Week 1
p. 38-48
Nulla poena- regel: geen straf op basis van een gedraging zonder daaraan voorafgaande
wettelijke bepaling.
Fundamenteel rechtsbeginsel, neergelegd in 1 Sr en 16 Gw
4 af te leiden sub-regels aan de hoofdregel:
1. Straf moet berusten op wet in formele zin
Bestraffing o.g.v. gewoonterecht (ongeschreven) niet toegestaan. Geschreven in
Nederlandse taal.
Maar let op: artikel 7 EVRM (legaliteitsbeginsel Europees) staat niet in de weg aan
bestraffing op basis van ongeschreven beginselen van beschaafde volkeren van bijvoorbeeld
oorlogsmisdrijven. Maar voor strafbaarheid naar Nederlands strafrecht is een wettelijke
bepaling vereist, de Nederlandse strafrechter kan volkerenrecht niet toepassen om
verdachte te straffen.
2. Verbod terugwerkende kracht straffen
Strafbepaling voorafgaande aan het gepleegde feit. Rechter niet strafbepaling toepassen op
feiten die voor inwerkingtreding zijn voorgevallen.
Ook het achteraf verzwaren van een straf is in strijd met legaliteitsbeginsel.
Let op, legaliteitsbeginsel verbiedt niet terugwerkende kracht in algemeenheid: wel
toepasbaar wanneer een latere wet straffeloosheid meebrengt of bedreigde straffen
verlicht.
3. Lex certa-beginsel
Rechtszekerheid dienen met nauwkeurige omschrijving van strafbare feiten en op te leggen
straffen. Rechter minimale vrijheid om strafbepaling naar eigen inzicht uit te leggen. Lukt
niet altijd – soms laat wetgever aan rechter veel ruimte, bijv. om de strafmaat te
ontwikkelen. Rechters worden dan wel gebonden aan oriëntatiepunten – maar niet
specifieke wetsbepalingen, soort richtlijnen.
Rechter mag formele wetten niet toetsen aan de grondwet – dus 16 Gw. Wel 1 Sr of 16 Gw
gebruiken om verbindendheid van regel aan te vechten – maar neemt HR niet snel aan.
4. Verbod van analogie
Strafbare feiten moeten zo precies mogelijk omschreven worden in de wet, alleen gedraging
die aan wettelijke omschrijving voldoet kan aanleiding geven tot bestraffing.
Let wel op spanning tussen analogische toepassing van strafbepalingen (niet toegestaan) en
extensieve interpretatie (wel toegestaan).
3.1.3
Artikel 15 IVBPR waarborgt net als 1 Sr en 16 Gw de rechtszekerheid in het strafrecht. Wel
verschillen:
- Niet vereist is een wet in formele zin of geschreven wet – niet common law
uitsluiten. Dit is het in jurisprudentie omlijnde gewoonterecht dat ook erkend wordt.
Artikel 7 EVRM kent strafbaarheid o.g.v. internationaal recht toe. Oftewel de ongeschreven
rechtsbeginselen erkend door beschaafde volkeren. Dit wordt bepaald door artikel 7(2)
EVRM dat het 7(1) EVRM verduidelijkt.
Voorbeeld:
, Literatuur materieel strafrecht
Tijdens WOII stelde regering het BBS vast, waarbij bijv. met terugwerkende kracht gestraft
kon worden en de doodstraf opgelegd worden. Dit was in strijd met 1 Sr, dat artikelen in BBS
erkende en actief buiten werking stelde.
- BBS brak dus met nationaal legaliteitsbeginsel maar niet met het Europese
legaliteitsbeginsel door artikel 7(1), (2) EVRM.
EHRM stelt eisen waaraan voldaan moet worden wil een regel “recht” (7 EVRM) zijn:
Toegankelijkheid van het recht - op betrekkelijk eenvoudige wijze kenbaarheid
nemen van het recht? Publicaties wet en rechtspraak goed, maar interne richtlijnen
niet.
Voorspelbaarheid van het recht – duidelijkheid van de rechtsregels. Een norm is pas
‘recht’ als het met voldoende precisie geformuleerd is.
EHRM kijkt zowel naar de wet als naar hoe het in praktijk vormgegeven wordt. Zo kunnen
aan vage normen kristalheldere invulling gegeven worden waardoor er voldaan is aan
bepaalde voorspelbaarheid. HR is ook deze lijn gaan volgen. Hierin verschilt 7 EVRM wel van
1 Sr, omdat bij 1 Sr aanvankelijk accent lag op de norm zoals die in de wet is opgesteld.
Nog een verschil tussen 7 EVRM en 1 Sr is de uitleg van de regel in abstracto. Nederlandse
rechter mag formele wetten niet aan de grondwet toetsen, maar wel aan het EVRM.
Daarnaast legt EHRM veel nadruk op concrete toepassing van de norm en niet zozeer op de
strafbepaling in abstracto zoals bij 1 Sr. Heel precies geformuleerde strafbepalingen kunnen
namelijk onbruikbaar worden (deels of geheel).
3.1.4
Strafbepalingen moeten geïnterpreteerd worden. Betekenis van een woord hangt af van
verband waarin het wordt geplaatst. ‘Goed’ heeft in verschillende strafbepalingen
verschillende definities.
- Bijv. werd in Elektriciteit dit als een goed beschouwd dat kon worden weggenomen,
waardoor het onder de strafbepaling van 310 Sr viel.
4 te onderscheiden interpretatiemethodes:
1. Grammaticaal
Rechter gebruikt woord naar gangbaar taalgebruik of in zinsverband
2. Teleologisch
Rechter kijken naar bedoeling van de wetgever of beginselen die wetgever ten grondslag
legde aan de bepaling, dan wel naar eisen die de samenleving stelt.
Nauw verwant is de functionele en sociologische interpretatie: rekeninghouden met functie
bepaling of naar in de samenleving bestaande behoeften.
3. Systematisch
Rechter uitleggen bepaling afhankelijk van systeem van de regeling waarin bepaling staat.
4. Historisch
Rechter voor uitleg kijken naar totstandkoming bepaling of vroegere regelingen.
Steeds vaker ook belangrijk: rechtsvergelijking – helemaal in context van de vereniging van
Europa en noodzaak tot internationale samenwerking.
, Literatuur materieel strafrecht
In strafrecht meeste de noodzaak bij de tekst van de wet te blijven, waardoor
Wetssystematische interpretatie voornamelijk gebruikt wordt. De bepaling dient in beginsel
restrictief te worden toegepast, echter is extensieve interpretatie niet verboden.
- Grens tussen verbod op analogie en toegestane extensieve interpretatie lastig. Er zijn
gevallen waarin een strafbepaling te ruim wordt uitgelegd waardoor analogie zich
opdringt. In sommige gevallen bij ruime spraakgebruik, al is spraakgebruik niet
beslissend voor toepassing bepaling. Denk aan ‘hij die...’ waarin wij aannemen dat er
‘degene die…’ staat, immers vrouwen niet uitsluiten.
- Betekenis bepaling hangt af van de betekenis van al de interpretatiemethodes
tezamen. Van belang om analogische toepassing te vermijden is het vasthouden aan
het voorspelbaarheidscriterium.
HR in Elektriciteit paste de bedoeling van de wetsontwerper toe om uiteindelijk tot conclusie
te komen dat elektriciteit een goed is dat aan een ander toebehoorde, geheel of
gedeeltelijk, en dus gestolen kan worden (310 Sr). Want, energie kan niet een zelfstandig
bestaan ontzegd worden en daarnaast vertegenwoordigt het enige waarde (vermogen).
- HR paste grammaticale als ook teleologische interpretatie toe.
Let op dat aan betekenis van een woord over tijd kan veranderen: in tijde arrest was
‘wegnemen van een goed’ voornamelijk een fysieke onderneming. Vandaag
gebruiken wij deze overdrachtelijke uitleggen van delictsomschrijving en is het meer
dan logisch deze uitspraak.
Ongeveer ditzelfde gold in arrest Runescape waarin HR vaststelde dat virtuele objecten een
bepaalde waarde (spelwaarde) bevatten en daarom ook als ‘goed’ gezien moeten worden.
Zij kunnen dan ook gestolen worden i.d.z.v diefstal (310 Sr).
Let op:
Terughoudendheid bij interpretatie van strafbepalingen komt door legaliteitsbeginsel 1(1) Sr.
Regel geldt alleen voor regels die strafbaarheid uitbreiden – en dus niet(!) voor regels die
strafbaarheid beperken, zoals bij de strafuitsluitingsgronden. Ook ongeschreven
strafuitsluitingsgronden zijn te rijmen met legaliteitsbeginsel.
, Literatuur materieel strafrecht
Week 2
p. 78-100
Causaal verband
Wet bepaalt welke gedragingen die een gevolg teweegbrengen, strafbaar zijn. De
delictsomschrijvingen moeten beperkend werken – niet voor alle gevolgen is iemand
strafrechtelijk aansprakelijk, alleen de gevolgen die de wetgever heeft bedoeld.
Het causale verband beoogt de grens aan te geven van strafbaar gedrag, gaat om precisering
van delictsomschrijving waarin het veroorzaken van een gevolg sprake is.
4 delictsgroepen waar volgens de delictsomschrijving het causale verband een bijzondere
betekenis heeft:
a. Materiële opzetdelicten
Delicten waar met opzet teweeggebrachte gevolgen strafbaar zijn.
Denk aan opzettelijke levensberoving (287 Sr) of het in dwaling brengen van
verzekeraar door kunstgreep (327 Sr).
b. Culpose delicten
Delicten met verwijtbaar onvoorzichtig handelen dat gevolgen heeft.
Denk aan dood door schuld (307 Sr).
c. De door het gevolg gekwalificeerde delicten
Denk aan delicten zoals mishandeling, zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbende
(300(2) Sr), of zware mishandeling, de dood ten gevolge hebbende (302(2) Sr).
d. Concrete gevaarzettingsdelicten
Hierbij gaat het om het veroorzaken van gevaar, soms om te verwachten gevaar soms
van gevaar dat ontstaat (158 Sr).
Vaak sprake van evident veroorzaken van gevolg, waardoor causaliteit ingestopt zit in de
bewijsmiddelen – wordt lastig als:
Ook derden handelend optreden.
Het lang duurt voordat de gevolgen intreden
Of bijzondere omstandigheden bij de persoon aan het handelen een veel heftiger
gevolg doen geven.
Vb.: messteek, waardoor slachtoffer naar ziekenhuis moet. Onderweg valt dakpan op zijn
hoofd waaraan hij overlijdt. Vraag: is dit mishandeling de dood ten gevolge hebbende? Want
de doodsoorzaak komt door een omstandigheid die ligt in een volledig toevallige
gebeurtenis die geheel losstaat van het steken met het mes. Doorbreekt dit de causaliteit?
Centrale vraag:
- Wordt causale keten niet doorbroken door handelend optreden van derden? Mag
aan directe oorzaken voorbij gegaan worden?
- Wat is de rol van de tijdsverloop? En het aantal tussenliggende schakels?
Het vaststellen van causaliteit speelt voorzienbaarheid van de gevolgen een rol, als ook of er
sprake is van een direct en onmiddellijk verband tussen de gedraging en het gevolg.
5.3.2
Bij vaststellen van causaliteit speelt onze kennis en ervaring een rol, als we verband tussen
oorzaak-gevolg willen vaststellen. In de rechtswetenschap zijn bepaalde aannames
vastgelegd, zoals dat iedere verandering een oorzaak heeft. Vooral bij het intreden van de