(110 korte meerkeuze kennis vragen, 40 meerkeuze casus vragen)
, Korte meerkeuzevragen
1. Welk specifiek aspect valt onder het domein ‘Zelffunctioneren’ binnen
Criterium A van het AMPD?
A. Identiteit en Zelfsturing
B. Empathie en Intimiteit
C. Identiteit en Empathie
2. Wat is de mediane prevalentie van persoonlijkheidsstoornissen volgens
Zimmerman (2018)?
A. ± 4,5%
B. ± 12,1%
C. ± 9,1%
3. Wanneer wordt voldaan aan de drempelwaarde voor een stoornis
(AMPD)?
A. Lichte beperking (niveau 1)
B. Matige of grotere beperking (niveau ≥2)
C. Alleen extreme beperking (niveau 4)
4. Welk model gaat uit van gedeelde onderliggende factoren (zoals
trauma)?
A. Co-effect model
B. Kwetsbaarheidsmodel
C. Attenuatiemodel
5. Hoeveel persoonlijkheidsstoornissen zijn behouden in Sectie III (DSM-5)?
A. 10
B. 8
C. 6
6. Welke cluster A-stoornis heeft genetische koppeling met schizofrenie?
A. Paranoïde PS
B. Schizotypische PS
C. Schizoïde PS
7. Kernkenmerk schizoïde PS (DSM-5)?
A. Onthechting + beperkt affect
B. Wantrouwen
C. Angst voor afwijzing
8. Cruciale factor volgens Linehan?
A. Genetische antisociale aanleg
B. Veilige omgeving
C. Emotioneel kwetsbaar kind + invaliderende omgeving
9. Psychopathische variant antisociale PS (AMPD):
A. Emotionele labiliteit
B. Lage angst + gedurfde stijl
C. Sociale terugtrekking
10. Verplichte trek bij OCPD (AMPD)?
A. Rigide perfectionisme
B. Perseveratie
C. Ontremming
11. Verschil schizoïde vs. vermijdende PS?
A. Schizoïde bang / vermijdende onverschillig
B. Affectverschil
C. Schizoïde geen behoefte, vermijdende wel maar bang