, Oefentoets – alle antwoorden einde
15 open vragen
Hoofdstuk 1 – Individuele processen en besluitvorming
1. Analyseer hoe selectieve perceptie en stereotypen gezamenlijk kunnen leiden tot
systematische beoordelingsfouten binnen organisaties. Illustreer je antwoord met een concreet
voorbeeld.
2. Leg uit hoe de fundamentele attributiefout en self-serving bias elkaar kunnen versterken in
beoordelingsgesprekken tussen leidinggevende en medewerker.
3. Vergelijk het rationele besluitvormingsmodel met het concept van beperkte rationaliteit en
bespreek waarom het rationele model in de praktijk vaak niet haalbaar is.
4. Evalueer de voor- en nadelen van het gebruik van heuristieken in complexe organisatorische
besluitvormingsprocessen.
5. Bespreek hoe individuele verschillen zoals persoonlijkheid, ervaring en cognitieve stijl de
kwaliteit van besluitvorming beïnvloeden.
Hoofdstuk 2 – Motivatie, emoties en stress
6. Analyseer in hoeverre intrinsieke en extrinsieke motivatie elkaar kunnen versterken of juist
ondermijnen binnen een organisatiecontext.
7. Vergelijk de behoeftetheorie van Maslow met de ERG-theorie en leg uit welke van de twee
beter toepasbaar is in moderne organisaties.
8. Leg uit hoe de verwachtingstheorie van Vroom kan worden toegepast om motivatieproblemen
binnen een team te diagnosticeren.
9. Evalueer de rol van rechtvaardigheid in motivatie en beschrijf de mogelijke gevolgen van
ervaren ongelijkheid voor gedrag en prestaties.
10. Analyseer hoe emotionele intelligentie bijdraagt aan effectief leiderschap en
conflicthantering.
11. Bespreek de relatie tussen werkstress, burn-out en welzijn, en geef aan welke factoren
bepalen of stress leidt tot negatieve uitkomsten.
Hoofdstuk 3 – Groepsprocessen en organisatiesystemen
12. Analyseer hoe groepsnormen zowel positieve als negatieve effecten kunnen hebben op
teamperformance.
13. Vergelijk formele en informele structuren binnen organisaties en bespreek hoe deze elkaar
kunnen versterken of tegenwerken.
14. Evalueer de effectiviteit van verschillende leiderschapsstijlen (transactioneel versus
transformationeel) in relatie tot organisatieverandering.
15. Analyseer waarom cultuurverandering binnen organisaties vaak moeilijk te realiseren is en
bespreek welke factoren bepalend zijn voor succes.