Criminalistiek en Forensisch DNA – samenvatting
Week 1
Doel van forensische biologisch onderzoek
Het hoofddoel van forensisch biologisch onderzoek is meestal vaststellen van welke persoon
biologisch sporenmateriaal afkomstig is. Dit gebeurt ten behoeve van de opsporing en
vervolging in strafzaken.
Forensische disciplines
Door gebruik te maken van verschillende forensische disciplines kan inzicht worden
verkregen in wat er is gebeurd, wie daarbij betrokken kan zijn geweest en hoe handelingen
hebben plaatsgevonden. Belangrijkste soorten forensisch onderzoek:
1. Forensisch biologisch onderzoek: Onderzoek naar biologische sporen zoals bloed,
sperma, speeksel, haren en DNA om vast te stellen van wie een spoor afkomstig kan
zijn.
2. Forensisch pathologisch onderzoek: Uitwendig en inwendig onderzoek van een
overledene om de doodsoorzaak, doodswijze en het doodsmechanisme vast te
stellen.
3. Forensisch toxicologisch onderzoek: Onderzoek naar alcohol, drugs, medicijnen of
gifstoffen in lichaamsmateriaal om hun invloed op gedrag of overlijden te bepalen.
4. Forensisch sporenonderzoek: Onderzoek van sporen op de plaats delict om
gebeurtenissen te reconstrueren en verklaringen te toetsen.
5. Forensisch botanisch onderzoek: Onderzoek naar plantaardig materiaal (zoals pollen,
zaden, bladeren of plantresten) om verbanden te leggen tussen personen, objecten
en locaties.
6. Forensische entomologie: Onderzoek naar insecten op en rond een lichaam om het
tijdstip van overlijden en soms de verplaatsing van het lichaam te schatten.
Lijkschouw: een uitwendige, eerste beoordeling van een overleden persoon.
Sectie: een uitgebreid inwendig en uitwendig onderzoek om de doodsoorzaak vast te stellen
Plaats delict
Een PD kan de plek zijn waar het misdrijf heeft plaatsgevonden, maar ook plekken waar
sporen te vinden zijn die gerelateerd zijn aan het delict. Het is een cruciale beslissing om een
plek als PD aan te merken, er is vaak maar één kans voor en na 2/3 weken kunnen de sporen
gecontamineerd of vernietigd zijn.
Stappenplan betreden PD:
Op het eerste gezicht kijken hoe de PD eruitziet, daarna nadenken over wat er
gebeurd kan zijn, hypotheses stellen en scenario’s opstellen.
Sporen veiligstellen: er wordt onderscheid gemaakt tussen sporen en sporendragers.
o Sporen: bijvoorbeeld een voetafdruk of bandensporen.
, o Sporendrager: bijvoorbeeld een onderbroek waar sporen op kunnen zitten.
Deze kan je vaak verplaatsen.
Chain of custody: dit is het proces van veiligstellen, transporteren, onderzoeken en
opslaan van onderzoeksmateriaal. Hierbij moet goed gedocumenteerd worden welke
stappen er precies zijn gedaan en wie erbij zijn betrokken. Op deze manier is het
proces goed controleerbaar, want er kan bijvoorbeeld sprake zijn van contaminatie.
Wanneer dit niet gedaan wordt kan een juridische consequentie zijn dat de
verdediging de betrouwbaarheid in twijfel kan nemen waardoor het spoor terzijde
kan worden verschoven.
Geaccrediteerde onderzoeksmethoden
Biologisch onderzoek wordt uitgevoerd volgens protocollen en met gevalideerde en
geaccrediteerde onderzoeksmethoden. Het onderzoek bestaat uit drie nauw verweven
onderdelen:
1. Onderzoek naar en van biologische sporen opsporen en onderzoeken van
biologische sporen (vooral bloed, sperma, speeksel en haren) en bepalen van de aard
ervan
2. DNA-onderzoek en analyse van de verkregen resultaten DNA wordt uit sporen
gehaald, een DNA-profiel wordt opgesteld en vergeleken met personen.
3. Interpretatie en rapportage van het totale biologische en DNA-onderzoek alle
resultaten worden geïnterpreteerd en gerapporteerd, inclusief aanwezigheid van
sporen, DNA-resultaten en de bewijswaarde.
Sporen
Forensische sporen zijn alle materiële resten die zijn achtergebleven als gevolg van menselijk
handelen en die in een strafzaak informatie kunnen geven over: wat er is gebeurd, wie
daarbij betrokken was, waar en hoe handelingen hebben plaatsgevonden.
Humane biologische sporen zijn biologische sporen afkomstig van het menselijk lichaam.
Hieruit kan menselijk celmateriaal worden gehaald en daaruit hopelijk DNA. Er zijn drie
groepen biologische sporen:
1. Lichaamsvloeistoffen (bloed, sperma en speeksel): hierbij kan worden vastgesteld om
welk type celmateriaal of vloeistof het gaat.
2. Haren
3. Biologische sporen waarvan de aard niet is te bepalen: hier is niet vast te stellen tot
welk type celmateriaal ze behoren. Dit zijn vaak biologische contactsporen.
Biologische contactsporen zijn sporen die door direct of indirect contact zijn overgedragen
op een persoon of een object. Ze bestaan meestal uit minimale hoeveelheden biologisch
sporenmateriaal die met het blote oog niet te zien zijn, en bevatten weinig DNA. Huidcellen
,zijn het bekendste voorbeeld. De mate waarin iemand biologische contactsporen overdraagt
is afhankelijk van:
De donor van het spoor (de ene verliest meer huidcellen dan de andere)
De aard, intensiteit en tijdsduur van het contact
De ontvanger van het spoor (op ruwe objecten blijft meer celmateriaal achter dan op
gladde).
Het gebruik van het object (persoonsgebonden objecten bevatten vaak meer DNA
van één gebruiker dan objecten die door veel mensen worden gebruikt)
Er zijn drie typen contactsporen:
1. Gebruikssporen
o Ontstaan door frequent contact met een persoonsgebonden object
o Bijvoorbeeld kleding, handschoenen, horloges, sieraden
2. Greepsporen
o Ontstaan door eenmalig intensief, kortdurend contact
o Bijvoorbeeld een strop, touw, tape
3. Aanraaksporen
o Ontstaan door eenmalig, kortdurend en niet-intensief contact, vaak door
meerdere personen
o Bijvoorbeeld een deurbel, toetsen, geld
Niet-humane biologische sporen zijn sporen die afkomstig zijn van andere levensvormen dan
de mens, zoals sporen van planten, dieren, insecten, pollen, zaden en bacteriën. Het is niet
persoon identificerend, maar het zegt iets over bijvoorbeeld de plaats of het tijdstip van
overlijden. Het NFI onderzoekt niet-humane biologische sporen om te achterhalen of er een
verband is tussen bijvoorbeeld personen, voertuigen en locaties. Maden kunnen
bijvoorbeeld wat zeggen over het tijdstip van overlijden door de eitjes die ze leggen.
Macrosporen zijn met het blote oog zichtbaar. Voorbeelden zijn zichtbare bloedvlekken,
spermasporen, haren, kledingbeschadigingen, voetafdrukken, vezels, glas. Ze zijn vaak
cruciaal voor de reconstructie van de gebeurtenis (bijv. looprichting via voetafdrukken) en
zijn vaak direct te koppelen aan een persoon of object.
Microsporen zijn niet zichtbaar met het blote oog, maar wel met hulpmiddelen. Voorbeelden
zijn celmateriaal, vezels, huidcellen, minimale DNA-sporen en mengprofielen.
Delictgerelateerdheid
Of iets een hogere bewijswaarde heeft hangt af van bijvoorbeeld contaminatie en de feiten
en omstandigheden van het geval. Je kan een bloedspoor en DNA-materiaal tegenkomen,
maar DNA hoeft niets te zeggen of er wat er is gebeurd, maar een bloedspoor kan wat over
de context zeggen. Een DNA-profiel op een object betekent niet automatisch dat dit spoor
tijdens het delict is ontstaan.
, Bronniveau en activiteitniveau
Bronniveau van wie is het spoor afkomstig?
Activiteitniveau hoe is het spoor daar terechtgekomen en wat zegt dat over de
handeling?
Testen
De aard van celmateriaal wordt vastgesteld met:
1. Indicatieve testen geeft een aanwijzing voor de aanwezigheid van een bepaalde
stof, maar kan vals-positief zijn. Vaak goedkoper en sneller.
2. Bevestigende testen bevestigt met zekerheid de aard van het celmateriaal, maar is
doorgaans complexer en tijdrovender.
Het doel van de forensische DNA-analyse is uit biologische sporen en referentiemateriaal van
personen (meestal wangslijmvlies) een DNA-profiel te verkrijgen. Stappen:
1. DNA isoleren uit cellen
2. DNA analyseren
3. DNA-profiel opstellen
4. DNA-profiel vergelijken
Na analyse vergelijkt de deskundige DNA-profielen van sporen, verdachten, slachtoffers en
andere betrokkenen. Als profielen gelijk zijn, spreekt men van een match. Een match
betekent niet automatisch dat met absolute zekerheid vaststaat dat het spoor van die
persoon afkomstig is. Wel kan worden berekend hoe zeldzaam zo’n profiel is.
Zoeken, typeren en veiligstellen van sporen
Het onderzoek begint met een criminalistische analyse van de stukken van overtuiging
(SVO’s). De sporenonderzoeker houdt zich bezig met het zoeken naar sporen, typeren van de
aard van het celmateriaal en het bemonsteren en veiligstellen. Zoeken wordt eerst met het
blote oog gedaan en zo nodig met hulpmiddelen. Het bemonsteren kan door uitknippen,
afnemen met wattenstaafje, tape-methode of het hele object veiligstellen. DNA is erg
kwetsbaar, daarom moeten sporen niet gecontamineerd raken: het moet aan de lucht
drogen, droog, koel en donker bewaard worden en niet in de koelkast of diepvries.
Contaminatie is de onbewuste overdracht van biologisch materiaal op een spoor of object.
Dit kan gebeuren tijdens het proces. Om contaminatie te voorkomen gelden daarom strenge
maatregelen.
Onderzoek naar lichaamsvloeistoffen
Bloed
Indicatieve test:
o Forensische lichtbron
o Luminoltest
o Tetrabesetest (echter wel vrij specifiek)
Week 1
Doel van forensische biologisch onderzoek
Het hoofddoel van forensisch biologisch onderzoek is meestal vaststellen van welke persoon
biologisch sporenmateriaal afkomstig is. Dit gebeurt ten behoeve van de opsporing en
vervolging in strafzaken.
Forensische disciplines
Door gebruik te maken van verschillende forensische disciplines kan inzicht worden
verkregen in wat er is gebeurd, wie daarbij betrokken kan zijn geweest en hoe handelingen
hebben plaatsgevonden. Belangrijkste soorten forensisch onderzoek:
1. Forensisch biologisch onderzoek: Onderzoek naar biologische sporen zoals bloed,
sperma, speeksel, haren en DNA om vast te stellen van wie een spoor afkomstig kan
zijn.
2. Forensisch pathologisch onderzoek: Uitwendig en inwendig onderzoek van een
overledene om de doodsoorzaak, doodswijze en het doodsmechanisme vast te
stellen.
3. Forensisch toxicologisch onderzoek: Onderzoek naar alcohol, drugs, medicijnen of
gifstoffen in lichaamsmateriaal om hun invloed op gedrag of overlijden te bepalen.
4. Forensisch sporenonderzoek: Onderzoek van sporen op de plaats delict om
gebeurtenissen te reconstrueren en verklaringen te toetsen.
5. Forensisch botanisch onderzoek: Onderzoek naar plantaardig materiaal (zoals pollen,
zaden, bladeren of plantresten) om verbanden te leggen tussen personen, objecten
en locaties.
6. Forensische entomologie: Onderzoek naar insecten op en rond een lichaam om het
tijdstip van overlijden en soms de verplaatsing van het lichaam te schatten.
Lijkschouw: een uitwendige, eerste beoordeling van een overleden persoon.
Sectie: een uitgebreid inwendig en uitwendig onderzoek om de doodsoorzaak vast te stellen
Plaats delict
Een PD kan de plek zijn waar het misdrijf heeft plaatsgevonden, maar ook plekken waar
sporen te vinden zijn die gerelateerd zijn aan het delict. Het is een cruciale beslissing om een
plek als PD aan te merken, er is vaak maar één kans voor en na 2/3 weken kunnen de sporen
gecontamineerd of vernietigd zijn.
Stappenplan betreden PD:
Op het eerste gezicht kijken hoe de PD eruitziet, daarna nadenken over wat er
gebeurd kan zijn, hypotheses stellen en scenario’s opstellen.
Sporen veiligstellen: er wordt onderscheid gemaakt tussen sporen en sporendragers.
o Sporen: bijvoorbeeld een voetafdruk of bandensporen.
, o Sporendrager: bijvoorbeeld een onderbroek waar sporen op kunnen zitten.
Deze kan je vaak verplaatsen.
Chain of custody: dit is het proces van veiligstellen, transporteren, onderzoeken en
opslaan van onderzoeksmateriaal. Hierbij moet goed gedocumenteerd worden welke
stappen er precies zijn gedaan en wie erbij zijn betrokken. Op deze manier is het
proces goed controleerbaar, want er kan bijvoorbeeld sprake zijn van contaminatie.
Wanneer dit niet gedaan wordt kan een juridische consequentie zijn dat de
verdediging de betrouwbaarheid in twijfel kan nemen waardoor het spoor terzijde
kan worden verschoven.
Geaccrediteerde onderzoeksmethoden
Biologisch onderzoek wordt uitgevoerd volgens protocollen en met gevalideerde en
geaccrediteerde onderzoeksmethoden. Het onderzoek bestaat uit drie nauw verweven
onderdelen:
1. Onderzoek naar en van biologische sporen opsporen en onderzoeken van
biologische sporen (vooral bloed, sperma, speeksel en haren) en bepalen van de aard
ervan
2. DNA-onderzoek en analyse van de verkregen resultaten DNA wordt uit sporen
gehaald, een DNA-profiel wordt opgesteld en vergeleken met personen.
3. Interpretatie en rapportage van het totale biologische en DNA-onderzoek alle
resultaten worden geïnterpreteerd en gerapporteerd, inclusief aanwezigheid van
sporen, DNA-resultaten en de bewijswaarde.
Sporen
Forensische sporen zijn alle materiële resten die zijn achtergebleven als gevolg van menselijk
handelen en die in een strafzaak informatie kunnen geven over: wat er is gebeurd, wie
daarbij betrokken was, waar en hoe handelingen hebben plaatsgevonden.
Humane biologische sporen zijn biologische sporen afkomstig van het menselijk lichaam.
Hieruit kan menselijk celmateriaal worden gehaald en daaruit hopelijk DNA. Er zijn drie
groepen biologische sporen:
1. Lichaamsvloeistoffen (bloed, sperma en speeksel): hierbij kan worden vastgesteld om
welk type celmateriaal of vloeistof het gaat.
2. Haren
3. Biologische sporen waarvan de aard niet is te bepalen: hier is niet vast te stellen tot
welk type celmateriaal ze behoren. Dit zijn vaak biologische contactsporen.
Biologische contactsporen zijn sporen die door direct of indirect contact zijn overgedragen
op een persoon of een object. Ze bestaan meestal uit minimale hoeveelheden biologisch
sporenmateriaal die met het blote oog niet te zien zijn, en bevatten weinig DNA. Huidcellen
,zijn het bekendste voorbeeld. De mate waarin iemand biologische contactsporen overdraagt
is afhankelijk van:
De donor van het spoor (de ene verliest meer huidcellen dan de andere)
De aard, intensiteit en tijdsduur van het contact
De ontvanger van het spoor (op ruwe objecten blijft meer celmateriaal achter dan op
gladde).
Het gebruik van het object (persoonsgebonden objecten bevatten vaak meer DNA
van één gebruiker dan objecten die door veel mensen worden gebruikt)
Er zijn drie typen contactsporen:
1. Gebruikssporen
o Ontstaan door frequent contact met een persoonsgebonden object
o Bijvoorbeeld kleding, handschoenen, horloges, sieraden
2. Greepsporen
o Ontstaan door eenmalig intensief, kortdurend contact
o Bijvoorbeeld een strop, touw, tape
3. Aanraaksporen
o Ontstaan door eenmalig, kortdurend en niet-intensief contact, vaak door
meerdere personen
o Bijvoorbeeld een deurbel, toetsen, geld
Niet-humane biologische sporen zijn sporen die afkomstig zijn van andere levensvormen dan
de mens, zoals sporen van planten, dieren, insecten, pollen, zaden en bacteriën. Het is niet
persoon identificerend, maar het zegt iets over bijvoorbeeld de plaats of het tijdstip van
overlijden. Het NFI onderzoekt niet-humane biologische sporen om te achterhalen of er een
verband is tussen bijvoorbeeld personen, voertuigen en locaties. Maden kunnen
bijvoorbeeld wat zeggen over het tijdstip van overlijden door de eitjes die ze leggen.
Macrosporen zijn met het blote oog zichtbaar. Voorbeelden zijn zichtbare bloedvlekken,
spermasporen, haren, kledingbeschadigingen, voetafdrukken, vezels, glas. Ze zijn vaak
cruciaal voor de reconstructie van de gebeurtenis (bijv. looprichting via voetafdrukken) en
zijn vaak direct te koppelen aan een persoon of object.
Microsporen zijn niet zichtbaar met het blote oog, maar wel met hulpmiddelen. Voorbeelden
zijn celmateriaal, vezels, huidcellen, minimale DNA-sporen en mengprofielen.
Delictgerelateerdheid
Of iets een hogere bewijswaarde heeft hangt af van bijvoorbeeld contaminatie en de feiten
en omstandigheden van het geval. Je kan een bloedspoor en DNA-materiaal tegenkomen,
maar DNA hoeft niets te zeggen of er wat er is gebeurd, maar een bloedspoor kan wat over
de context zeggen. Een DNA-profiel op een object betekent niet automatisch dat dit spoor
tijdens het delict is ontstaan.
, Bronniveau en activiteitniveau
Bronniveau van wie is het spoor afkomstig?
Activiteitniveau hoe is het spoor daar terechtgekomen en wat zegt dat over de
handeling?
Testen
De aard van celmateriaal wordt vastgesteld met:
1. Indicatieve testen geeft een aanwijzing voor de aanwezigheid van een bepaalde
stof, maar kan vals-positief zijn. Vaak goedkoper en sneller.
2. Bevestigende testen bevestigt met zekerheid de aard van het celmateriaal, maar is
doorgaans complexer en tijdrovender.
Het doel van de forensische DNA-analyse is uit biologische sporen en referentiemateriaal van
personen (meestal wangslijmvlies) een DNA-profiel te verkrijgen. Stappen:
1. DNA isoleren uit cellen
2. DNA analyseren
3. DNA-profiel opstellen
4. DNA-profiel vergelijken
Na analyse vergelijkt de deskundige DNA-profielen van sporen, verdachten, slachtoffers en
andere betrokkenen. Als profielen gelijk zijn, spreekt men van een match. Een match
betekent niet automatisch dat met absolute zekerheid vaststaat dat het spoor van die
persoon afkomstig is. Wel kan worden berekend hoe zeldzaam zo’n profiel is.
Zoeken, typeren en veiligstellen van sporen
Het onderzoek begint met een criminalistische analyse van de stukken van overtuiging
(SVO’s). De sporenonderzoeker houdt zich bezig met het zoeken naar sporen, typeren van de
aard van het celmateriaal en het bemonsteren en veiligstellen. Zoeken wordt eerst met het
blote oog gedaan en zo nodig met hulpmiddelen. Het bemonsteren kan door uitknippen,
afnemen met wattenstaafje, tape-methode of het hele object veiligstellen. DNA is erg
kwetsbaar, daarom moeten sporen niet gecontamineerd raken: het moet aan de lucht
drogen, droog, koel en donker bewaard worden en niet in de koelkast of diepvries.
Contaminatie is de onbewuste overdracht van biologisch materiaal op een spoor of object.
Dit kan gebeuren tijdens het proces. Om contaminatie te voorkomen gelden daarom strenge
maatregelen.
Onderzoek naar lichaamsvloeistoffen
Bloed
Indicatieve test:
o Forensische lichtbron
o Luminoltest
o Tetrabesetest (echter wel vrij specifiek)