DNA replicatie
1. Despiralisatie dubbele helix m.b.v helicase
2. Splitsing van basenparen m.b.v helicase
3. Koppeling van passende vrije DNA-nucleotiden m.b.v DNA-polymerase
4. Verbinden van Okazaki-fragmenten op ‘volgende streng’ m.b.v ligase
Lange zijde/ruggengraat: fosfaatgroepen
A- adenine & T- thymine
G- guanine & C- cytosine
DNA - transcriptie, kopie gemaakt van DNA
Kopie gemaakt van een gen, stukje DNA —> mRNA via kernporie naar cytoplasma naar ribosomen
Matrijsstreng/templatestreng —> antisense
- starten bij 3’
- RNA-polymerase bouwt de juiste nucleotide in
- In mRNA vindt je nooit T(thymine) maar deze wordt vervangen door U (Uracil)
- mRNA is altijd enkelvoudig
- Suiker in de ruggengraat RNA: ribose (1 OH ipv H groep), DNA: desoxyribose
- Lange zijde/ruggengraat: fosfaatgroepen
- Introns: stukken mRNA welke niet gecodeerd worden voor eiwitten, verwijderd van de mRNA
streng, uiteindelijk afgebroken en opnieuw gebruikt
- Exons: stukken mRNA welke gecodeerd worden voor eiwitten, met andere exons
samengevoegd in een lange mRNA streng
Coderende streng —> sense
mRNA - translatie, ribosoom vertaalt naar polypeptiden (eitwit)
Polypeptiden —> bijv structuureiwitten, enzymen, antistoffen, hormonen
In endoplasmatisch reticulum vertaald naar polypeptiden.
- 5’naar 3’ kant
- Codon is altijd 3 stikstofbasen lang
- Elk codon duid een aminozuur aan, aminozuur is een bouwstof voor eiwitten
- rRNA: ribosomaal RNA
- tRNA: transfer RNA, vervoert aminozuren vanuit het cytoplasma naar het mRNA molecuul in het
ribosoom
- Anti codon: de 3 andere (tegenovergestelde) letter
- Zoek bijpassende aminozuur bij codon
- Dit proces gaat door totdat er een stop codon code wordt afgelezen
Mutatie
Plotselinge verandering in het erfelijke materiaal
Veroorzaakt door
- Natuurlijke processen (fout tijdens DNA-replicatie)
- Kortgolvige straling (röntgenstraling, UV-straling, radioactieve straling)
- Chemische stoffen (asbest, teer)
DNA 1/2
1. Despiralisatie dubbele helix m.b.v helicase
2. Splitsing van basenparen m.b.v helicase
3. Koppeling van passende vrije DNA-nucleotiden m.b.v DNA-polymerase
4. Verbinden van Okazaki-fragmenten op ‘volgende streng’ m.b.v ligase
Lange zijde/ruggengraat: fosfaatgroepen
A- adenine & T- thymine
G- guanine & C- cytosine
DNA - transcriptie, kopie gemaakt van DNA
Kopie gemaakt van een gen, stukje DNA —> mRNA via kernporie naar cytoplasma naar ribosomen
Matrijsstreng/templatestreng —> antisense
- starten bij 3’
- RNA-polymerase bouwt de juiste nucleotide in
- In mRNA vindt je nooit T(thymine) maar deze wordt vervangen door U (Uracil)
- mRNA is altijd enkelvoudig
- Suiker in de ruggengraat RNA: ribose (1 OH ipv H groep), DNA: desoxyribose
- Lange zijde/ruggengraat: fosfaatgroepen
- Introns: stukken mRNA welke niet gecodeerd worden voor eiwitten, verwijderd van de mRNA
streng, uiteindelijk afgebroken en opnieuw gebruikt
- Exons: stukken mRNA welke gecodeerd worden voor eiwitten, met andere exons
samengevoegd in een lange mRNA streng
Coderende streng —> sense
mRNA - translatie, ribosoom vertaalt naar polypeptiden (eitwit)
Polypeptiden —> bijv structuureiwitten, enzymen, antistoffen, hormonen
In endoplasmatisch reticulum vertaald naar polypeptiden.
- 5’naar 3’ kant
- Codon is altijd 3 stikstofbasen lang
- Elk codon duid een aminozuur aan, aminozuur is een bouwstof voor eiwitten
- rRNA: ribosomaal RNA
- tRNA: transfer RNA, vervoert aminozuren vanuit het cytoplasma naar het mRNA molecuul in het
ribosoom
- Anti codon: de 3 andere (tegenovergestelde) letter
- Zoek bijpassende aminozuur bij codon
- Dit proces gaat door totdat er een stop codon code wordt afgelezen
Mutatie
Plotselinge verandering in het erfelijke materiaal
Veroorzaakt door
- Natuurlijke processen (fout tijdens DNA-replicatie)
- Kortgolvige straling (röntgenstraling, UV-straling, radioactieve straling)
- Chemische stoffen (asbest, teer)
DNA 1/2