Arts en pa*ënt 1
8/1
Inleiding Arts en Pa/ënt 1
• De meeste artsen zijn generalisten
• Hun pa2ënten hebben klachten die samenhangen met
o Biologische factoren (afwijkingen in organen, fysiologische waarden)
o Psychologische factoren (bezorgdheid, angst, persoonlijkheid)
o Sociale factoren (werk, rela2es)
• Deze pa2ënten hebben behoeCe aan een arts die aandacht heeC voor het samenspel
van die factoren en ondersteunt in hun algeheel func2oneren.
Ziek of niet? Het is niet zo eenduidig als het lijkt…
Als arts is het goed om je bewust te zijn van:
• Jouw eigen opvaLngen van ziekte en gezondheid
• Verschillende bestaande opvaLngen/theorieën over ziekte en gezondheid
Want… deze opvaLngen hebben invloed op hoe je handelt als arts.
Centraal staan de volgende vragen:
• Wat is de rela2e tussen lichaam en geest (en sociale context)? En wat kun je daar in
de spreekkamer mee?
• Hoe kun je ziekte en gezondheid definiëren?
• Hoe presenteren pa2ënten zich met een psychische aandoening?
• Wanneer is dan sprake van een psychiatrische stoornis?
Man/vrouw, het kleine verschil en de grote gevolgen (diversiteit)
Diversiteit: verschillende verschillen maar vergelijkbare mechanismen
Met sekse/sex benoem je de biologische kenmerken van vrouwen en mannen, meisjes en
jongens.
• Reproduc2eve organen en func2es gebaseerd op chromosomen, fysiologie
• Classifica2e van levende wezens als mannelijk, vrouwelijk en intersex
• 3G-gender: genen, gonaden (hormonen), genitalia (geslachtsorganen)
Gender = sociaal-cultureel proces
• Culturele waarden en aLtudes die ‘feminien’ en ‘masculien’ gedrag vorm geven en
voorschrijven
• Beïnvloedt kennis
• Aannames vaak niet bekri2seerd
,Verschil gender en genderiden2teit
• Gender is niet je biologische, maar je sociale geslacht
• ‘Man’ en ‘vrouw’ worden veelal als binaire gender gepresenteerd. Alles daarbuiten
noemen we non-binair.
• Genderiden2teit = hoe je je voelt: een meisje, een jongen, allebei, geen van beide of
nog iets anders
• Genderexpressie = hoe je jezelf toont aan de buitenwereld
• Genderdiversiteit als overkoepelende term
Gendertheorie
• Gender order – categoriseren van de wereld in mannelijk/vrouwelijk
• Man – vrouw
o Wederzijds uitsluitend
o Hiërarchisch, statusverschil
• Gender socialisa2e
o Ontwikkeling van een mannelijke/masculiene of vrouwelijke/feminiene
iden2teit door het internaliseren van rollen, taken, en kenmerken gebaseerd
op ‘labels’ in een gegeven context en 2jd
o Sociale leertheorieën bijv. door belonen en straffen, bekrach2ging, imita2e,
mo2va2e
Vrouwelijke genderrol: verbondenheid Mannelijke genderrol: autonomie
Zorgen voor de ander Zelf bepalen wat goed voor je is
Door anderen erkend, gezien worden Zel`andhaving
Ergens bij horen (gezin, rela2e) Uniek zijn
Nodig zijn in andermans leven Ona`ankelijkheid
Anderen helpen, inleven Situa2es beheersen, wedijveren
Gevoelig voor anderen Domineren
internaliseren Doelgericht
Zijn-in-rela2e Externaliseren
Zijn-in-zichzelf
Te sterke verbondenheid --> symbiose
• Moeite in het onderscheiden van eigen behoeCen en die van de ander
• Zorg minder goed los kunnen laten (compulsieve sensiviteit)
• Moeite met grenzen stellen
• Coping: piekeren, sociale steun zoeken, probleemgericht
Te sterke autonomie --> isolement
• Basisgevoel van isolement
• Alles alleen doen
• Moeilijk kunnen praten, gevoelens delen
• Moeilijk kwetsbaar opstellen
• Geen zorg kunnen vragen, marginaliseren
• Coping: ontkennen, afleiding, oplossingsgericht
, Gender bias – ‘vooringenomenheid’
• Gender bias in geneeskunde en gezondheidszorg
o Relevante sekse en genderverschillen onvoldoende geadresseerd
o Verschillen benadrukt wanneer deze minimaal/niet aanwezig zijn
• Sekse en gender voorbij reproduc2eve gezondheidszorg
Sekse/sex en gender niet zo eenvoudig uit elkaar te trekken in geneeskunde. Voortdurende
interac2e, dynamisch over 2jd en plaats. ‘Gekleurd’ door andere aspecten van verschil zoals;
• LeeCijd
• Culturele achtergrond
• Seksuele geaardheid
• (Dis)ability
• Klasse, opleiding
Intersec2onaliteit = de samenhang van iden2teiten
Diversiteitsbewuste zorg; cultureel perspec2ef: het frame en de lens
• Frame = diversiteit
• Lens = persoonlijke, unieke, individuele ervaring en geschiedenis
Sekse/sex en (gevolgen voor) gezondheid…
• HVZ: vrouwen zijn gemiddeld 10 jr. later met de eerste kenmerken van HVZ, dat
verandert na de menopauze.
• Auto-immuunziekten: grote prevalen2e verschillen tussen man/vrouw, vaak door
hormonale verschillen
• Seksegebonden aandoeningen van de reproduc2eve organen (borstkanker,
baarmoederhalskanker, etc.)
• Prevalen2everschillen belangrijk voor a-priori risico-inschaLng!
Sekse/sex, gender en gezondheid…
• Mentale gezondheid (eetstoornis, angststoornis, depressie, suïcide)
• Risicogedrag (autogordels, alcohol-/middelenmisbruik, slaapmiddelen)
• Ziektebeleving (symptoompercep2e)
• Leefs2jl (roken, voeding, diëten, sport en bewegen)
• Levensverwach2ng
• Zorggebruik (hulp zoeken, toegang tot gezondheidszorg, communica2es2jlen)
• Werk (soorten arbeid, blootstelling)
Consequen2es voor het zorgproces
• Diagnos2ek (risicoprofiel, aard/ernst van de klacht, betekenis voor de pa2ënt,
verhelderen van de hulpvraag)
• Beloop (mogelijke sekseverschillen bijv. door zwangerschap, genderschillen)
• Behandeling (sekseverschillen en farmacotherapie, adherence (je houden aan
doktersadvies), gezondheidsvaardigheden, eigen regie/empowerment)
• Consequen2es van ziekte (gevolgen voor het leven, gevolgen voor het sociale
systeem)
8/1
Inleiding Arts en Pa/ënt 1
• De meeste artsen zijn generalisten
• Hun pa2ënten hebben klachten die samenhangen met
o Biologische factoren (afwijkingen in organen, fysiologische waarden)
o Psychologische factoren (bezorgdheid, angst, persoonlijkheid)
o Sociale factoren (werk, rela2es)
• Deze pa2ënten hebben behoeCe aan een arts die aandacht heeC voor het samenspel
van die factoren en ondersteunt in hun algeheel func2oneren.
Ziek of niet? Het is niet zo eenduidig als het lijkt…
Als arts is het goed om je bewust te zijn van:
• Jouw eigen opvaLngen van ziekte en gezondheid
• Verschillende bestaande opvaLngen/theorieën over ziekte en gezondheid
Want… deze opvaLngen hebben invloed op hoe je handelt als arts.
Centraal staan de volgende vragen:
• Wat is de rela2e tussen lichaam en geest (en sociale context)? En wat kun je daar in
de spreekkamer mee?
• Hoe kun je ziekte en gezondheid definiëren?
• Hoe presenteren pa2ënten zich met een psychische aandoening?
• Wanneer is dan sprake van een psychiatrische stoornis?
Man/vrouw, het kleine verschil en de grote gevolgen (diversiteit)
Diversiteit: verschillende verschillen maar vergelijkbare mechanismen
Met sekse/sex benoem je de biologische kenmerken van vrouwen en mannen, meisjes en
jongens.
• Reproduc2eve organen en func2es gebaseerd op chromosomen, fysiologie
• Classifica2e van levende wezens als mannelijk, vrouwelijk en intersex
• 3G-gender: genen, gonaden (hormonen), genitalia (geslachtsorganen)
Gender = sociaal-cultureel proces
• Culturele waarden en aLtudes die ‘feminien’ en ‘masculien’ gedrag vorm geven en
voorschrijven
• Beïnvloedt kennis
• Aannames vaak niet bekri2seerd
,Verschil gender en genderiden2teit
• Gender is niet je biologische, maar je sociale geslacht
• ‘Man’ en ‘vrouw’ worden veelal als binaire gender gepresenteerd. Alles daarbuiten
noemen we non-binair.
• Genderiden2teit = hoe je je voelt: een meisje, een jongen, allebei, geen van beide of
nog iets anders
• Genderexpressie = hoe je jezelf toont aan de buitenwereld
• Genderdiversiteit als overkoepelende term
Gendertheorie
• Gender order – categoriseren van de wereld in mannelijk/vrouwelijk
• Man – vrouw
o Wederzijds uitsluitend
o Hiërarchisch, statusverschil
• Gender socialisa2e
o Ontwikkeling van een mannelijke/masculiene of vrouwelijke/feminiene
iden2teit door het internaliseren van rollen, taken, en kenmerken gebaseerd
op ‘labels’ in een gegeven context en 2jd
o Sociale leertheorieën bijv. door belonen en straffen, bekrach2ging, imita2e,
mo2va2e
Vrouwelijke genderrol: verbondenheid Mannelijke genderrol: autonomie
Zorgen voor de ander Zelf bepalen wat goed voor je is
Door anderen erkend, gezien worden Zel`andhaving
Ergens bij horen (gezin, rela2e) Uniek zijn
Nodig zijn in andermans leven Ona`ankelijkheid
Anderen helpen, inleven Situa2es beheersen, wedijveren
Gevoelig voor anderen Domineren
internaliseren Doelgericht
Zijn-in-rela2e Externaliseren
Zijn-in-zichzelf
Te sterke verbondenheid --> symbiose
• Moeite in het onderscheiden van eigen behoeCen en die van de ander
• Zorg minder goed los kunnen laten (compulsieve sensiviteit)
• Moeite met grenzen stellen
• Coping: piekeren, sociale steun zoeken, probleemgericht
Te sterke autonomie --> isolement
• Basisgevoel van isolement
• Alles alleen doen
• Moeilijk kunnen praten, gevoelens delen
• Moeilijk kwetsbaar opstellen
• Geen zorg kunnen vragen, marginaliseren
• Coping: ontkennen, afleiding, oplossingsgericht
, Gender bias – ‘vooringenomenheid’
• Gender bias in geneeskunde en gezondheidszorg
o Relevante sekse en genderverschillen onvoldoende geadresseerd
o Verschillen benadrukt wanneer deze minimaal/niet aanwezig zijn
• Sekse en gender voorbij reproduc2eve gezondheidszorg
Sekse/sex en gender niet zo eenvoudig uit elkaar te trekken in geneeskunde. Voortdurende
interac2e, dynamisch over 2jd en plaats. ‘Gekleurd’ door andere aspecten van verschil zoals;
• LeeCijd
• Culturele achtergrond
• Seksuele geaardheid
• (Dis)ability
• Klasse, opleiding
Intersec2onaliteit = de samenhang van iden2teiten
Diversiteitsbewuste zorg; cultureel perspec2ef: het frame en de lens
• Frame = diversiteit
• Lens = persoonlijke, unieke, individuele ervaring en geschiedenis
Sekse/sex en (gevolgen voor) gezondheid…
• HVZ: vrouwen zijn gemiddeld 10 jr. later met de eerste kenmerken van HVZ, dat
verandert na de menopauze.
• Auto-immuunziekten: grote prevalen2e verschillen tussen man/vrouw, vaak door
hormonale verschillen
• Seksegebonden aandoeningen van de reproduc2eve organen (borstkanker,
baarmoederhalskanker, etc.)
• Prevalen2everschillen belangrijk voor a-priori risico-inschaLng!
Sekse/sex, gender en gezondheid…
• Mentale gezondheid (eetstoornis, angststoornis, depressie, suïcide)
• Risicogedrag (autogordels, alcohol-/middelenmisbruik, slaapmiddelen)
• Ziektebeleving (symptoompercep2e)
• Leefs2jl (roken, voeding, diëten, sport en bewegen)
• Levensverwach2ng
• Zorggebruik (hulp zoeken, toegang tot gezondheidszorg, communica2es2jlen)
• Werk (soorten arbeid, blootstelling)
Consequen2es voor het zorgproces
• Diagnos2ek (risicoprofiel, aard/ernst van de klacht, betekenis voor de pa2ënt,
verhelderen van de hulpvraag)
• Beloop (mogelijke sekseverschillen bijv. door zwangerschap, genderschillen)
• Behandeling (sekseverschillen en farmacotherapie, adherence (je houden aan
doktersadvies), gezondheidsvaardigheden, eigen regie/empowerment)
• Consequen2es van ziekte (gevolgen voor het leven, gevolgen voor het sociale
systeem)