Hoorcollege 1 + literatuur
Children with disabilities
Hoofdstuk 11 Child development
Ontwikkeling verwijst naar veranderingen in gedachten, gedrag en
functioneren. Groei verwijst meer naar toename van lichaamsaspecten als
gewicht en lengte. De begrippen hangen samen maar worden anders
gemeten.
Ontwikkeling verloopt in reactie op omgevingsfactoren. Deze zijn voor
iedereen anders en zal zich nooit exact hetzelfde herhalen. Maar er zijn
ook ontwikkelingsaspecten die iedereen (normaal gesproken) ongeveer op
hetzelfde moment doormaken. Deze algemene ontwikkeling doet zich voor
in een redelijk vaststaande volgorde, maar kent veel variatie! Gedrag dat
als anders wordt gezien dan normaal, is niet per se
ontwikkelingsproblematiek. Je moet kijken naar de omgeving en de leeftijd.
Vaak is bepaald gedrag wel normaal voor een leeftijd van 3 maar niet voor
12 (broek plassen) bijvoorbeeld. Ook kan gedrag een reactie zijn op de
omgeving (ouders scheiden of overlijden van iemand). Hierbij is het
belangrijk om te kijken naar de duur van het gedrag. Gedrag wordt gezien
als alle (on)bewuste handelingen die waarneembaar zijn. Bij jonge
kinderen is bijna al hun gedrag motorisch. Deze motoriek geeft inzicht in
psychologische processen als aandacht, perceptie en motivatie. Want ze
kunnen hun gedachten nog niet onder woorden brengen. Motoriek is dus
de sleutelingang voor diagnostiek bij jonge kinderen.
Mijlpalen
Er zijn wel mijlpalen die behaald worden rond een bepaalde periode, maar
dat is bijvoorbeeld tussen 4 en 7 maanden. De ene behaalt dit al bij 4
maanden uit, de ander bij 6 en weer een ander bij 7. Ook is de grens
tussen normale variatie en ontwikkelingsproblematiek lastig te
onderscheiden. We beschrijven ontwikkeling liever in termen als typisch en
atypisch dan normaal en abnormaal.
Normale ontwikkeling kent vaste patronen met vaste mijlpalen maar geen
vaste tijdstippen. Er is veel variatie tussen kinderen (hierboven
geïllustreerd) maar ook binnen kinderen. Het kind leert bijvoorbeeld laat
kruipen maar vroeg lopen. Hierdoor is het ontwikkelingspatroon over de
tijd belangrijker dan 1 meetmoment.
Verdeling
Mijlpalen kunnen worden onderverdeeld in:
, 1. Grove motoriek, bewegen van het lichaam
2. Fijne motoriek, schrijven
3. Taal en communicatie
4. Cognitieve vaardigheden en probleem-oplossend vermogen
5. Self-care
6. Spel
7. Sociale vermogens
Mijlpalen hebben de volgende kenmerken:
- Behalen binnen een relatief smalle leeftijdscategorie
- Makkelijk te observeren en beschrijven
- Variëren niet erg in hoe ze zich voordoen (kruipen, lopen, lachen,
etc. ziet er redelijk hetzelfde uit per persoon, niet moeilijk te zien dat
het gaat om dat exacte mijlpaal).
- Hebben een functie
Belangrijk om te weten is dat een mijlpaal niet per se aan alle kenmerken
hoeft te voldoen.
Het gebruiken van mijlpalen kan meerdere doelen hebben en op
verschillende manieren gemeten worden. Denk hierbij aan het in de gaten
houden van de ontwikkeling (surveillance), risico-gevallen identificeren
(screening), ontwikkelingsgeschiedenis onderzoeken om een diagnose te
stellen (diagnostic interview), scores van het kind vergelijken met die van
zijn leeftijdsgenootjes (norm-referenced testing) en het vergelijken van de
scores van het kind met de vooraf bepaalde standaarden (criteria-
referenced testing).
Motorische ontwikkeling
Bij de geboorte hebben baby’s primitieve reflexen en deze verdwijnen na
ongeveer een jaar. Dan wordt er plaats gemaakt voor vrijwillige
motorische reacties.
Met ongeveer 7 maanden hebben baby’s automatische bewegingsreacties
ontwikkelt als er iets gebeurt. Denk hierbij aan het voortbewegen van de
armen wanneer ze omvallen (soort van opvangen). Met 9 maanden
kunnen ze staan terwijl ze zich vasthouden, daarna enkele stappen zetten
terwijl ze zich vasthouden en met ongeveer een jaar kunnen ze lopen
(gemiddeld!).
Daarna wordt de motorische ontwikkeling onderverdeeld in 1)
staan/balanceren, 2) lopen, 3) rennen/springen, 4) klimmen en 5)
algemene coördinatie.
Adaptieve vaardigheden
,Dit is een hele brede categorieën. Het omvat vaardigheden die mensen
nodig hebben in het dagelijkse leven om op hun omgeving te reageren en
hun omgeving te manipuleren. Wat nodig is om te reageren op de situatie
waar je in zit. Het gaat hierbij niet om wat maximaal mogelijk is maar om
wat de situatie van je vraagt.
Een kind laat vroege motorische vaardigheden hierbij zien: pincer grasp
het kinnen optillen van een klein object met de topjes van de duim en
wijsvinger. Deze intuïtie is er al vanaf te geboorte baby’s willen tot 4
maanden dingen vast pakken die hun hand aanraken. Tot 4 maanden is
het een reflex (Palmer graps reflex) en dit wordt daarna steeds meer
vrijwillig.
Later leren kinderen objecten in de omgeving gebruiken om dingen in de
omgeving te veranderen (gereedschap). Ze gaan dingen doen met de
objecten. Wat kinderen kunnen met objecten en hun omgeving wordt
steeds complexer.
Probleem-oplossend vermogen
De meeste fijne motorische vaardigheden zijn verbonden met het
probleemoplossende en cognitieve vermogen.
Objectpermanentie komt vanaf ongeveer 11 maanden. Dit houdt in dat het
kind begrijpt dat een object of persoon nog bestaat, ook als ze het niet
meer zien. Dus als mama wegloopt, betekent dit niet dat ze niet meer
bestaat. Dit is fundamenteel voor het geheugen en een voorloper van
latere cognitieve ontwikkelingen als theory of mind (omdat ik iets weet
betekent niet dat de ander dit ook weet).
Selfcare vaardigheden als eten en drinken, aankleden, wassen,
zindelijkheid, etc. rusten op andere functionele domeinen als fijne en
grove motoriek. Dus voor het laten zien van selfcare, is fijne en grove
motoriek ook nodig (ledematen kunnen bewegen en rits/knoop dichtdoen
bijvoorbeeld).
Theory of mind en hypersocialiteit
Het principe van ToM is dat je de intenties en gedachten van anderen kunt
begrijpen en begrijpt dat die anders kunnen zijn dan die van jou. Denk
bijvoorbeeld aan de test dat kind A in de ruimte zit samen met kind B.
Beide kinderen zien dat het speelgoed onder bak 1 ligt. Kind B verlaat de
kamer en het speelgoed wordt verplaats naar bak 2. Kind B komt terug en
denkt dat het speelgoed nog onder bak 1 ligt. Als kind A denkt dat kind B
denkt dat het speelgoed is verplaats, is de ToM nog niet goed ontwikkeld.
Dan beseft hij niet dat iemand iets anders kan denken dan hij, omdat die
persoon er niet bij was.
, Rond 8 maanden kan het kind de blik van de ander volgen om zo samen
naar iets te kijken. Dit ontwikkelt naar het wijzen naar objecten als ze die
willen hebben of omdat ze er geïnteresseerd in zijn. Hierna gaan kinderen
spelen. Eerst alleen, dan met andere kinderen in dezelfde ruimte, dan
samen spelen en dan spelen door inbeeldingsvermogen (de stok is de
toverstaf).