COLLEGE 1
Onderzoeksvraag eisen (EZHH)
- Ethisch verantwoord
- Zinvol om te onderzoeken
- Haalbaar om te onderzoeken
- Helder & open geformuleerd
Empirische cyclus (OIDTE)
1. Observatie
2. Inductie = obv observaties en gegevens een algemene theorie/regel/hypothese
formuleren
3. Deductie = obv algemene theorie/hypothese een specifieke, toetsbare
voorspelling afleiden (van wat de onderzoeker verwacht te vinden in het
onderzoek)
4. Toetsing = hypothese testen
5. Evaluatie
Bewijs
Zacht bewijs = actieonderzoek (in praktijk), casestudies (specifiek geval), enquêtes en interviews,
correlationele studies en quasi-experimentele studies (experiment zonder willekeurige deelnemers, dus geen
randomisatie → hypotheses over oorzaak-gevolg relaties testen; )
→ matig (want wel naar samenhang kijken, maar niet naar causaliteit)
Hard bewijs = wetenschappelijke experimenten, reviews en meta-analyses
→ sterk
Ethiek
→ wat is goed/fout & of de resultaten psychische/fysieke schade veroorzaken
1) Do no harm
→ participanten geen schade toebrengen
VB) The monster study = stotteronderzoek in een weeshuis, wat blijvende spraakproblemen veroorzaakte bij
kinderen (was toen nog geen ethische commissie)
2) Data verzamelen
→ zorgvuldig omgaan met gegevens vd participanten
- Anonimiteit en vertrouwelijkheid
- Geïnformeerde toestemming
- Privacywetgeving (AVG) → persoonsgegevens moeten strikt worden beschermd
- Ethische commissie
3) Misleiding
→ soms onvermijdelijk, maar altijd goed afwegen tegen het belang van het onderzoek)
VB) Milgram experiment: deelnemers opdracht om schokken uit te delen aan de ander, in opdracht van
autoriteit persoon (hoe ver gaan mensen als je kijkt naar autoriteit)
VB) Ash experiment: deelnemer geeft het goede antw, maar rest vd groep allemaal ander antw, kijken
hoeveel groepsdruk doet (of ze hun antwoord nog wijzigen)
,Integer handelen
- Zorgplichten van instellingen (bijv vertrouwenspersoon hebben)
- Maatregelen en sancties (onderzoek niet mogen doen, ontslag bijv.)
- 61 normen (bijv altijd de meest recente & betrouwbare bevindingen moeten gebruiken)
- 5 principes: eerlijkheid, zorgvuldigheid, transparantie, onafhankelijkheid en verantwoordelijkheid
Niet-integer handelen
- Geen correcte bron vermelden
- Fabriceren/vervalsen van onderzoeksgegevens
- Kopiëren van teksten
> Questionable research practices (twijfelachtig, grijs gebied)
- Vissen in de dataset = actief gewenste resultaten zoeken
- Selectief rapporteren van gunstige resultaten
- HARK-ing = Achteraf aanpassen van onderzoeksvraag/hypothese
- Schatting opnieuw uitvoeren (4x geen resultaten, 5e x wel, wat dan?)
Ethische commissie (EC) (ook wel institutional review board; IRB)
1) Onderzoeksteam
2) Onderzoeksplan
3) Data management plan (uitleggen hoe met data wordt omgegaan)
Doel = transparantie en bescherming
- Dataopslag in datapackage op Y-schijf
- Opslag in datapackage voor minimaal 10 jaar
- Anonimisering
4) Informing participants (informeren wat je gaat onderzoeken)
5) Asking for consent (deelnemers moeten actief toestemming geven)
6) Debriefing after participation (achteraf samenvatting geven)
Categorie 1 → exempt review = geen risico's in onderzoek (geen informed consent nodig)
Categorie 2 → expedited review = minimale risico's (mondelinge toestemming nodig)
Categorie 3 → full review = hogere risico's/kwetsbare groepen (langs EC en informed consent nodig)
SP-NL = ouderen vragenlijst die meet hoe goed kinderen sensorische info kunnen verwerken
→ geen interbeoordelaars check gedaan
Schalen
Intervalschaal = gelijke intervallen, geen absoluut nulpunt (IQ, temperatuur; kan wel -1 zijn)
Ratioschaal = gelijke intervallen, wel absoluut nulpunt (leeftijd, 1-100; kan niet -1 zijn)
Nominaal = categorieën zonder ordening ; onderscheid maar geen rang (kleur, geslacht)
Ordinaal = rangorde, ongelijke afstanden (opleidingsniveau, tevredenheidsschaal)
Instrumentatie
= voorbereiding op dataverzameling (alles wat voorafgaat aan dataverzameling)
- Niet alleen instrumenten zelf, maar ook hoe & wanneer je de data gaat verzamelen
→ Beschrijven afnamecondities: waar, wanneer, hoe vaak, door wie?
→ kiezen meetinstrument
, Soorten instrumenten (vb)
Ingevuld door deelnemer
Prestatietoets: meetbare prestaties, meest objectief, niet op subjectieve beoordeling van gedrag of producten
Zelf-checklists: lijsten van eigenschappen/activiteiten die de deelnemers zelf markeren (bijv voor zelfreflectie
of evaluatie)
Attitudeschalen: attitudes meten door stellingen die hun voorkeuren & opvattingen weergeven
- Likertschalen: bijv 1 = sterk oneens en 5 = sterk eens
- Semantic differential = adjectiefparen → goed-slecht, mooi-lelijk, moeilijk-makkelijk
- Gezichtsschalen = voor jonge kids om gevoel aan te geven (blije, boze, verdrietige, etc. emoji)
Persoonlijkheids- of karakter inventarissen = gestandaardiseerde vragenlijsten voor
persoonlijkheidskenmerken/gevoelens van individuen
Vaardigheids- of prestatietoetsen = huidige kennis meten
- Algemene vaardigheidstoetsen → meerdere vakken
- Specifieke vaardigheidstoetsen → 1 vak
Intelligentietests = beoordelen leervermogen/vermogen om prestaties te bereiken
- Stanford-Binet intelligence scale & Wechsel-scales (WISC) → voor individuen
- CTMM & otis-lennon → voor groepen
Projectieve instrumenten = vage stimuli zonder juiste antwoorden, waardoor diverse reacties ontstaan en
persoonlijkheid + interne neigingen zichtbaar worden
- Rorschach Inkblot test = beschrijving inktvlekken geven
- Thematic Apperception test (TAT) = beschrijving geven bij vage afb van situaties
- Picture situation inventory = cartoons van klas-situaties, de deelnemers vullen in wat de leraar zou
zeggen
Sociometrische instrumenten = kinderen beoordelen met wie ze wel/niet graag omgaan → dan kun je
vervolgens met pijlen relaties tussen kinderen in een groep weergeven
- Sociogram = visuele weergave van relaties (bijv leiders of vrienden)
- Group play = meet sociale voorkeuren en interacties
Keuze vragen of open vragen
- True-false, MPC, matching items bijv.
Niet opdringerige meetmethoden = respondenten niet direct benaderen, om reactiviteit te voorkomen
(bijv aantal bezoekjes aan GGZ & krimpen van de kring van kinderen bij een eng verhaal die angst oproept)
→ ter aanvulling vaak op interviews en vragenlijsten
Ingevuld door onderzoeker
Beoordelingsschalen
= geven oordeel over iemands gedrag/product (bijv altijd-vaak-nooit of cijfers weergeven)
Gedragsbeoordelingsschalen (altijd-vaak-nooit of cijfers weergeven)
→ verminderen de interpretatieverschillen tussen observatoren dmv duidelijke definities
Product Beoordelingsschalen (bijv vergelijken met andere producten, zoals handschriften van leerlingen met
voorbeelden vergelijken
Interviewprotocol = lijst met vragen, mondeling afgenomen (persoonlijk/telefonisch)
- Gestructureerde schema’s = veel notities/opname nodig
- Precoding = antwoorden in vooraf bepaalde categorieën
- Semi-gestructureerde / kwalitatieve protocollen = aanvullende vragen, afhankelijk van eerdere antw
Observatieformulieren = registreren gedrag ter plekke
Telformulieren/tally sheets = hoe vaak gedrag/activiteiten/opmerkingen voorkomen
Prestatie-checklists = of bepaald gedrag zich voordoet (geen oordeel en niet hoe vaak/lang)
Anekdotische verslagen = observatoren mogen alle gedrag wat zij relevant vinden noteren, in de vorm van
anekdotes