Opgaven werkcollege 3
Opgave 1
Mevrouw Van Zanten schenkt haar aanmerkelijkbelangaandelen aan haar dochter. De waarde van de
aandelen ten tijde van de schenking bedraagt € 800.000. Mevrouw Van Zanten heeft de BV destijds
zelf opgericht en de aandelen volgestort met een bedrag van € 100. De schenking leidt in beginsel tot
afrekening voor wat betreft de inkomstenbelasting. Een beroep op de doorschuifregeling van art.
4.17c Wet IB 2001 is mogelijk. Toepassing van deze regeling heeft tot gevolg dat mevrouw Van Zanten
de inkomstenbelastingschuld nu niet hoeft te voldoen en in plaats daarvan wordt doorgeschoven
naar de dochter.
a. Wat is het gevolg voor de heffing van schenkbelasting dat de inkomstenbelastingschuld
wordt doorgeschoven naar de dochter?
Indien de verkrijgers een beroep doen op een doorschuiffaciliteit in de inkomstenbelasting, er geen
materiële belastingschuld ontstaat ten laste van de erflater. Omdat er geen in rechte vorderbare
schuld ten laste van de erflater is, kan er ook geen schuld in mindering op de nalatenschap worden
gebracht. Op deze regel bestaan een aantal uitzonderingen ogv art. 20 lid 5 SW; waaronder bij de
verkrijging van aandelen die bij de erflater tot een aanmerkelijk belang behoorden in de zin van de
wet IB. de waarde van de latente belastingclaim is forfaitair bepaald in art. 20 lid 6 SW. Er is alleen
ruimte om de latente belastingclaim in mindering te brengen als ook werkelijk sprake is van
samenloop van inkomstenbelasting en (schenkbelasting?).
p.238 e.v.
vanwege de doorschuiving behoeft de inkomstenbelasting pas in de toekomst te worden betaald. Dat
rechtvaardigt een aftrek tegen de contante waarde in plaats van de nominale waarde. De latente
aanmerkelijkbelangclaim ontstaat bij de erfgenamen omdat deze de aanmerkelijkbelangclaim van de
erflater overnemen.
Zij dienen deze schuld in de toekomst te voldoen op het moment dat zij het
aanmerkelijkbelangpakket (fictief) vervreemden.
De door te schuiven inkomstenbelastingschuld verlaagt de waarde van de schenking voor de
schenkbelasting. Hierdoor betaalt de dochter schenkbelasting over een lager bedrag, namelijk de
waarde van de aandelen verminderd met de latente inkomstenbelastingclaim. Daarmee wordt dus
ook een lager bedrag aan schenkbelasting betaald.
, b. Welk bedrag aan schenkbelasting is de dochter verschuldigd als de doorschuifregeling van
art. 4.17c Wet IB 2001 op verzoek van partijen wordt toegepast? Eventuele toepassing van
de bedrijfsopvolgingsregeling (hoofdstuk IIIA van de Successiewet) mag u buiten
beschouwing laten.
Art. 20 lid 5 sub c en lid 6 SW;
Op de verkrijging wordt in mindering gebracht de inkomstenbelasting welke de verkrijger
verschuldigd kan worden ter zake van; verkregen aandelen.
Lid 6; de in het vijfde deel bedoelde belasting wordt gesteld op; 6,25% van de waarde van de
aandelen, voor zover deze de verkrijgingsprijs daarvan in de zin van de Wet IB overtreft.
De belasting wordt dus gesteld op 6,25% van de waarde van de aandelen, in dit geval de
800k. de verkrijgingsprijs lijkt het bedrag te zijn waarmee de aandelen zijn volgestort,
namelijk 100 euro.
De belasting wordt dus gesteld op 6,25% van (800k – 100 euro) = 6,25% van 799.900 =
49.993,75 euro. dit bedrag wordt volgens art. 20 lid 5 SW op de verkrijging in mindering
gebracht; dus 800k – 49.993,75 euro.
De verkrijging is dus in totaal 750.006,25 euro (min kindvrijstelling van 6.713 euro =
743.293,25.
Toepassing van de tabel van art. 24 SW;
Eerste 154.197 euro geldt een tarief van 10%; dus 15.419 euro
Voor de overige 743.293,25 – 154.197 = 589.096,25 euro geldt een tarief van 20%
117.819,25 euro (+ die 15.419 euro) = 133.238,25 euro?
c. Wat is de heffingsgrondslag voor de heffing van schenkbelasting als partijen besluiten de
doorschuifregeling niet toe te passen?
Wanneer partijen besluiten de doorschuifregeling niet toe te passen, dan wordt de
belastinglatentie niet afgetrokken en is de IB-schuld aftrekbaar voor de schenkbelasting
Voor de dochter heeft dit tot gevolg dat er geen rekening gehouden hoeft te worden met de IB-
latentie; en dat zij over een verkrijging van 800k – de vrijstelling schenkbelasting is verschuldigd.
Als partijen besluiten de doorschuifregeling niet toe te passen, wordt afgerekend met
inkomstenbelasting bij mevrouw Van Zanten over het aanmerkelijk belang-voordeel: (€ 800.000 - €
100 =) € 799.900, belast tegen 26,9% (2025-tarief) inkomstenbelasting = € 215.777,10
inkomstenbelasting. De verkrijgingswaarde voor de schenkbelasting wordt dan gesteld op de waarde
van de aandelen (marktwaarde, € 800.000) verminderd met de verschuldigde inkomstenbelasting (€
215.777,10): € 584.222,90 vormt de heffingsgrondslag voor de schenkbelasting
Opgave 1
Mevrouw Van Zanten schenkt haar aanmerkelijkbelangaandelen aan haar dochter. De waarde van de
aandelen ten tijde van de schenking bedraagt € 800.000. Mevrouw Van Zanten heeft de BV destijds
zelf opgericht en de aandelen volgestort met een bedrag van € 100. De schenking leidt in beginsel tot
afrekening voor wat betreft de inkomstenbelasting. Een beroep op de doorschuifregeling van art.
4.17c Wet IB 2001 is mogelijk. Toepassing van deze regeling heeft tot gevolg dat mevrouw Van Zanten
de inkomstenbelastingschuld nu niet hoeft te voldoen en in plaats daarvan wordt doorgeschoven
naar de dochter.
a. Wat is het gevolg voor de heffing van schenkbelasting dat de inkomstenbelastingschuld
wordt doorgeschoven naar de dochter?
Indien de verkrijgers een beroep doen op een doorschuiffaciliteit in de inkomstenbelasting, er geen
materiële belastingschuld ontstaat ten laste van de erflater. Omdat er geen in rechte vorderbare
schuld ten laste van de erflater is, kan er ook geen schuld in mindering op de nalatenschap worden
gebracht. Op deze regel bestaan een aantal uitzonderingen ogv art. 20 lid 5 SW; waaronder bij de
verkrijging van aandelen die bij de erflater tot een aanmerkelijk belang behoorden in de zin van de
wet IB. de waarde van de latente belastingclaim is forfaitair bepaald in art. 20 lid 6 SW. Er is alleen
ruimte om de latente belastingclaim in mindering te brengen als ook werkelijk sprake is van
samenloop van inkomstenbelasting en (schenkbelasting?).
p.238 e.v.
vanwege de doorschuiving behoeft de inkomstenbelasting pas in de toekomst te worden betaald. Dat
rechtvaardigt een aftrek tegen de contante waarde in plaats van de nominale waarde. De latente
aanmerkelijkbelangclaim ontstaat bij de erfgenamen omdat deze de aanmerkelijkbelangclaim van de
erflater overnemen.
Zij dienen deze schuld in de toekomst te voldoen op het moment dat zij het
aanmerkelijkbelangpakket (fictief) vervreemden.
De door te schuiven inkomstenbelastingschuld verlaagt de waarde van de schenking voor de
schenkbelasting. Hierdoor betaalt de dochter schenkbelasting over een lager bedrag, namelijk de
waarde van de aandelen verminderd met de latente inkomstenbelastingclaim. Daarmee wordt dus
ook een lager bedrag aan schenkbelasting betaald.
, b. Welk bedrag aan schenkbelasting is de dochter verschuldigd als de doorschuifregeling van
art. 4.17c Wet IB 2001 op verzoek van partijen wordt toegepast? Eventuele toepassing van
de bedrijfsopvolgingsregeling (hoofdstuk IIIA van de Successiewet) mag u buiten
beschouwing laten.
Art. 20 lid 5 sub c en lid 6 SW;
Op de verkrijging wordt in mindering gebracht de inkomstenbelasting welke de verkrijger
verschuldigd kan worden ter zake van; verkregen aandelen.
Lid 6; de in het vijfde deel bedoelde belasting wordt gesteld op; 6,25% van de waarde van de
aandelen, voor zover deze de verkrijgingsprijs daarvan in de zin van de Wet IB overtreft.
De belasting wordt dus gesteld op 6,25% van de waarde van de aandelen, in dit geval de
800k. de verkrijgingsprijs lijkt het bedrag te zijn waarmee de aandelen zijn volgestort,
namelijk 100 euro.
De belasting wordt dus gesteld op 6,25% van (800k – 100 euro) = 6,25% van 799.900 =
49.993,75 euro. dit bedrag wordt volgens art. 20 lid 5 SW op de verkrijging in mindering
gebracht; dus 800k – 49.993,75 euro.
De verkrijging is dus in totaal 750.006,25 euro (min kindvrijstelling van 6.713 euro =
743.293,25.
Toepassing van de tabel van art. 24 SW;
Eerste 154.197 euro geldt een tarief van 10%; dus 15.419 euro
Voor de overige 743.293,25 – 154.197 = 589.096,25 euro geldt een tarief van 20%
117.819,25 euro (+ die 15.419 euro) = 133.238,25 euro?
c. Wat is de heffingsgrondslag voor de heffing van schenkbelasting als partijen besluiten de
doorschuifregeling niet toe te passen?
Wanneer partijen besluiten de doorschuifregeling niet toe te passen, dan wordt de
belastinglatentie niet afgetrokken en is de IB-schuld aftrekbaar voor de schenkbelasting
Voor de dochter heeft dit tot gevolg dat er geen rekening gehouden hoeft te worden met de IB-
latentie; en dat zij over een verkrijging van 800k – de vrijstelling schenkbelasting is verschuldigd.
Als partijen besluiten de doorschuifregeling niet toe te passen, wordt afgerekend met
inkomstenbelasting bij mevrouw Van Zanten over het aanmerkelijk belang-voordeel: (€ 800.000 - €
100 =) € 799.900, belast tegen 26,9% (2025-tarief) inkomstenbelasting = € 215.777,10
inkomstenbelasting. De verkrijgingswaarde voor de schenkbelasting wordt dan gesteld op de waarde
van de aandelen (marktwaarde, € 800.000) verminderd met de verschuldigde inkomstenbelasting (€
215.777,10): € 584.222,90 vormt de heffingsgrondslag voor de schenkbelasting