1. Bewegen in grafieken
s = v*t
Plaatsgrafiek (s,t-diagram):
Snelheid uit plaatsgrafiek -> afstand delen door tijd (desnoods met raaklijn)
Lijn naar beneden -> negatieve snelheid
Snelheidsgrafiek (v,t-diagram):
Afstand uit snelheidsgrafiek -> de oppervlakte onder de grafiek
Versnelling -> a=v/t
vgem = ½(vbegin + veind) -> alleen bij gelijkmatige verandering in snelheid
Relatieve snelheid – snelheid ten opzichte van een ander bewegend voorwerp
Vrije val – een val zonder weerstand. Alles valt even snel
Valversnelling: g = 9,81 m/s2
Significantie:
- Optellen/aftrekken -> antwoord in minst aantal decimalen. Bijv. 4,23 +
6,872 = 11,10
- Vermenigvuldigen/delen -> antwoord in minst aantal significante cijfers.
Bijv. 6,82*0,092=0,63
- pH berekenen -> aantal significante cijfers is het aantal decimalen in
antwoord.
- 0,0800 -> 3 significante cijfers
2. Elektriciteit
Lading – een natuurkundige grootheid die aangeeft op welke manier een deeltje
wordt beïnvloed door elektrische en magnetische velden. Een lading kan positief
of negatief zijn. In coulomb (C)
Stroomsterkte – de verplaatsing van een hoeveelheid elektrische lading per
tijdseenheid (kabouters) in ampère (A)
Spanning – de energie die elektronen meekrijgen als ze door een stroomkring
lopen (boterhammen) in volt (V)
Vermogen – de hoeveelheid energie dat een apparaat per seconde omzet in
watt (W)
Weerstand – een maat voor hoe goed stroom wordt tegengehouden in Ohm
Geleidbaarheid – een maar voor hoe goed stroom wordt geleid in Siemens (S)
Stroom – het transport van elektrische lading
Stroom gaat van plus naar min, elektronen gaan van min naar plus.
1
, Meten
- Voltmeter sluit je parallel aan over het onderdeel waarvan je de spanning
wilt meten
- Ampèremeter sluit je in serie aan over het onderdeel waarvan je de stroom
wilt meten
- De weerstand van een voltmeter moet oneindig hoog zijn, hierdoor wordt
het circuit niet beïnvloed
- De weerstand van een ampèremeter moet 0 zijn, hierdoor wordt het circuit
niet beïnvloed
Eigenschappen van verschillende soorten weerstand:
- NTC -> de weerstand wordt kleiner als de temperatuur toeneemt
- PTC -> de weerstand neemt toe als de temperatuur toeneemt
- LDR -> de weerstand wordt kleiner als er meer licht op schijnt
- Diode -> de stroom kan zeer goed in een richting geleiden, maar niet in de
andere
- Led -> bij minder stroom door de led neemt het rendement toe. Ook bij
lage temperaturen neemt het rendement toe.
- Ohmse weerstand -> heeft een constante weerstand bij elke frequentie en
is onafhankelijk van de stroom en spanning
Formules
ρ∗I
Rdraad = U =I∗R P=U∗I E=P∗t
A
1 1 Q E
G= R= I = U=
R G t C
Parallelschakeling:
- De weerstand mag je niet optellen
- Geleidbaarheid mag je optellen
- Spanning is hetzelfde (boterhammen)
- Stroomsterkte is verdeeld (kabouters)
Serieschakeling:
- De weerstand mag je optellen
- Geleidbaarheid mag je niet optellen
- Spanning is verdeeld (boterhammen)
- Stroomsterkte is hetzelfde (kabouters)
Wetten van Kirchoff
1. Stroomwet van Kirchoff
- Bij een knooppunt gaat er evenveel stroom in als dat er uit gaat
2. Spanningswet van Kirchoff
- Ubron – Utotaal = 0
3. Kracht en beweging
Drie soorten weerstanden: rolweerstand, schuifweerstand en luchtweerstand
1e wet van Newton: Fnetto -> som van alle krachten. Fnetto = 0 bij stilstand of
constante snelheid
2e wet van Newton: F = m*a.
2