Semester 1
Hoorcollege 1 11-09
Anatomie is de bouw. Fysiologie is de functie. Bouw en functie hangen
samen en dat noem je functionele anatomie.
Anatomische houding is een neutrale positie waarop iemand beschreven
wordt, zo kan er vergeleken worden. Kenmerken van de anatomische
houdingen zijn, rechtop staan, gezicht naar voren, ogen open, armen
langs het lichaam en handpalmen naar binnen en de voeten gespreide.
Lichaamsvlakken (afbeelding) belangrijk voor
vergelijken. Medische beeldvorming wordt in de richting
van alle beeldvlakken gemaakt. Als er voor deze
vlakken para staat ligt deze niet in het midden.
Plaatsaanduiding
Boven Suprior/craniaal Beneden Inferior/caudaal
Buiten Lateraal Binnen Mediaal
Ledenmaat hoog Proximaal Ledemaat laag Distaal
Voor Ventraal/ Achter Dorsaal/
anterior posterior
Rechts Dexter Links Sinister
Suprior/inferior en craniaal/caudaal hebben dezelfde betekenis, en kunnen
door elkaar gebruikt worden.
Flexie is wanneer de spier verkort wordt (buigen) en extensie is wanneer
de spier uitrekt (rekken). Antroflexie is naar voren en retroflexie is naar
achteren
,Op plekken waar kogelgewrichten zitten kunnen de spieren ook naar
binnen (endorotatie) en naar buiten bewegen (exorotatie) omdat de
spieren om hun as kunnen draaien.
Omhoog bewegen (abductie), omlaag bewegen (adductie).
Lichaamsregio's
De armen hangen in de schoudergordel en de benen hangen in de
bekkengordel.
Thorax- thoracaal
Abdomen- abdominaal
Cranium(caput)- cranicaal
Structuren in het lichaam
Nervus- zenuw (N)
Arterie- slagader (A)
Vene- ader (V)
Musculus- spier (M)
Epidemiologie: hoe vaak iets voor komt.
Hoorcollege 2 16-09
Medisch consult bestaat uit verschillende onderdelen. Er wordt begonnen
met de anamnese waarin je vragen stelt aan de hand van een protocol
genaamd;
ALECOBO
A: Aard, wat voor pijn is het.
L: Lokalisatie, waar komt de pijn vandaan
E: Ernst
C: Chronologie
O: Ontstaan
, B: Beïnvloeding
O: Opvatting patiënt
Je begint met open vragen stellen.
Aan de hand hiervan maak je een differentiaaldiagnose. Dat is een rijtje
met mogelijke diagnoses die de klachten verklaren.
Daarna worden er gericht vragen gesteld over de mogelijke diagnoses om
dingen uit te kunnen sluiten, dit zijn vaak gesloten vragen, dit heet de
speciele anamnese.
Daarna volgt de algemene anamnese, dit gaat over voorgeschiedenis,
medicatie, allergieën, intoxicaties en familieanamnese. Hierop volgen ook
vervolg vragen.
Soms volgt er een tractus anamnese, hierbij worden alle orgaanstelsel
besproken om mogelijke andere problemen aan het licht te brengen.
Na de anamnese wordt er een lichamelijk onderzoek uitgevoerd om
dingen meer of minder waarschijnlijk te maken. Dit begint al op het
moment dat je de patiënt voor het eerst ziet.
Lichamelijk onderzoek;
- Inspectie: kijken
- Auscultatie: luisteren
- Percussie: kloppen
- Palpatie: voelen
- Vitale parameters
De volgorde is op basis van de klachten en kan dus verschillen.
Aanvullend onderzoekt volgt na het lichamelijke onderzoek, en dit is
hypothese testend. Voorbeelden hiervan zijn bloedonderzoeken, urine en
je kunt beelden maken doormiddel van röntgen, MRI, CT en echo's.
Beeldvormend onderzoek
- Echografie/echoscopie: hoogfrequente geluidgolven
- Röntgen: röntgenstraling
- CT (computertomografie): Röntgenstraling
- MRI (Magnetic resonance imaging): magnestisch veld en
radiogolven
- Angiografie (contrast in bijv. bloedvaten, dan röntgenopnames)
- Doppler (hoogfrequentie geluidsgolven)
- Endoscopie: optische sonde (camera)
Functieonderzoek