Week 1
Legaliteit – interpretatie – demonstratierecht
359 lid 2 Sv
Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt
Rechter oordeelt en redeneert mede op basis van onderbouwde standpunten voortgebracht
door ovj en advocaat in strafzaken. Wat zijn dat?
Wet legt niet uit wat uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inhoudt, ook
wetsgeschiedenis zwijgt. HR legt nader uit: standpunt innemen en onderbouwen met
argumenten – zonder argumenten geen ‘uos’ i.d.z.v de wet. Duidelijke juridische
conclusie trekken voordat rechter verplicht is om op de uitdrukkelijk onderbouwde
standpunten te reageren als hij ze afwijst. Moet een juridisch argument zijn – geen
meningen.
Legaliteit
Theorie van Beccaria, 18e eeuw.
Eerste moderne strafrechttheorie. Hij stelde dat er voor burgers duidelijk begrijpbare wetten
moeten zijn die burgers kunnen lezen en begrijpen a.d.h.v. de wetstekst. Uitzonderlijk: in die
tijd geen duidelijke wetgeving of wetboeken. Wel verordeningen en rechterlijke uitspraken,
maar geen modern strafrechtsysteem. Geen duidelijke regels rondom wat strafbaar was en
niet, voor het eerst kwam dit naar voren in theorie van Beccaria.
- O.a. opschrijven van duidelijke straffen zodat burgers weten wat strafbaar is en niet.
Hij was effectiviteitsdenker: wetgeving duidelijk dan kunnen burgers zich daaraan houden,
zo niet dan onduidelijk wanneer je als burger de wet overtreedt, wat onwenselijk is.
Het legaliteitsbeginsel
Artikel 1 SR en 16 Gw
Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.
- Let op: moet een formeel wettelijke strafbepaling zijn – door NL wetgever
aangenomen.
- Kan zijn dat bij formele wet (gemeentewet bijv.) aan een ander orgaan de
bevoegdheid is overgedragen om op bepaalde overtredingen straffen te stellen, zoals
bijv. wildplassen o.i.d.
A.d.h.v. wettelijke bepaling moet het kenbaar zijn dat bepaalde gedragingen strafbaar
zijn. En voorzienbaar dat bepaalde gedraging onder de verboden wettelijke bepaling
zou kunnen vallen.
Evt. ook verduidelijking via rechterlijke uitspraken – in eerste instantie is het aan de
wetgever om gedragingen strafbaar te stellen, als actie vanuit wetgever uitblijft dan
kan de rechter normerend optreden en bepaalde gedragingen – in hc vb. over
stealthing – strafbaar stellen. Nu niet meer nodig want nieuwe wet, maar onder oude
wet had dat gekund.
Legaliteitsbeginsel staat ook in artikel 7 EVRM.
- Het beginsel is hetzelfde: duidelijke wetgeving is vereist.
EVRM echter ruimer geformuleerd en kent uitzonderingen die NL strafbepaling
niet kent.
Verschil:
, Hoorcolleges materieel strafrecht
Volgens 7 EVRM kan internationaal recht strafbepalingen bevatten – 1 Sr stelt dat
strafbepaling alleen via NL formele wetgever gaat.
- Dus: wordt er op internationaal gebied een verordening of verdrag gemaakt dat
strafbepalingen bevat (bijv. internationale fraude) dan moeten die bepalingen o.g.v.
artikel 1 Sr omgezet worden in nationaal recht.
Ook heeft het EVRM het over nationaal/internationaal ‘recht’, wat ruimer is dan wet in
formele zin.
- ‘Recht’ is ook rechtspraak (omdat Engels common law, gedragingen zijn strafbaar
wegens rechterlijke precedenten). EVRM heeft common law niet willen uitsluiten,
bepaalde gedragingen waren strafbaar via rechterlijke precedenten en niet bij wet,
en dus kon het in het EVRM niet gaan om ‘wet’ o.i.d.
- Zolang de wetgeving maar kenbaar is, dan is het voor EVRM voldoende.
Kenbaarheidsvereiste is daar dan aan voldaan (rechtspraak vereiste van EHRM). Ook
moet er duidelijkheid zijn in welke zin a.d.h.v. precedenten strafbaar is, wat en
wanneer bijv. diefstal strafbaar is.
- Hetzelfde geldt voor wetten in formele zinnen. Let ook daarbij op dat de wettelijke
bepaling duidelijk moet zijn, te vaag geformuleerde bepalingen leveren strijd met het
legaliteitsbeginsel op, zoals ‘verbod op onfatsoenlijk gedrag’. Dit is het
voorzienbaarheidsvereiste van EVRM.
Artikel 7 lid 2 EVRM maakt een uitzondering:
Aan gedragingen die niet naar nationaal/internationaal recht (precedenten, wettelijke
regelingen, verdragen) strafbaar zijn gesteld maar volgens de algemene rechtsbeginselen
van beschaafde volkeren als misdrijf wordt gezien staat berechting niet in de weg.
Zie hier ook de Nuremberg-trials. Daarin werden Nazi kopstukken terechtgesteld op basis
van een verdrag dat werd gesloten pas na hun daden. Daarin stond een artikel dat
oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid met terugwerkende kracht strafbaar
gesteld werden.
- In artikel 7(2) EVRM werd later (1950) neergelegd dat bepaalde gedragingen achteraf
strafbaar gesteld kunnen worden in een verdrag omdat het misdrijven zijn die door
algemene rechtsbeginselen door de beschaafde volkeren worden erkend.
Ook de Nederlandse wetgever deed dit vanuit Engeland in 1943 via het Buitengewoon
besluit strafrecht, waarin in artikel 3 BBS het strafrechtelijke legaliteitsbeginsel buiten
werking gesteld werd – waaronder in artikel 27a BBS strafbaarstelling met terugwerkende
kracht werd toegestaan wat betreft oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid
tijdens de oorlog gepleegd.
Belangrijk:
De rechtvaardiging van die strafbaarstelling met terugwerkende kracht van oorlogsmisdaden
en misdaden tegen de menselijkheid in oorlog werd neergelegd in artikel 7(2) EVRM. Zie die
link.
- Let op: ook 7(2) EVRM zelf had werking/ rechtvaardiging met terugwerkende kracht,
want gedurende de oorlog of het Nuremberg-proces bestond het artikel nog
helemaal niet. Er kwam dus achteraf een verdrag dat hun vervolging toentertijd
rechtvaardigde.
, Hoorcolleges materieel strafrecht
- Maar: de algemene rechtsbeginselen door beschaafde volken erkend bestond toen
natuurlijk wel – Nazi’s wisten zeker dat wat zij deden in strijd was met
mensenrechten en misdaden pleegden. Overduidelijk dat dit volgens algemene
beschaafde beginselen verboden was.
Interpretatiemethoden
Bijv. het legaliteitsbeginsel is neergelegd in wetgeving – en wetgeving moet duidelijk zijn
zodat men weet wat zij wel en niet mogen doen, en wat de overheid wel en niet tegen
burgers mag doen (behoudens net gegeven voorbeeld van internationale misdrijven in strijd
met algemene rechtsbeginselen).
Ook de wet kan onduidelijk zijn – onmogelijk om wettelijke bepaling te formuleren die in elk
geval eenduidig is. Duidelijkheid in wetgeving is een probleem.
Een rechter kan de wet a.d.h.v. verschillende interpretatiemethoden uitleggen:
- Grammaticale methode
Denk aan vb. uitdrukkelijk onderbouwde standpunt: HR stelt dat in dit geval de
wet dit niet duidelijk maakte. In andere gevallen maakt de wet dit natuurlijk wel
duidelijk.
- Wetshistorische methode
Zoeken in parlementaire geschiedenis en kamerstukken bij de wet. Memorie van
Toelichting en debatten.
- Wetssystematische methode
Vergelijken van verschillende wetsbepalingen
- Teleologische methode
Wetsartikel wordt uitgelegd a.d.h.v. het doel, de strekking of de maatschappelijke
functie van de regel. HR heeft eigen methode niet verantwoord, maar 359(2) Sv
lijkt de HR een teleologische interpretatiemethode gebruikt te hebben.
Elektriciteit-arrest
RV: was er sprake van het wegnemen van een goed.
Arrest van belang door goede voorbeeld van een teleologische interpretatie van de wet, HR
moest besluiten of elektriciteit ook als ‘goed’ gezien kon worden. HR gebruikte een klassiek
teleologisch argument dat elektriciteit een bepaalde economische waarde
vertegenwoordigd. Dat is belangrijkste argument om te bepalen dat het een goed is i.d.z.v
artikel 310 Sr. Want, 310 heeft tot doel het beschermen van iemands vermogen tegen
inbreuken daarop.
Runescape-arrest
RV: waren voorwerpen in het spel ‘goederen’?
HR betoogde hetzelfde als bij het elektriciteit-arrest, behalve dat de goederen in het spel
geen economische waarde vertegenwoordigen (want het is niet koopbaar van de
spelaanbieder), maar HR stelde dat het wél een spelwaarde heeft. En dus beschermde
artikel 310 Sr ook tegen de spelbelangen – en dus niet slechts tegen goederen met
economische waarde.
Demonstratierecht in de Grondwet
, Hoorcolleges materieel strafrecht
Het demonstratierecht kan soms op gespannen voet staan met mensenrechten en het
ingrijpen door de overheid.
Demonstratierecht vastgelegd in artikel 9 Gw:
- 2 belangrijke bepalingen:
Lid 1: recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders
verantwoordelijkheid volgens de wet.
Oftewel, ook tijdens een betoging dient men zich aan de strafwet te houden.
Tijdens demonstratie wetsbepaling strafrecht overtreden kan tot vervolging leiden.
Lid 2: de wet (wet openbare manifestaties) kan regels stellen ter bescherming
gezondheid, in belang v.h. verkeer en ter bestrijding of voorkoming wanordelijkheden
Burgemeester krijgt o.g.v. deze wet bevoegdheden – maar alleen uit te oefenen
op basis van bepaalde gronden, die in 9(2) Gw opgesomd staan.
In dezelfde wet staan in artikel 11 opgesomd wat voor gedragingen strafbaar
gesteld worden. Denk aan het niet kennisgeven van een demonstratie, negeren van
bevelen van de burgemeester als het uit elkaar gaan of het niet aan een bepaald
gebied houden.
Als er gedemonstreerd wordt, bijv. zoals toen op de UvA, dan hebben betogers
zich te houden aan de strafwet. Doen ze dat niet, ze plegen lokaalvredebreuk en
richten vernielingen aan, dan zijn zij op basis van artikel 9(1) Gw strafbaar.
Maar stel betogers blijven buiten staan en zorgen voor hinder, niet hinder als een
strafbaar feit in de strafwet, dan bezit de burgemeester op basis van wet openbare
orde bepaalde bevoegdheden om ervoor te zorgen dat die hinder opgelost en
weggenomen moet worden. Ter voorkoming van wanordelijkheden – zie artikel 2
Wom.
EVRM: recht op vrijheid van vergadering en vereniging
Artikel 11 EVRM
- Lid 1: iedereen heeft recht op vrijheid van vreedzame vergadering. EVRM biedt alleen
bescherming aan demonstrant als die vreedzaam demonstreert, bij geweldspleging
valt die bescherming weg.
Maar ook bij vreedzame demonstraties kunnen er regels gesteld worden, zie artikel
11(2) EVRM:
Moet bij wet zijn voorzien, de beperkingsclausule van het demonstratierecht. (Zie
belang legaliteitsbeginsel). Bij wet dus worden geregeld dat bepaalde gedragingen
niet zijn toegestaan bij een demonstratie. Dat maatregel wordt genomen moet
noodzakelijk zijn in een democratische samenleving. De noodzaak moet
samenhangen met allerlei gronden, bijv. belang nationale veiligheid, voorkomen
wanordelijkheden en strafbare feiten, bescherming gezondheid e.d. (zie 11(2)
EVRM).
Let op:
EVRM bevat vaak beperkingsclausules. Recht op vreedzame demonstratie, maar in lid 2 wel
extra vereisten gesteld. EVRM staat dus meer beperkingen toe dan onze Grondwet doet
w.b.t. het demonstratierecht. En is in die zin dus iets ongunstiger dan de NL wetgever, echter
gaat dat misschien veranderen in nieuwe coalitie.
Jurisprudentie: Kudrevicius vs Lithuania