Leerdoelen..................................................................................................................................2
Begrippenlijst............................................................................................................................6
Mondelinge taalvaardigheid en NT2:.....................................................................................7
Woordenschat.........................................................................................................................8
Stellen (schrijfvaardigheid)....................................................................................................9
Taalbeschouwing..................................................................................................................10
Spelling.................................................................................................................................11
Theorieën.................................................................................................................................12
Creatieve constructietheorie/Nativisme................................................................................12
Interactionele benadering.....................................................................................................12
Samenvatting...........................................................................................................................13
Taalbeschouwing..................................................................................................................13
Spelling (Orthografie)..........................................................................................................14
Stellen...................................................................................................................................15
Taalverwerving.....................................................................................................................15
Mondelinge taalontwikkeling................................................................................................16
Woordenschat.......................................................................................................................18
Oefenvragen.............................................................................................................................19
Antwoorden...........................................................................................................................22
LEERDOELEN
, Mondelinge taalvaardigheid en NT2
- De student kan in een taal gebruikte situatie aangeven of een kind zijn taal leert ten
aanzien van semantische, fonologische, morfologische, syntactische en pragmatische
aspecten.
- De student kent twee verschillende theorieën over taalverwerving: creatieve
constructietheorie en interactionele benadering.
- De student kent de taalontwikkeling fasen en hun kenmerken.
- De student kan aangeven in welke fasen de prelinguale fase van de taalontwikkeling
verloopt.
- De student kan aangeven in welke fasen de linguale fase van de taalontwikkeling
verloopt.
- De student kan in taaluitingen van kinderen deze taalontwikkelingsfasen herkennen.
- De student kent de verschillen tussen eerste- en tweedetaalverwerving met het oog
op de factoren taalkennis en tijd.
- De student kent de begrippen simultane en successieve tweetaligheid.
- De student kent het begrip interventiefout.
- De student kan in een taalgebruikssituatie aangeven of er sprake is van
interferentiefouten.
- De student kan aangeven welke luisterstrategie geschrikt is om een bepaald
luisterdoel te realiseren.
- De student kent de spreekdoelen amuseren, informeren, instrueren en overtuigen.
- De student kan in een taalgebruikssituatie aangeven welke doelen een spreker
hanteert.
- De student weet dat bij mondeling presenteren de volgende stappen worden
genomen: oriënteren op de inhoud, doel en publiek bepalen, plannen, presenteren,
reflecteren op doel en inhoud.
- De student weet welke factoren van invloed zijn op de taalverwerving.
- De student kent de taalgoeimiddelen en het gebruik daarvan.
Woordenschat:
- De student kent het verschil tussen woordenschatuitbreiding in de breedte en in de
diepte.
- De student kan voorbeelden van woordenschatuitbreiding door diepe woordkennis
herkennen in een praktijkvoorbeeld.
- De student kent het verschil tussen receptieve en productieve woordkennis wat
betreft aard en omvang.
- De student kan receptieve en productieve woordkennis herkennen in een
praktijkvoorbeeld.
- De student kent de relatie tussen woordleer strategieën en principes van
woordenschatverwerving.
- De student kent vier strategieën om de woordbetekenis te achterhalen.
- De student kent drie strategieën om de woordkennis te onthouden.
- De student herkent in taalleersituaties de gebruikte woordleerstrategieën.
- De student kent de begrippen ‘label’ en ‘concept’ en de relatie tussen die twee
begrippen.
- De student weet dat woordbetekenis is opgebouwd uit betekenisaspecten.