Question 1 Een patiënt met een borderline persoonlijkheidsstoornis (BPS) vertoonde
tussen 2005 en 2015 vooruitgang in verschillende BPD-symptomen. Op welk van
onderstaande symptomen is ze het minst waarschijnlijk vooruitgegaan, op basis van
de bevindingen van de Collaborative Longitudinal Personality Disorders Study (CLPS)?
a) Affectieve instabiliteit b) Voorkomen/vermijden van verlating door anderen c) Intense
woede
Question 2 Welke persoonlijkheidsstoornis wordt het best omschreven op het Five
Factor Model van persoonlijkheid als: hoge niveaus van neuroticisme in combinatie met
lage niveaus van vriendelijkheid (agreeableness)? a) Theatrale persoonlijkheidsstoornis
b) Borderline persoonlijkheidsstoornis c) Paranoïde persoonlijkheidsstoornis
Question 3 Young beschreef dat dysfunctionele schema's zich kunnen ontwikkelen in
de kindertijd. Dit gebeurt als men niet tegemoet komt aan basale en universele
emotionele behoeften van een kind. Elke van onderstaande antwoordopties beschrijft
zo'n basale en universele emotionele behoefte, behalve... a) Hanteren van grenzen en
zelfcontrole b) Veilige hechtingrelaties aangaan c) Gedrag kunnen vertonen dat past bij
het eigen temperament
Question 4 Comorbiditeit tussen persoonlijkheidsstoornissen en As-I-stoornissen kan
om verschillende redenen bestaan. Het Dolan-Sewell model beschrijft onder andere
een relatie tussen twee stoornissen op basis van predispositie (predisposition
relationship). Welke van onderstaande antwoorden beschrijft deze relatie? a) De
stoornissen zijn verschillend. Eén stoornis ontstaat eerst en verhoogt de kans op het
staan van de tweede stoornis, maar is niet noodzakelijk voor het kunnen ontwikkelen
van de tweede stoornis. b) De stoornissen zijn verschillend. De tweede stoornis kan
gezien worden als een complicatie van de eerste stoornis. Deze tweede stoornis
ontwikkelt zich gedurende het beloop van de eerste stoornis en blijft voortbestaan
wanneer de eerste stoornis verdwijnt. c) De stoornissen hebben een gedeelde etiologie
maar verschillende pathomechanismen en andere manifestaties.
Question 5 Welke van de onderstaande combinaties van
persoonlijkheidseigenschappen representeert het beste de scores op het Vijffactoren
model (Five Factor Model) voor de vermijdende persoonlijkheidsstoornis? Hoge scores
op neuroticisme EN... a) ...lage scores op openheid voor nieuwe ervaringen b) ...lage
scores op vriendelijkheid (agreeableness) c) ...lage scores op extraversie
Question 6 Professor Korrelboom besprak de Nederlandse multidisciplinaire richtlijn
voor de behandeling van persoonlijkheidsstoornissen. Deze richtlijn beveelt aan om
patiënten met een borderline persoonlijkheidsstoornis te behandelen met... a)
, ...gewone cognitieve gedragstherapie. b) ...mentaliseren bevorderende therapie
(Mentalization-based treatment). c) ...schematherapie.
Question 7 Welke van onderstaande persoonlijkheidsstoornissen wordt het minst vaak
gezien in GGZ-instellingen, in vergelijking met de andere twee stoornissen? a)
Narcistische persoonlijkheidsstoornis b) Theatrale persoonlijkheidsstoornis c)
Schizoïde persoonlijkheidsstoornis
Question 8 Professor Korrelboom vindt dat cliënten met een persoonlijkheidsstoornis
niet noodzakelijkerwijs speciale behandelingen nodig hebben die gekenmerkt worden
door hun lange duur. Hij vond daarentegen dat mensen met
persoonlijkheidsproblematiek ook kunnen worden behandeld met korter durende
behandelmethoden, zoals cognitieve gedragstherapie. Welke van onderstaande
argumenten gebruikte professor Korrelboom om zijn mening te ondersteunen? a)
Cognitieve gedragstherapie is de meest effectieve behandeling gebleken voor mensen
met een persoonlijkheidsstoornis. b) Langere therapieën zijn niet per se meer effectief.
Na een zeker aantal sessies verbeteren cliënten met een persoonlijkheidsstoornis niet
nauwelijks meer. c) Langere behandelingen specifiek voor persoonlijkheidsstoornissen
focussen altijd op trauma die plaats vonden gedurende de vroege jeugd (bv. misbruik),
terwijl deze ervaringen nooit onderdeel van behandeling in cliënten met
persoonlijkheidsproblematiek moeten zijn.
Question 9 Van welk cluster van persoonlijkheidsstoornissen is de passage uit de
afbeelding de beste omschrijving? a) Cluster C b) Cluster B c) Cluster A
Question 10 Je gebruikt het alternatieve DSM-5 model voor
persoonlijkheidsstoornissen. Op welke vier gebieden scoort het niveau van
persoonlijkheidsfunctioneren (level of personality functioning)? a) Affect, cognitie,
impulsiviteit, en interpersoonlijk functioneren. b) Identiteit, impulsiviteit,
interpersoonlijk functioneren en zelfbeeld. c) Empathie, identiteit, intimiteit en
zelfsturing.
Question 11 Gemiddeld gezien scoren psychopaten consistent laag op alle facetten
van deze persoonlijkheidsfactor: a) Consciëntieusheid (conscientiousness) b)
Neuroticisme c) Vriendelijkheid (agreeableness)
Question 12 Een therapeut geeft de volgende beschrijving: "Uitermate sensitief in
interpersoonlijke relaties, gekoppeld aan veelvuldig gebruik van een
projectiemechanisme dat zich uit via wantrouwen, argwaan, extreme achterdocht en
koppigheid." Welke persoonlijkheidsstoornis wordt het meest waarschijnlijk
beschreven? a) Borderline persoonlijkheidsstoornis b) Paranoïde
persoonlijkheidsstoornis c) Theatrale persoonlijkheidsstoornis
tussen 2005 en 2015 vooruitgang in verschillende BPD-symptomen. Op welk van
onderstaande symptomen is ze het minst waarschijnlijk vooruitgegaan, op basis van
de bevindingen van de Collaborative Longitudinal Personality Disorders Study (CLPS)?
a) Affectieve instabiliteit b) Voorkomen/vermijden van verlating door anderen c) Intense
woede
Question 2 Welke persoonlijkheidsstoornis wordt het best omschreven op het Five
Factor Model van persoonlijkheid als: hoge niveaus van neuroticisme in combinatie met
lage niveaus van vriendelijkheid (agreeableness)? a) Theatrale persoonlijkheidsstoornis
b) Borderline persoonlijkheidsstoornis c) Paranoïde persoonlijkheidsstoornis
Question 3 Young beschreef dat dysfunctionele schema's zich kunnen ontwikkelen in
de kindertijd. Dit gebeurt als men niet tegemoet komt aan basale en universele
emotionele behoeften van een kind. Elke van onderstaande antwoordopties beschrijft
zo'n basale en universele emotionele behoefte, behalve... a) Hanteren van grenzen en
zelfcontrole b) Veilige hechtingrelaties aangaan c) Gedrag kunnen vertonen dat past bij
het eigen temperament
Question 4 Comorbiditeit tussen persoonlijkheidsstoornissen en As-I-stoornissen kan
om verschillende redenen bestaan. Het Dolan-Sewell model beschrijft onder andere
een relatie tussen twee stoornissen op basis van predispositie (predisposition
relationship). Welke van onderstaande antwoorden beschrijft deze relatie? a) De
stoornissen zijn verschillend. Eén stoornis ontstaat eerst en verhoogt de kans op het
staan van de tweede stoornis, maar is niet noodzakelijk voor het kunnen ontwikkelen
van de tweede stoornis. b) De stoornissen zijn verschillend. De tweede stoornis kan
gezien worden als een complicatie van de eerste stoornis. Deze tweede stoornis
ontwikkelt zich gedurende het beloop van de eerste stoornis en blijft voortbestaan
wanneer de eerste stoornis verdwijnt. c) De stoornissen hebben een gedeelde etiologie
maar verschillende pathomechanismen en andere manifestaties.
Question 5 Welke van de onderstaande combinaties van
persoonlijkheidseigenschappen representeert het beste de scores op het Vijffactoren
model (Five Factor Model) voor de vermijdende persoonlijkheidsstoornis? Hoge scores
op neuroticisme EN... a) ...lage scores op openheid voor nieuwe ervaringen b) ...lage
scores op vriendelijkheid (agreeableness) c) ...lage scores op extraversie
Question 6 Professor Korrelboom besprak de Nederlandse multidisciplinaire richtlijn
voor de behandeling van persoonlijkheidsstoornissen. Deze richtlijn beveelt aan om
patiënten met een borderline persoonlijkheidsstoornis te behandelen met... a)
, ...gewone cognitieve gedragstherapie. b) ...mentaliseren bevorderende therapie
(Mentalization-based treatment). c) ...schematherapie.
Question 7 Welke van onderstaande persoonlijkheidsstoornissen wordt het minst vaak
gezien in GGZ-instellingen, in vergelijking met de andere twee stoornissen? a)
Narcistische persoonlijkheidsstoornis b) Theatrale persoonlijkheidsstoornis c)
Schizoïde persoonlijkheidsstoornis
Question 8 Professor Korrelboom vindt dat cliënten met een persoonlijkheidsstoornis
niet noodzakelijkerwijs speciale behandelingen nodig hebben die gekenmerkt worden
door hun lange duur. Hij vond daarentegen dat mensen met
persoonlijkheidsproblematiek ook kunnen worden behandeld met korter durende
behandelmethoden, zoals cognitieve gedragstherapie. Welke van onderstaande
argumenten gebruikte professor Korrelboom om zijn mening te ondersteunen? a)
Cognitieve gedragstherapie is de meest effectieve behandeling gebleken voor mensen
met een persoonlijkheidsstoornis. b) Langere therapieën zijn niet per se meer effectief.
Na een zeker aantal sessies verbeteren cliënten met een persoonlijkheidsstoornis niet
nauwelijks meer. c) Langere behandelingen specifiek voor persoonlijkheidsstoornissen
focussen altijd op trauma die plaats vonden gedurende de vroege jeugd (bv. misbruik),
terwijl deze ervaringen nooit onderdeel van behandeling in cliënten met
persoonlijkheidsproblematiek moeten zijn.
Question 9 Van welk cluster van persoonlijkheidsstoornissen is de passage uit de
afbeelding de beste omschrijving? a) Cluster C b) Cluster B c) Cluster A
Question 10 Je gebruikt het alternatieve DSM-5 model voor
persoonlijkheidsstoornissen. Op welke vier gebieden scoort het niveau van
persoonlijkheidsfunctioneren (level of personality functioning)? a) Affect, cognitie,
impulsiviteit, en interpersoonlijk functioneren. b) Identiteit, impulsiviteit,
interpersoonlijk functioneren en zelfbeeld. c) Empathie, identiteit, intimiteit en
zelfsturing.
Question 11 Gemiddeld gezien scoren psychopaten consistent laag op alle facetten
van deze persoonlijkheidsfactor: a) Consciëntieusheid (conscientiousness) b)
Neuroticisme c) Vriendelijkheid (agreeableness)
Question 12 Een therapeut geeft de volgende beschrijving: "Uitermate sensitief in
interpersoonlijke relaties, gekoppeld aan veelvuldig gebruik van een
projectiemechanisme dat zich uit via wantrouwen, argwaan, extreme achterdocht en
koppigheid." Welke persoonlijkheidsstoornis wordt het meest waarschijnlijk
beschreven? a) Borderline persoonlijkheidsstoornis b) Paranoïde
persoonlijkheidsstoornis c) Theatrale persoonlijkheidsstoornis