Taalonderwijs
MONDELINGE TAALVAARDIGHEID
JE KENT DE FASEN VAN DE TAALVERWERVING
In het taalverwervingsproces van een kind zijn 2 perioden:
1. De prelinguale periode (van 0 tot 1 jaar)
2. De linguale periode, onder te verdelen in:
- De vroeglinguale periode (van 1 tot 2½ jaar)
- De differentiatiefase (van 2½ tot 5 jaar)
- De voltooiingsfase (5 jaar en ouder)
De prelinguale periode: de periode voordat een kind zijn eerste woordjes spreekt.
- Je kunt nog niet spreken van taal -> het kind hanteert nog geen systeem van
symbolen en regels om een boodschap over te brengen.
- Kinderen produceren geluiden en experimenteren met hun articulatieorganen.
- Na de geboorte: huilen als communicatie
- Na ongeveer 6 weken: vocaliseren: luisteren naar stemgeluiden en zelf klanken
produceren
- Na ongeveer 4 maanden: vocaal spel: de klanken worden gevarieerder en
verschillen in toonhoogte, luidheid en duur.
- Na ongeveer 7 maanden: brabbelen: het herhalen van klankgroepen die een
beetje klinken als taal zonder betekenis (mamama, dadada, bababa).
- De volgende aspecten worden dus beoefend in de prelinguale periode:
articulatie, klankstructuur van de taal, de zinsmelodie en communicatie met
anderen.
De linguale periode: de periode waarin het kind woorden en zinnen als communicatiemiddel
gaat gebruiken.
1. De vroeglinguale periode: het brabbelen gaat langzamerhand over in betekenisvol
taalgebruik (nog niet correct uitgesproken -> spreekmechanisme is nog niet zo ver
ontwikkeld dat alle klankencombinaties kunnen worden uitgesproken)
Eerste fase is eenwoordzin (1 tot 1½): met 1 woord een mededeling of vraag
stellen
Tweede fase is tweewoordzin: het kind kan met 2 woorden relaties aangeven
en begint de grammatica te leren (telegramstijlfase) -> sommige kinderen
slaan deze fase over en gaan vanuit eenwoordzin gelijk door naar
meerwoordzin.
Derde fase is meerwoordzin: het kind kan zinnen maken van 2 of meer
woorden
, 2. De differentiatiefase: Het taalgebruik begint steeds meer op dat van een volwassene
te lijken. Naast fonologisch, semantisch en syntactisch niveau leert het kind nu ook
alle morfologische (bv: meervoud van woorden, verkleinwoorden, vervoegen
werkwoorden) en pragmatische (taal aanpassen in bepaalde situaties) aspecten van
de taal.
3. De voltooiingsfase: alle processen van de vorige fasen worden verder uitgebouwd.
Aan het eind van deze periode beheerst het kind de taal op vrijwel dezelfde manier
als een volwassene (woordenschat is alleen groter).
JE HERKENT DE SPREEK- EN LUISTERSTRATEGIEËN
Spreekstrategieën: een bewuste handeling die iemand hanteert om een bepaald spreekdoel
te bereiken.
- Oriënteren op het spreekdoel (wat wil je bereiken?)
- Oriënteren op het onderwerp en het inzetten van eigen kennis (wat ga je wel en
niet vertellen?)
- Oriënteren op het soort spreektaak (wel of geen interactie?)
- Oriënteren op het publiek of de gesprekspartners
- Reflecteren op de spreektaak (tijdens de presentatie: bereik ik mijn doel? komt
het verhaal over?)
- Monitoren van de spreektaak (moet ik nog meer of duidelijker uitleggen?)
- Evalueren van de spreektaak (na afloop van de presentatie: ging het goed? wat
kan ik de volgende keer anders doen?)
Luisterstrategieën
1. Globaal luisteren: begrijpen van de informatie, in grote lijnen het verhaal volgen, ook
wel begrijpend luisteren genoemd.
2. Intensief luisteren: proberen alle details in een verhaal in je op te nemen, een zo
volledig mogelijk beeld krijgen.
3. Kritisch luisteren: proberen een mening te vormen tijdens het luisteren, beoordelen
of het verhaal waar en volledig is.
4. Gericht luisteren: lettend op bepaalde aspecten van een verhaal.
Bij deze luisterstrategieën kun je verschillende luistervaardigheden inzetten, bijvoorbeeld:
een beschrijving kunnen volgen, gevoelens en meningen begrijpen en waarderen, inhoud
interpreteren en beoordelen, een uitleg volgen, de strategie van de spreker doorzien,
passende feedback geven en vragen stellen.
JE HERKENT DE SPREEK- EN LUISTERDOELEN
Spreekdoelen
- Informeren: overbrengen van feitelijke informatie
MONDELINGE TAALVAARDIGHEID
JE KENT DE FASEN VAN DE TAALVERWERVING
In het taalverwervingsproces van een kind zijn 2 perioden:
1. De prelinguale periode (van 0 tot 1 jaar)
2. De linguale periode, onder te verdelen in:
- De vroeglinguale periode (van 1 tot 2½ jaar)
- De differentiatiefase (van 2½ tot 5 jaar)
- De voltooiingsfase (5 jaar en ouder)
De prelinguale periode: de periode voordat een kind zijn eerste woordjes spreekt.
- Je kunt nog niet spreken van taal -> het kind hanteert nog geen systeem van
symbolen en regels om een boodschap over te brengen.
- Kinderen produceren geluiden en experimenteren met hun articulatieorganen.
- Na de geboorte: huilen als communicatie
- Na ongeveer 6 weken: vocaliseren: luisteren naar stemgeluiden en zelf klanken
produceren
- Na ongeveer 4 maanden: vocaal spel: de klanken worden gevarieerder en
verschillen in toonhoogte, luidheid en duur.
- Na ongeveer 7 maanden: brabbelen: het herhalen van klankgroepen die een
beetje klinken als taal zonder betekenis (mamama, dadada, bababa).
- De volgende aspecten worden dus beoefend in de prelinguale periode:
articulatie, klankstructuur van de taal, de zinsmelodie en communicatie met
anderen.
De linguale periode: de periode waarin het kind woorden en zinnen als communicatiemiddel
gaat gebruiken.
1. De vroeglinguale periode: het brabbelen gaat langzamerhand over in betekenisvol
taalgebruik (nog niet correct uitgesproken -> spreekmechanisme is nog niet zo ver
ontwikkeld dat alle klankencombinaties kunnen worden uitgesproken)
Eerste fase is eenwoordzin (1 tot 1½): met 1 woord een mededeling of vraag
stellen
Tweede fase is tweewoordzin: het kind kan met 2 woorden relaties aangeven
en begint de grammatica te leren (telegramstijlfase) -> sommige kinderen
slaan deze fase over en gaan vanuit eenwoordzin gelijk door naar
meerwoordzin.
Derde fase is meerwoordzin: het kind kan zinnen maken van 2 of meer
woorden
, 2. De differentiatiefase: Het taalgebruik begint steeds meer op dat van een volwassene
te lijken. Naast fonologisch, semantisch en syntactisch niveau leert het kind nu ook
alle morfologische (bv: meervoud van woorden, verkleinwoorden, vervoegen
werkwoorden) en pragmatische (taal aanpassen in bepaalde situaties) aspecten van
de taal.
3. De voltooiingsfase: alle processen van de vorige fasen worden verder uitgebouwd.
Aan het eind van deze periode beheerst het kind de taal op vrijwel dezelfde manier
als een volwassene (woordenschat is alleen groter).
JE HERKENT DE SPREEK- EN LUISTERSTRATEGIEËN
Spreekstrategieën: een bewuste handeling die iemand hanteert om een bepaald spreekdoel
te bereiken.
- Oriënteren op het spreekdoel (wat wil je bereiken?)
- Oriënteren op het onderwerp en het inzetten van eigen kennis (wat ga je wel en
niet vertellen?)
- Oriënteren op het soort spreektaak (wel of geen interactie?)
- Oriënteren op het publiek of de gesprekspartners
- Reflecteren op de spreektaak (tijdens de presentatie: bereik ik mijn doel? komt
het verhaal over?)
- Monitoren van de spreektaak (moet ik nog meer of duidelijker uitleggen?)
- Evalueren van de spreektaak (na afloop van de presentatie: ging het goed? wat
kan ik de volgende keer anders doen?)
Luisterstrategieën
1. Globaal luisteren: begrijpen van de informatie, in grote lijnen het verhaal volgen, ook
wel begrijpend luisteren genoemd.
2. Intensief luisteren: proberen alle details in een verhaal in je op te nemen, een zo
volledig mogelijk beeld krijgen.
3. Kritisch luisteren: proberen een mening te vormen tijdens het luisteren, beoordelen
of het verhaal waar en volledig is.
4. Gericht luisteren: lettend op bepaalde aspecten van een verhaal.
Bij deze luisterstrategieën kun je verschillende luistervaardigheden inzetten, bijvoorbeeld:
een beschrijving kunnen volgen, gevoelens en meningen begrijpen en waarderen, inhoud
interpreteren en beoordelen, een uitleg volgen, de strategie van de spreker doorzien,
passende feedback geven en vragen stellen.
JE HERKENT DE SPREEK- EN LUISTERDOELEN
Spreekdoelen
- Informeren: overbrengen van feitelijke informatie