1. Inleiding schematherapie...................................................................................................3
2. Basisbehoeften...................................................................................................................3
3. Van basisbehoeften naar schema’s....................................................................................4
4. Van schema’s naar modi.....................................................................................................4
5. Van modi naar behandeldoelen.........................................................................................5
6. Van behandeldoelen naar interventies..............................................................................5
7. Als het anders loopt in therapie.........................................................................................5
8. Afsluiten van de behandeling.............................................................................................6
DEEL 2 – Therapeutische relatie.................................................................................................7
9. Zorgen voor het kwetsbare kind.........................................................................................7
10. Empathische confrontatie................................................................................................7
11. Begrenzen (limit setting)..................................................................................................7
12. Werken met boosheid (boze kind)...................................................................................8
13. Reguleren en stimuleren van emoties..............................................................................8
DEEL 3 – Imaginatietechnieken..................................................................................................9
14. Veilige plek........................................................................................................................9
15. Diagnostische imaginatie..................................................................................................9
16. Ontmoeting met het kind...............................................................................................10
17. Zorgen voor het kwetsbare kind (imaginatievorm)........................................................10
18. Imaginatie met rescripting.............................................................................................10
19. Imaginatie met het blije kind.........................................................................................12
20. Ontmoeting met de gezonde volwassene......................................................................12
21. Versterken van de gezonde volwassene.........................................................................12
22. Toekomstgerichte imaginatie.........................................................................................13
DEEL 4 – Meerstoelentechnieken.............................................................................................14
23. Modusdialoog (kennismaken met modi).......................................................................14
24. Werken met oudermodi.................................................................................................14
25. Werken met beschermers..............................................................................................14
26. Werken met het boze kind.............................................................................................15
27. Versterken gezonde volwassene (stoeltechniek)...........................................................15
, 28. Toepassing bij middelengebruik.....................................................................................15
DEEL 5 – Overige technieken en werkvormen.........................................................................16
29. Historisch rollenspel.......................................................................................................16
30. Modivergadering............................................................................................................16
31. Oudermodus uitdagen en wegsturen............................................................................17
32. Werken met modi-flashcards.........................................................................................18
33. Creatieve technieken (bijv. klei)......................................................................................18
DEEL 1 – Schematherapie: de basis
Schematherapie is een integratieve psychotherapeutische benadering die zich richt op hardnekkige
patronen in denken, voelen en handelen. Deze patronen – schema’s genoemd – ontstaan vaak in de
vroege levensfase en blijven in het volwassen leven actief, waardoor zij invloed uitoefenen op
relaties, zelfbeeld en emotieregulatie. Het doel van schematherapie is niet alleen symptoomreductie,
maar vooral het doorbreken van deze diepgewortelde patronen en het versterken van gezonde
psychische functies.
Kenmerkend voor deze benadering is de combinatie van cognitieve, gedragsmatige en experiëntiële
technieken, ingebed in een sterke therapeutische relatie. Daarbij staat het zogenaamde modusmodel
centraal, waarin verschillende ‘delen’ van de persoonlijkheid worden onderscheiden.
1. Inleiding schematherapie
Schematherapie richt zich op cliënten die vastlopen in terugkerende patronen, vaak ondanks eerdere
behandelingen. Het uitgangspunt is dat deze patronen niet willekeurig zijn, maar voortkomen uit
onvervulde basisbehoeften in de jeugd.
De therapie kenmerkt zich door:
Focus op onderliggende patronen in plaats van symptomen
Integratie van verschillende therapeutische stromingen
Sterke nadruk op emotionele beleving en ervaring
Doelgericht werken met duidelijke behandelstructuur
Daarnaast speelt het klinisch redeneren een belangrijke rol: de therapeut kiest interventies niet alleen
op basis van techniek, maar ook op basis van timing, relatie en context. (Boom)
2. Basisbehoeften
Binnen schematherapie wordt uitgegaan van een aantal universele psychologische basisbehoeften.
Wanneer deze behoeften onvoldoende worden vervuld, kunnen disfunctionele schema’s ontstaan.
Belangrijke basisbehoeften zijn onder andere:
Veilige hechting en verbondenheid
Autonomie en competentie