Economie samenvatting, de bedrijven h5/7 + macro economie h1/3
De bedrijven
Hoofdstuk 5 samenwerken en onderhandelen
Principaal- agentprobleem
Hierbij geeft de principaal een opdracht, die wordt uitgevoerd door de agent. De agent beïnvloedt
het resultaat van de principaal, maar de principaal kan maar moeilijk controleren hoe goed de
agent de opdracht uitvoert. Er is sprake van asymmetrische informatie. Wanneer de agent het
eigen belang prevaleert ten koste van het gezamenlijke belang, terwijl dit niet of beperkt te
controleren valt voor de principaal, ontstaat er een probleem.
Oplossingen:
1. Financiële prikkels instellen, zoals bonussen per product of bij het behalen van een target.
2. Extra controle instellen, bijvoorbeeld door meer papierwerk in te laten vullen.
3. Uitgebreide contracten opstellen, waardoor de agent aan meer regels moet voldoen.
Verzonken kosten en berovingsprobleem
Verzonken kosten zijn kosten zijn relatie specefiek, deze kosten kunnen niet meer ongedaan
worden. Ze zijn niet relevant voor besluitvorming.
Berovingsprobleem is het probleem waar in een situatie de verzonken kosten niet meer
terugverdiend kunnen worden.
Oplossingen:
Er kunnen contracten/afspraken gemaakt worden, het nadeel hiervan is wel dat er
transactiekosten aan verbonden zijn.
Hoofdstuk 6 de overheid grijpt in
Marktwerking zorgt vanzelf voor een optimale uitkomst (gevolg van handelen van consumenten
en producenten). Een ondernemer produceert tot de marginale kosten (MK) gelijk zijn aan de
marginale opbrengst (MO) want dan wordt er de maximale totale winst behaalt. Het
marktevenwicht leidt tot het Pareto-optimum: niemand kan zich verbeteren zonder dat het ten
koste gaat van een ander.
Marktmacht en externe effecten leiden tot marktfalen.
Externe effecten zijn niet gecompenseerde, door derden gemaakte kosten of geleden schade als
gevolg van een economische activiteit. Dit kan optreden als personen, bedrijven of overheden
geen rekening houden met de effecten op de welvaart van betreffende individuen
Marktfalen: het marktmechanisme leidt niet tot een Pareto-optimum. De overheid kan dit
subobtimale evenwicht corrigeren:
1. Prijsregulering: minimum- of maximumprijzen vaststellen door de overheid.
Minimumpriijzen liggen boven de evenwichtsprijzen en zorgen voor minder vraag en minder
productie. Om de producenten te steunen moeten de overschotten worden opgekocht door de
overheid. De belastingbetaler betaalt hierdoor dubbel: via een hogere prijs en extra belastingen.
Maximumprijzen liggen onder de evenwichtsprijs en dit leidt tot meer vraag, maar minder
aanbod. Dit gebeurd vooral bij noodzakelijke producten, zoals medicijnen.
2. Belastingen op consumptie: accijnzen of subsidies instellen.
De overheid probeert het gedrag van haar inwoners te sturen, bijvoorbeeld door financiële prikkels
—> dit is ongewenst en zorgt ervoor dat de markt faalt. Deze extra belastingen die door de
overheid worden opgelegd zijn accijnzen. Accijnzen zijn indirecte belastingen, de consument
betaalt het indirect via de winkelier. —> Qa omhoog/links
De maatschappelijke kosten van een goed of dienst bestaan uit de private kosten plus de kosten
van de negatieve externe effecten.
DE BEDRIJVEN + MACRO ECONOMIE 1/6
, Totale welvaart= Consumentensurplus + producentensurplus + fiscale surplus
Overheidsingrijpen op een markt leiden tot een verlies aan surplus en is dus welvaartsverlies in
enge zin. In ruime zin kan de welvaart wel toenemen, bijvoorbeeld door mindere milieuvervuiling,
maar dit komt niet in uiting in de welvaart gemeten via surplussen.
Goederen of diensten met een positief extern effect wil de overheid graag stimuleren, dit kunnen
ze doen met een prijs verlagende subsidie. Ook de subsidie is indirect en wordt dus verrekend
via de aanbieders. —> Qa omlaag/rechts
3. Wetgeving: door bijvoorbeeld productiequota of eisen te stellen aan productie.
Hoofdstuk 7 wat als er geen markt is
Individuele goederen zijn goederen die je alleen krijgt als je ervoor betaalt (=uitsluitbaar). De
uitsluitbaarheid zorgt ervoor dat deze goederen door particuliere bedrijven geleverd kunnen
worden.
Individuele goederen zijn meestal rivaliserend. Wanneer jij een zak chips koopt, kan die niet meer
gekocht worden door iemand anders.
Soms zijn individuele goederen echter niet-rivaliserend. Bijvoorbeeld wanneer jij een abonnement
koopt voor je mobiele telefoon. Dan gaat dat niet ten koste van andere mobiele gebruikers.
‘Individuele goederen zijn uitsluitbaar en niet rivaliserend. Ze zijn daardoor in eenheden te
splitsen en afzonderlijk te verkopen aan consumenten’
Collectieve goederen zijn goederen die niet splitsbaar zijn in individueel leverbare eenheden. Als
ze er zijn, kán iedereen er gebruik van maken. Je kunt ze dus niet per persoon verkopen. Omdat
collectieve goederen niet uitsluitbaar zijn, moet de overheid ze leveren en betalen met
belastinggeld.
Collectieve goederen zijn soms rivaliserend. Als politiebescherming nodig is bij een
voetbalstadion, kunnen die agenten niet de verkeersveiligheid handhaven met snelheidscontroles.
Maar lang niet alle collectieve goederen zijn rivaliserend. Wanneer jij ’s avonds profiteert van
straatverlichting, gaat dat niet ten koste van andere weggebruikers in die straat.
‘Collectieve goederen zijn niet-uitsluitbaar en niet-rivaliserend. Dit soort goederen zijn niet
te splitsen in eenheden en afzonderlijk te verkopen. Daarom levert de overheid deze
goederen’
Quasi-collectieve goederen zijn goederen die in theorie individueel leverbaar (en dus uitsluitbaar)
zijn, maar die we toch als een soort collectief goed door de overheid laten leveren.
Onderwijs kun je per persoon leveren. Wanneer je niet betaalt, is het mogelijk om je uit te sluiten
van lessen. Maar we kiezen ervoor om het collectief, betaalt met belastinggeld, te leveren.
In het geval van onderwijs is er sprake van beperkte rivaliteit. Onderwijs aan persoon X, wil niet
zeggen dat persoon Y geen les kan krijgen. Maar hoe meer deelnemers, hoe minder aandacht en
waarschijnlijk minder kwaliteit.
‘Quasi-collectieve goederen zijn uitsluitbaar en rivaliserend. Toch levert de overheid deze
goederen vanwege de grote positieve effecten of de noodzaak van de goederen’
rivaliserend uitsluitbaar? Geleverd door + voorbeeld
individueel goed ja ja de markt, potlood & brood
collectief goed nee nee overheid, dijken & politiebescherming
quasi-collectief ja ja overheid, onderwijs & zorg
goed
DE BEDRIJVEN + MACRO ECONOMIE 2/6
De bedrijven
Hoofdstuk 5 samenwerken en onderhandelen
Principaal- agentprobleem
Hierbij geeft de principaal een opdracht, die wordt uitgevoerd door de agent. De agent beïnvloedt
het resultaat van de principaal, maar de principaal kan maar moeilijk controleren hoe goed de
agent de opdracht uitvoert. Er is sprake van asymmetrische informatie. Wanneer de agent het
eigen belang prevaleert ten koste van het gezamenlijke belang, terwijl dit niet of beperkt te
controleren valt voor de principaal, ontstaat er een probleem.
Oplossingen:
1. Financiële prikkels instellen, zoals bonussen per product of bij het behalen van een target.
2. Extra controle instellen, bijvoorbeeld door meer papierwerk in te laten vullen.
3. Uitgebreide contracten opstellen, waardoor de agent aan meer regels moet voldoen.
Verzonken kosten en berovingsprobleem
Verzonken kosten zijn kosten zijn relatie specefiek, deze kosten kunnen niet meer ongedaan
worden. Ze zijn niet relevant voor besluitvorming.
Berovingsprobleem is het probleem waar in een situatie de verzonken kosten niet meer
terugverdiend kunnen worden.
Oplossingen:
Er kunnen contracten/afspraken gemaakt worden, het nadeel hiervan is wel dat er
transactiekosten aan verbonden zijn.
Hoofdstuk 6 de overheid grijpt in
Marktwerking zorgt vanzelf voor een optimale uitkomst (gevolg van handelen van consumenten
en producenten). Een ondernemer produceert tot de marginale kosten (MK) gelijk zijn aan de
marginale opbrengst (MO) want dan wordt er de maximale totale winst behaalt. Het
marktevenwicht leidt tot het Pareto-optimum: niemand kan zich verbeteren zonder dat het ten
koste gaat van een ander.
Marktmacht en externe effecten leiden tot marktfalen.
Externe effecten zijn niet gecompenseerde, door derden gemaakte kosten of geleden schade als
gevolg van een economische activiteit. Dit kan optreden als personen, bedrijven of overheden
geen rekening houden met de effecten op de welvaart van betreffende individuen
Marktfalen: het marktmechanisme leidt niet tot een Pareto-optimum. De overheid kan dit
subobtimale evenwicht corrigeren:
1. Prijsregulering: minimum- of maximumprijzen vaststellen door de overheid.
Minimumpriijzen liggen boven de evenwichtsprijzen en zorgen voor minder vraag en minder
productie. Om de producenten te steunen moeten de overschotten worden opgekocht door de
overheid. De belastingbetaler betaalt hierdoor dubbel: via een hogere prijs en extra belastingen.
Maximumprijzen liggen onder de evenwichtsprijs en dit leidt tot meer vraag, maar minder
aanbod. Dit gebeurd vooral bij noodzakelijke producten, zoals medicijnen.
2. Belastingen op consumptie: accijnzen of subsidies instellen.
De overheid probeert het gedrag van haar inwoners te sturen, bijvoorbeeld door financiële prikkels
—> dit is ongewenst en zorgt ervoor dat de markt faalt. Deze extra belastingen die door de
overheid worden opgelegd zijn accijnzen. Accijnzen zijn indirecte belastingen, de consument
betaalt het indirect via de winkelier. —> Qa omhoog/links
De maatschappelijke kosten van een goed of dienst bestaan uit de private kosten plus de kosten
van de negatieve externe effecten.
DE BEDRIJVEN + MACRO ECONOMIE 1/6
, Totale welvaart= Consumentensurplus + producentensurplus + fiscale surplus
Overheidsingrijpen op een markt leiden tot een verlies aan surplus en is dus welvaartsverlies in
enge zin. In ruime zin kan de welvaart wel toenemen, bijvoorbeeld door mindere milieuvervuiling,
maar dit komt niet in uiting in de welvaart gemeten via surplussen.
Goederen of diensten met een positief extern effect wil de overheid graag stimuleren, dit kunnen
ze doen met een prijs verlagende subsidie. Ook de subsidie is indirect en wordt dus verrekend
via de aanbieders. —> Qa omlaag/rechts
3. Wetgeving: door bijvoorbeeld productiequota of eisen te stellen aan productie.
Hoofdstuk 7 wat als er geen markt is
Individuele goederen zijn goederen die je alleen krijgt als je ervoor betaalt (=uitsluitbaar). De
uitsluitbaarheid zorgt ervoor dat deze goederen door particuliere bedrijven geleverd kunnen
worden.
Individuele goederen zijn meestal rivaliserend. Wanneer jij een zak chips koopt, kan die niet meer
gekocht worden door iemand anders.
Soms zijn individuele goederen echter niet-rivaliserend. Bijvoorbeeld wanneer jij een abonnement
koopt voor je mobiele telefoon. Dan gaat dat niet ten koste van andere mobiele gebruikers.
‘Individuele goederen zijn uitsluitbaar en niet rivaliserend. Ze zijn daardoor in eenheden te
splitsen en afzonderlijk te verkopen aan consumenten’
Collectieve goederen zijn goederen die niet splitsbaar zijn in individueel leverbare eenheden. Als
ze er zijn, kán iedereen er gebruik van maken. Je kunt ze dus niet per persoon verkopen. Omdat
collectieve goederen niet uitsluitbaar zijn, moet de overheid ze leveren en betalen met
belastinggeld.
Collectieve goederen zijn soms rivaliserend. Als politiebescherming nodig is bij een
voetbalstadion, kunnen die agenten niet de verkeersveiligheid handhaven met snelheidscontroles.
Maar lang niet alle collectieve goederen zijn rivaliserend. Wanneer jij ’s avonds profiteert van
straatverlichting, gaat dat niet ten koste van andere weggebruikers in die straat.
‘Collectieve goederen zijn niet-uitsluitbaar en niet-rivaliserend. Dit soort goederen zijn niet
te splitsen in eenheden en afzonderlijk te verkopen. Daarom levert de overheid deze
goederen’
Quasi-collectieve goederen zijn goederen die in theorie individueel leverbaar (en dus uitsluitbaar)
zijn, maar die we toch als een soort collectief goed door de overheid laten leveren.
Onderwijs kun je per persoon leveren. Wanneer je niet betaalt, is het mogelijk om je uit te sluiten
van lessen. Maar we kiezen ervoor om het collectief, betaalt met belastinggeld, te leveren.
In het geval van onderwijs is er sprake van beperkte rivaliteit. Onderwijs aan persoon X, wil niet
zeggen dat persoon Y geen les kan krijgen. Maar hoe meer deelnemers, hoe minder aandacht en
waarschijnlijk minder kwaliteit.
‘Quasi-collectieve goederen zijn uitsluitbaar en rivaliserend. Toch levert de overheid deze
goederen vanwege de grote positieve effecten of de noodzaak van de goederen’
rivaliserend uitsluitbaar? Geleverd door + voorbeeld
individueel goed ja ja de markt, potlood & brood
collectief goed nee nee overheid, dijken & politiebescherming
quasi-collectief ja ja overheid, onderwijs & zorg
goed
DE BEDRIJVEN + MACRO ECONOMIE 2/6