Het aanleren van een lied vanaf groep 3 doe je in drie fasen:
1. Introductie.
Aandacht van de kinderen, geconcentreerd, muzikale sfeer. In de onderbouw kies je bij
voorkeur een speelse inleiding. In de bovenbouw is een technische introductie ook goed.
Werkvormen: gesprek, drama, verhaal, materiaal, bekend lied, opname lied, spreektekst,
klankspel. Geef van een lied uit een andere taal de vertaling.
2. Aanleren.
Lied een aantal keren laten horen (zingen of opname). Aandacht vasthouden m.b.v.
tekstvragen of luistervragen en –opdrachten. Laat de kinderen rusten opvullen met klappen,
tikken of vingerknippen op de puls. Het onthouden van de tekst kost vaak de meeste tijd.
Versnellen: de tekst als spreektekst laten ‘echoën’ of de tekst op het bord te schrijven en
steeds gedeeltes wegvegen.
Wisselzang. Leraar-klas. Duidelijk aangeven (handpoppen, wijzen, tekst onderstrepen).
Leraar zingt de eerste regel zolang mogelijk zelf > begintoon.
3. Afsluiten.
Voorbeelden van afsluitingsvormen: gesprek voeren over de kwaliteit van het zingen of de
inhoud van het lied ; zing het lied nog eens, maar nu met extra aandacht voor de kwaliteit
(gaan staan/opname) ; zing het lied in wisselzang of met solo’s ; beeld het lied uit of voer een
dans uit bij het lied ; combineer het zingen van het lied met een eenvoudige liedbegeleiding
of met een instrumentale begeleiding op gitaar of keyboard.
Basisprincipes lied aanleren:
- Veel doen-weinig praten
- Iedereen zoveel mogelijk actief
- Zingen op de juiste toonhoogte
- KVB-vragen
- Regels weggeven
- Wisselzang
- Lied zoveel mogelijk in z’n geheel aanbieden
- Zoveel mogelijk uit het hoofd-bord
- Leiding geven
- Inzet
- Tempo
- Toon overnemen
- Takteren en maatslaan (blz 51)
- Liedleidingsgebaren maken
Brommers: kinderen die niet op de goede toonhoogte meezingen.
Muzikale redenen om kinderen te laten zingen:
- bevordert de muzikale ontwikkeling
- stimuleert het muzikaal voorstellingsvermogen en muzikaal geheugen
- goed voor de ontwikkeling van de stem