★ KC Institutionalisering: een proces waarbij een complex van waarden en min of meer
geformaliseerde regels vastgelegd worden in standaard gedragspatronen, die het
gedrag van mensen en hun onderlinge relaties reguleren.
- De verzuilde samenleving: de samenleving opgedeeld in levensbeschouwelijke
groepen en sociaaleconomische groepen.
- Er waren 4 zuilen:
● Katholieke zuil
● Protestantse zuil
● Socialistische zuil
● Liberale zuil
→ Het leven speelde zich vooral af binnen de eigen zuil.
Het gezinsleven tussen de jaren 1920 en 1960:
- Tot de jaren 1960 bestond het kostwinnersgezin/bevelshuishouding:
● De vader was kostwinner.
● De moeder zorgde voor kinderen en het huis.
● Het kind hielp mee in het huishouden en werd opgevoed tot gehoorzaamheid.
- Wanneer een vrouw trouwde, moest zij stoppen met werken en stond onder wettelijk
gezag van haar echtgenoot. De macht van de man werd in dit geval als legitiem
beschouwd.
- De kerk en verenigingen waren in deze tijd een belangrijke socialisator.
_____
Voor- en nadelen van institutionalisering:
- Nadelen:
● We zijn als samenleving meer vanuit regels gaan redeneren.
● Steeds meer regels betekent steeds minder vrijheid.
- Voordelen:
● Het gedrag van mensen is voorspelbaar, al kennen we elkaar niet.
● We houden meer vrijheid over als we veel handelingen van onszelf en
anderen niet steeds opnieuw hoeven uit te vinden. Mensen weten hoe ze zich
moeten gedragen en wat van hen verwacht wordt → meer tijd en ruimte.
● Mensen gaan nadenken over achterliggende waarden en normen. Niet alleen
over hoe gehandeld moet worden, maar ook waartoe.
_____
★ KC Democratisering: proces van verandering van de machts- en
gezagsverhoudingen door grotere inspraak en medezeggenschap van degenen met
minder macht.
- Actief kiesrecht: recht om te stemmen.
- Passief kiesrecht: recht om gekozen te worden.
- Klassieke grondrechten: het beschermen van burgers tegen onderdrukking van de
overheid.
→ vrijheid van meningsuiting