het
individu (natuurlijke selectie).
Natuurlijke selectie: De dieren die het beste zijn aangepast aan hun natuurlijke omgeving
zullen het gemakkelijkst voedsel kunnen vinden, zich beter kunnen verdedigen tegen
aanvallers, beter bestand zijn tegen parasieten en soepeler weten om te gaan met de eisen
van het klimaat en meer gezonde nakomelingen produceren dan minder goed aangepaste
soortgenoten. Ook wel The Survival Of The Fittest (meest aanpasbare, niet de sterkste).
The Origin of Species is het boek dat Darwin in 1859 publiceerde. De evolutietheorie was
niet alleen belangrijk om verscheidenheid aan levensvormen op aarde te begrijpen, maar
zorgde er ook voor dat de kijk op de mens veranderde. Omdat mensen geëvolueerd waren
uit de dieren kon hun gedrag bestudeerd worden zoals men het dierengedrag bestudeerde.
Het was zinvol om de gelijkenissen en verschillen te onderzoeken tussen diergedrag en
menselijk gedrag.
1.3 – Het ontstaan van de psychologie
Ontwikkelingen binnen de psychologie
René Descartes (1596-1650) was een van de eersten die het eigen, onafhankelijke denken
van de Griekse filosofen opnieuw op de voorgrond plaatste, hoewel zijn denken sterk
beïnvloed bleef door de gangbare opvattingen.
Hij ging uit van drie principes:
• Dualisme: de mens bestaat uit twee onafhankelijke elementen: een lichaam en een
geest. De geest heeft de vrije wil, is dus niet onderhevig aan de natuurwetten, en
vormt de kern van het menselijk denken. Het lichaam is niets meer dan een omhulsel
van de geest en heeft geen enkele invloed op de geest.
• Rationalisme: ware kennis is gebaseerd op de rede, die door het toepassen van
logica nieuwe informatie afleidt uit de bestaande informatie. Om de mens te begrijpen
moest men over hem nadenken.
• Nativisme: de overtuiging dat de mens aangeboren kennis heeft die het uitgangspunt
vormt van alle andere, afgeleide kennis.
,Het empirisme (17e eeuw): een filosofische beweging tegen het rationalisme en nativisme.
De inhoud van de geest wordt niet gevormd door aangeboren ideeën en afgeleide inzichten,
maar via zintuigelijke ervaringen die met elkaar geassocieerd worden.
Een belangrijke grondlegger was John Locke. Volgens hem kwam menselijke kennis voort uit
ervaringen met externe, voelbare voorwerpen en niet van aangeboren ideeën.
Het rationalisme staat tegenover het empirisme. De vraag die daarbij komt is: Is het
aangeboren of aangeleerd? Zit het al in je of komt het door je omgeving?
Nature: aangeboren – Rationalisme
Nurture: aangeleerd – Empirisme
Psychologie als nieuwe wetenschap
Wilhelm Wundt richtte als eerste een psychologisch laboratorium op in 1879. Alfred Binet
was een van de eerste medewerkers. Wundt probeerde op basis van introspectie (het
kijken naar het eigen bewustzijn van buitenuit, nadenken over eigen psychisch functioneren)
de structuur van bewustzijn te ontdekken (=structuralisme). Hij geloofde at de geest kon
worden opgesplitst in fundamentele eenheden van bewustzijn, zoals gevoelens, sensaties en
gedachtes.
Functionalisme (William James (1842-1910)): gericht op functionele, praktische
oplossingen. James wilde menselijk lijden verminderen en wilde problemen oplossen. Hij
wilde begrijpen hoe mensen denken, handelen en voelen en hoe dit van invloed is op
maatschappelijke kwesties. Op wat voor manier is het gedrag aangepast aan de omgeving
waarin je zit? Wat voor gedrag zien we in bepaalde situaties en hoe zorgt dit ervoor dat je
meer overlevingskans hebt?
Behaviorisme (grondlegger John Watson): volgens behavioristen mag alleen
observeerbaar, meetbaar gedrag onderwerp zijn van onderzoek en theorievorming. Zij zagen
dus weinig in het bestuderen van de geest via introspectie. Observatie van gedrag gaf
namelijk objectievere resultaten.
→ Black Box theorie: kijkend naar alleen de input en output
→ Pavlov
Bij de uitbouw van het behaviorisme werd Watson in hoge mate geïnspireerd door
positivisme. Dit was een beweging die beweerde dat de natuurwetenschappen de beste
manier waren om de wereld te begrijpen en kennis te generen.
Een dergelijke definitie werd een operationele definitie genoemd. Het onderscheid tussen
een gewone en een operationele definitie kan gemakkelijk uitgelegd worden aan de hand
van het concept ‘honger’. Voor de meeste mensen volstaat de definitie van honger zoals die
in het woordenboek weergegeven wordt, maar niet voor een wetenschapper omdat deze
definitie door verschillende mensen op een verschillende manier opgevat kan worden.
Het behaviorisme wordt vaak omschreven als een S-R-psychologie: een stimulus lokt een
respons uit.
Freud (1856-1939) met de psychoanalyse. Volgens deze theorie waren het bewustzijn en
het gedrag slechts zeer oppervlakkige fenomenen en lag de ware oorsprong van het
ontstaan van persoonlijkheidsverschillen en mentale stoornissen bij onbewuste krachten.
Mensen konden geholpen worden door onbewuste verdrongen conflicten in het bewustzijn te
,brengen door middel van droomanalyse en vrije associatie. Zijn ideeën waren vooral
gebaseerd op introspectie. Veel wetenschappers vonden dit niet wetenschappelijk en wilden
meer empirische onderbouwing van zijn theorie.
Hermeneutiek: het interpretatiewerk van de psychoanalytische therapeut leek meer op het
begrijpen van het verleden dan op het onderzoekswerk van een natuurwetenschapper.
1.4 – De moderne psychologie: drie invloeden op het gedrag
Cognitieve psychologie: de overtuiging dat men menselijk gedrag niet konden begrijpen en
voorspellen zonder beroep te doen op informatie verwerkende (cognitieve) processen die
zich afspelen in de hersenen. Grondleggers zagen de mens als een soort computer. Ook
deze onderzoekers maakten gebruik van observatie, niet van introspectie.
De moderne psychologie:
Het biopsychosociale model: 3 invloeden op het gedrag.
Volgens dit model is alle functioneren van de mens gevolg
van biologische, psychische (of cognitieve) en sociale
invloeden.
1.6 – De plaats van de psychologie in de samenleving
Het toegenomen belang van psychologische variabelen en verklaringen in menselijke
relaties wordt de psychologisering van de maatschappij genoemd. Verschillende factoren
hebben hiertoe bijgedragen.
Een stereotype is een verzameling van simplistische en sterk veralgemenende opvattingen
over een groep van mensen, die niet op persoonlijke ervaringen zijn gebaseerd en meestal
een negatieve ondertoon hebben.
,Begrippen H1
Psychologie
De wetenschap waarbij het gedrag bestudeerd wordt en waarbij gedragsevidentie gebruikt
wordt om de interne processen te begrijpen die ten grondslag liggen aan het gedrag.
Wetenschappelijke revolutie
De overtuiging dat ware kennis gebaseerd is op systematische observatie en actief ingrijpen
in de wereld.
Copernicaanse revolutie
Het inzicht dat de aarde niet het centrum vormt van het heelal.
Evolutietheorie
De theorie dat levende wezens het resultaat zijn van een aanpassingsproces aan
veranderende omstandigheden, waarbij eigenschappen die goed aansluiten bij de omgeving
zorgen voor meer overlevings- en voortplantingskansen (natuurlijke selectie).
Dualisme
De opvatting dat de mens bestaat uit twee onafhankelijke elementen: een lichaam en een
geest. De geest heeft de vrije wil en is niet onderhevig aan natuurwetten.
Rationalisme
De opvatting dat ware kennis is gebaseerd op de reden die door logica nieuwe informatie
afleidt uit bestaande informatie.
Nativisme
De overtuiging dat de mens aangeboren kennis heeft die het uitgangspunt vormt van alle
andere, afgeleide kennis.
Empirisme
De opvatting dat de inhoud van de geest gevormd wordt via zintuigelijke ervaringen die met
elkaar geassocieerd worden, en niet door aangeboren ideeën.
Introspectie
Het kijken naar het eigen bewustzijn en nadenken over het eigen psychisch functioneren.
Structuralisme
De benadering die probeert de structuur van het bewustzijn te ontdekken door de geest op te
splitsen in fundamentele eenheden zoals gevoelens, sensaties en gedachten.
Functionalisme
Een stroming die onderzoekt hoe mensen denken, handelen en voelen en hoe gedrag
aangepast is aan de omgeving en bijdraagt aan overleving.
Behaviorisme
De stroming die stelt dat alleen observeerbaar en meetbaar gedrag onderwerp mag zijn van
onderzoek en theorievorming.
Positivisme
De opvatting dat de natuurwetenschappen de beste manier zijn om de wereld te begrijpen en
kennis te generen.
, Operationele definitie
Een wetenschappelijke definitie van een begrip waarbij duidelijk wordt vastgelegd hoe het
gemeten of vastgesteld wordt.
S-R-psychologie
Een benadering van gedrag waarbij stimulus een respons uitlokt.
Psychoanalyse
De theorie dat bewustzijn en gedrag oppervlakkige fenomenen zijn en dat
persoonlijkheidsverschillen en mentale stoornissen hun oorsprong hebben in onbewuste
krachten.
Hermeneutiek
Een benadering waarbij interpretatie van betekenis centraal staat, vergelijkbaar met het
begrijpen van het verleden door een psychoanalytische therapeut.
Cognitieve psychologie
De overtuiging dat menselijk gedrag niet begrepen en voorspeld kan worden zonder te kijken
naar informatie verwerkende processen in de hersenen.
Biopsychosociaal model
Het model dat stelt dat menselijk functioneren het gevolg id van biologische, psychische
(cognitieve) en sociale invloeden.
Psychologisering
Het toegenomen belang van psychologische variabelen en verklaringen in menselijke
relaties in de samenleving.
Stereotype
Een verzameling van simplistische en sterk veralgemenende opvattingen over een groep
mensen die niet op persoonlijke ervaringen gebaseerd zijn en meestal een negatieve
ondertoon hebben.