, Oefentoets – alle antwoorden einde
20 open vragen
Hoofdstuk 1: Fundamenten en theoretische uitgangspunten
1. Leg uit hoe de integratie van behavioristische en cognitieve principes heeft geleid tot de
ontwikkeling van cognitieve gedragstherapie en analyseer de implicaties hiervan voor
behandeling.
2. Analyseer waarom een strikt protocolgerichte benadering tekort kan schieten bij complexe
problematiek en licht toe hoe geïntegreerde CGT hierop inspeelt.
3. Beschrijf de wederkerige relatie tussen cognities, emoties en gedrag en illustreer hoe deze
dynamiek psychische klachten kan onderhouden.
4. Vergelijk klassieke conditionering en operante conditionering en evalueer hun relatieve
bijdrage aan het ontstaan van angststoornissen.
5. Analyseer het belang van evidence-based werken binnen CGT en bespreek mogelijke
spanningen tussen wetenschappelijk bewijs en klinische praktijk.
Hoofdstuk 2: Cognitieve en emotionele processen
6. Maak onderscheid tussen automatische gedachten, tussenliggende overtuigingen en
kernopvattingen, en bespreek hun onderlinge samenhang.
7. Analyseer hoe cognitieve vertekeningen bijdragen aan het ontstaan en voortbestaan van
psychopathologie.
8. Leg uit hoe schema’s functioneren als filters in informatieverwerking en evalueer hun rol in
hardnekkige psychische problematiek.
9. Beschrijf de functies van emoties en analyseer wanneer en hoe deze functies disfunctioneel
worden.
10. Vergelijk adaptieve en maladaptieve emotieregulatiestrategieën en bespreek hun effect op
lange termijn functioneren.
Hoofdstuk 3: Diagnostiek en interventies
11. Beschrijf de stappen van een probleemanalyse en beargumenteer waarom contextualisering
essentieel is binnen diagnostiek.
12. Leg het S-R-C model uit en analyseer hoe een functieanalyse aanknopingspunten biedt voor
behandeling.
13. Analyseer het belang van casusconceptualisatie binnen geïntegreerde CGT en bespreek hoe
dit verschilt van classificerende diagnostiek.
14. Evalueer de effectiviteit van cognitieve herstructurering in vergelijking met
gedragsexperimenten.
15. Beschrijf het werkingsmechanisme van exposure en responspreventie en leg uit waarom
veiligheidsgedrag het leerproces belemmert.