De tekst in de kaders hoef je niet te leren. Bestudeer alleen het kader op blz. 17 over het cobra-effect.
3.1 Deel 1 (H1-3) uit Van Hamersveld & Voogt (2025) Vergeet niet ook de sheets over rouw goed te bestuderen. Toetsvragen over rouw zul je met de informatie op de sheets moeten
kunnen beantwoorden.
• Deel 2 (H4-6) uit Van Hamersveld & Voogt
(2025)
De stof uit het hoorcollege is een aanvulling op (bijv. model van Bronfenbrenner en ABC-model) en met name toepassing van de
3.2 • H4.6-H4.7 uit Brug et al. (2022) in de online
theorie uit de literatuur (bijv. gedragsbepalers en gedragsinzichten). Zorg dat je de belangrijkste begrippen kent.
reader
• H1 + H6 uit Bekkers et al. (2025)
• H2 uit Brug et al. (2022) in de online reader Ken de gezondheidsmaten, de toepassing van deze gezondheidsmaten en hoe de gezondheid binnen Nederland is gesteld, met
3.3 name voor de specifieke doelgroepen benoemd in het hoofdstuk.
• Het samenvattingsdocument GALA in de
online reader Je kunt de 7 doelen in het GALA en belangrijkste aandachtspunten per doel benoemen
De stof uit het hoorcollege is een aanvulling op (bijv. kenmerken van intiem terreur en voorbeelden van interventies) en met name
• Deel 3 (H7-12) uit Van Hamersveld & Voogt
toepassing van de theorie uit de literatuur (bijv. gedragstechnieken). Zorg dat je de belangrijkste begrippen kent.
3.4 (2025)
Vragen over prevalentie richten zich op stof die is behandeld in het hoorcollege en zal op hoofdlijnen zijn (niet 1, 2 of 3 procent, maar
• H3+H4 uit Bekkers et al. (2025)
bijv. 10, 20 of 40 procent); dit geldt ook voor de thema's van de andere hoorcolleges.
3.5 H4 en H5 uit Wiekens (2023) in de online reader Er kunnen toetsvragen komen over alle thema's in het hoofdstuk. Leer ook de boxen, tabellen en figuren met uitzondering van box 4.1
• H5 uit Bekkers et al. (2025) De stof uit het hoorcollege is een aanvulling op (bijv. koppeling SDG's aan thema's uit voorgaande hoorcolleges en info rondom
'eerste 1000 dagen') en met name toepassing van de theorie uit de literatuur. Zorg dat je de belangrijkste begrippen kent.
3.6
• Duurzame ontwikkelingsdoelstellingen (p.
95-175) in de online reader Qua SDG's: zorg dat je de 17 doelstellingen en de belangrijkste aandachtspunten per doel kunt benoemen.
,Module-indicatoren Weging Toetscriteria
1 Je kunt (gezondheids-)gedrag begrijpen en verklaren 4 criteria, 1a. Je toont aan inzicht te hebben in interne factoren (bijv. big life events en zaken die niet in de DSM staan
maar wel veel voorkomen zoals rouw, onzekerheid, eenzaamheid etc.) die gezondheid beïnvloeden
40% (20 vragen, evenredig
verdeeld over de centrale 1b. Je toont aan inzicht te hebben in externe factoren (bijv. armoede, geweld, problemen in de
thema's uit de leefomgeving, migratie, criminaliteit, radicalisering, culturele aspecten) die gezondheid beïnvloeden.
hoorcolleges)
1c. Je duidt interacties duiden tussen interne en externe factoren die gezondheid beïnvloeden.
1d. Je kunt gedragsmodellen selecteren en toepassen om gedrag te verklaren.
2 Je kunt ontrafelen hoe je gedragsverandering bereikt 3 criteria, 2a. Je toont aan inzicht te hebben in de gedragsbepalers waarop je invloed kunt uitoefenen om gedrag te
veranderen.
30% (15 vragen)
2b. Je toont aan inzicht te hebben in de gedragstechnieken waarmee je gedrag kunt veranderen.
2c. Je kunt gedragsmodellen selecteren en toepassen om gedrag te veranderen.
3 Je kunt toelichten hoe beleid (lokaal, landelijk en internationaal) 4 criteria, 3a. Je interpreteert onderzoeksgegevens over (gezondheids-)gedrag (bijv. prevalentie, incidentie, qaly en
rondom (gezondheids-)gedrag wordt bepaald. daly) die ten grondslag liggen aan beleidsvorming.
30% (15 vragen)
3b. Je kunt uitleggen hoe het zorgstelsel en het sociaal domein zijn geregeld.
3c. Je kunt landelijke en internationale ontwikkelingen relateren aan beleidsvorming.
3d. Je kunt de beleidscyclus toelichten.
,Samenvatting reader Goede Gezondheid & Welzijn 2026
H4.6-H4.7 uit Brug et al. (2022) in de online reader
4.6 Ecologische modellen
Ecologische modellen benadrukken dat gedrag niet alleen door persoonlijke factoren
wordt bepaald, maar door een samenspel van omgevingsinvloeden. Ze hebben vier
kernkenmerken:
1. Meerdere typen omgevingsinvloeden
• Sociaal-cultureel (familie, vrienden, collega’s)
• Fysiek (wijk, werkplek, inrichting)
• Economisch (kosten, inkomen)
• Politiek (beleid, regelgeving)
2. Meerdere niveaus van invloed
• Micro (directe leefomgeving)
• Macro (maatschappelijke structuren, beleid)
3. Interacties tussen typen en niveaus
Omgevingsfactoren werken niet los van elkaar, maar versterken of verzwakken elkaar. →
Gedrag ontstaat uit een complex samenspel.
4. Directe invloed van omgeving op gedrag
Gedrag kan veranderen zonder dat cognities veranderen. Voorbeelden:
• Kapotte lift → meer traplopen
• Onbewuste imitatie (behavioral mimicry)
4.6.1 Duale Systemen Modellen
Gedrag wordt gestuurd door twee systemen:
Reflectief systeem
• Bewust, beredeneerd, intentioneel
• Past bij sociaal-cognitieve modellen (attitude, intentie, norm)
Impulsief systeem
• Automatisch, onbewust, affectief
, • Gebaseerd op associaties en gewoonten
Gedrag ligt op een continuüm tussen deze twee systemen. Voorbeeldmodel: RIM –
Reflective Impulsive Model.
4.6.2 EnRG-raamwerk (Environmental Research framework for weight Gain
prevention): Een raamwerk dat inzichten uit ecologische modellen en duale systemen
combineert.
Belangrijkste elementen
• Gebaseerd op het ANGELO-model (vier typen omgeving × micro/macro): Het
ANGELO-model is een ecologisch raamwerk dat omgevingsinvloeden op gedrag
indeelt in vier typen (fysiek, sociaal-cultureel, economisch, politiek) en twee
niveaus (micro en macro). Het helpt om systematisch te analyseren hoe de
omgeving gedrag stimuleert of belemmert.
• Gedrag kan ontstaan via:
o Cognitieve route (reflectief)