Week 1
Post traumatic stress disorder, DSM-V
PTSS ontstaat na blootstelling aan een traumatische gebeurtenis en wordt
gekenmerkt door intrusies, vermijding, negatieve veranderingen in cognities en
stemming en verhoogde arousal, langer dan één maand en met duidelijke lijden
druk of beperkingen.
Er zijn subtypen:
- Met dissociatieve symptonen (depersonalisatie en/of derealisatie)
- Met vertraagde expressie
PTSD-criteria volwassenen/adolescenten (> 6 jaar)
A. Stressor/blootstelling
Minimaal één vorm van blootstelling aan feitelijke of dreigende dood, ernstig
letsel of seksueel geweld:
Direct meemaken
Als getuige
Via nauwe naasten
Herhaalde blootstelling aan gruwelijke details (bijv. hulpverleners).
Niet enkel via media, tenzij werk gerelateerd.
B. Instrusies (>1)
Opdringerige herinneringen
Nachtmerries
Flashbacks/ dissociatieve reacties
Psychische nood bij triggers
Lichamelijke reactie bij triggers
C. Vermijding (>1)
Vermijden van:
Interne cues (gedachten, gevoelens, herinneringen) óf
Externe cues (mensen, plaatsen, activiteiten, gesprekken, situaties) die
aan het trauma doen denken.
D. Negatieve cognitie/stemming (≥2)
Voorbeelden:
Amnesie voor belangrijke delen van het trauma
Overdreven negatieve overtuigingen over zichzelf, anderen of de wereld
Scheve attributies (schuld/blame)
Aanhoudend negatieve emoties
Minder interesse in activiteiten
,Mental Health samenvatting
Zich vervreemd voelen
Minder positieve emoties
E. Arousal/reactiviteit (≥2)
Prikkelbaarheid en woede-uitbarstingen
Roekeloos of zelfdestructief gedrag
Hypervigilantie
Verhoogde schrikreactie
Concentratieproblemen
Slaapproblemen
F. H. Duur, lijdensdruk, exclusie
Symptomen B–E duren >1 maand
Veroorzaken klinisch significante beperkingen in sociaal/beroepsmatig
functioneren
Niet beter verklaard door middelengebruik of somatische aandoening
Met dissociatieve symptomen
Duidelijke depersonalisatie en/of derealisatie bovenop de “gewone” PTSS-
symptomen
Met vertraagde expressie
Volledige set criteria pas ≥6 maanden na het trauma vervuld
Sommige symptomen kunnen wel eerder beginnen
Kinderen ≤6 jaar – wat is anders?
Zelfde kern: trauma-blootstelling, intrusies, vermijding/negatieve cognitie
en verhoogde arousal, maar aangepast aan ontwikkelingsniveau
Intrusies en herbeleving lopen vaker via spel (trauma-specifieke
reenactment) en dromen waarbij de link met het trauma niet altijd
duidelijk is
Vermijding/negatieve cognitie is samengevoegd: minimaal één symptoom
uit deze cluster is genoeg (bijv. vermijding van
activiteiten/plaatsen/mensen, meer negatieve emoties, minder
spel/interesse, sociaal terugtrekgedrag, minder positieve affect)
Functionele beperking wordt vooral omschreven in relaties met
ouders/peers en schoolgedrag
,Mental Health samenvatting
Compact overzicht volwassenen vs. jonge kinderen
>6 jaar ≤6 jaar (jonge
Aspect
(volwassenen/adolescenten) kinderen)
Direct, getuige (vooral
Direct, getuige, via naaste,
Blootstelling (A) caregivers), trauma bij
herhaalde details
ouder
Herinneringen, dromen, Idem, maar veel via
Intrusies (B) flashbacks, distress, fysiologische spel/dromen met
reacties onduidelijke inhoud
Gecombineerd met
Vermijding Eigen cluster C (≥1 symptoom) negatieve cognitie; ≥1
symptoom totaal
Negatieve Simpler set: meer
cognitie/stemmin Eigen cluster D (≥2 symptomen) negatieve emoties, minder
g spel, sociaal terugtrekken
≥2 symptomen (irritatie,
Arousal/ Zelfde kernsymptomen,
roekeloosheid, hypervigilantie,
reactiviteit (E) inclusief heftige driftbuien
etc.)
Duur >1 maand >1 maand
Functionele Relaties met ouders/peers
Sociaal, werk, andere domeinen
beperking en schoolgedrag
Dissociatief subtype, vertraagde Zelfde specifiers
Specifiers
expressie beschreven
Diagnostic features
PTSS wordt gekenmerkt door het ontstaan van herbeleving, vermijding,
negatieve cognities/stemming en verhoogde arousal na één of meer
traumatische gebeurtenissen, waarbij de emotionele reactie (angst,
hulpeloosheid, horror) niet langer onderdeel is van Criterion A. Presentaties
variëren: bij sommige patiënten staat een angstig herbelevingsbeeld centraal, bij
anderen vooral anhedonie/somberheid, externaliserend/arousal-gedrag of juist
een beeld waarin dissociatieve symptomen overheersen, of combinaties daarvan.
Associated features supporting diagnosis
Bij kinderen kan ontwikkelingsregressie optreden, zoals verlies van taal of eerder
verworven vaardigheden. Er kunnen auditieve pseudohallucinaties en paranoïde
ideeën voorkomen, en na langdurige ernstige trauma’s (bijv. chronische
kindermishandeling, marteling) zie je vaak problemen in emotieregulatie,
interpersoonlijke relaties en uitgesproken dissociatie, soms met overlap met rouw
na gewelddadig verlies.
, Mental Health samenvatting
Prevalence
In de VS is de geschatte lifetime-kans op PTSS (DSM-IV-criteria) ongeveer 8,7%,
met een 12-maandsprevalentie rond 3,5%. In veel Europese, Aziatische,
Afrikaanse en Latijns-Amerikaanse landen liggen de prevalenties lager (ongeveer
0,5–1%). De kans op PTSS is sterk verhoogd bij groepen met hoge
traumablootstelling, zoals militairen, politie, brandweer en medische
hulpdiensten, en het hoogst bij overlevenden van verkrachting,
gevechtshandelingen, gevangenschap en etnische/politieke vervolging. Bij
kinderen, adolescenten en oudere volwassenen worden vaak lagere “full-
threshold” prevalenties gevonden, terwijl subthreshold-beelden in de latere
levensfase relatief vaak voorkomen en klinisch relevant zijn.
Full-treshold PTSS = alle criteria gehaald > officieel diagnose
Subtreshold PTSS = wel duidelijke PTSS-klachten, maar net niet genoeg
symptonen of niet precies de juiste combinatie om de DSM-diagnose te krijgen.
Development and course
PTSS kan op elke leeftijd na het eerste levensjaar ontstaan. Symptomen beginnen
meestal binnen drie maanden na het trauma, maar volledige criteria kunnen ook
pas na maanden of jaren worden bereikt (“delayed expression”). Ongeveer de
helft van de volwassenen herstelt binnen drie maanden, terwijl anderen jarenlang
of zelfs decennialang symptomatisch blijven, met recidieven bij nieuwe
stressoren of trauma-gerelateerde cues. De uitingsvorm verschilt per leeftijd:
jonge kinderen herbeleven eerder via spel en niet altijd met zichtbare angst,
adolescenten vertonen vaker schaamte, een negatief zelfbeeld en risicogedrag,
en bij ouderen zie je relatief minder hyperarousal maar wel duidelijke
beperkingen in functioneren en gezondheid.
Risk and prognostic factors
Pretraumatische risicofactoren zijn onder meer vroegkinderlijke emotionele
problemen of eerdere trauma’s, bestaande psychiatrische stoornissen, lage SES,
lage opleiding/intelligentie, jeugdadversiteit, familiepsychiatrie, vrouwelijke sekse
en jongere leeftijd bij trauma, terwijl sociale steun beschermend werkt. Tijdens en
vlak na het trauma verhogen ernst en duur van het trauma, levensgevaar,
lichamelijk letsel, interpersoonlijk geweld (vooral door een verzorger) en
peritraumatische dissociatie de kans op PTSS. Posttraumatisch spelen negatieve
appraisals, ineffectieve coping, acute stressstoornis, herhaalde traumatische
herinneringen, bijkomende stressvolle gebeurtenissen en verlies, én gebrek aan
sociale steun een belangrijke rol in het in stand houden of verergeren van PTSS.
Peritraumatische betekent: tijdens het trauma of direct eromheen.
Pretraumatisch = vóór het trauma, posttraumatisch = na het trauma.
Culture-related dianostic issues