zouten
- Opgebouwd uit negatieve en positieve ionen
Zouten zijn vaste stoffen, meestal kleurloos of wit. Kleuren worden meestal bepaald door
positieve metaalionen (koperzouten = blauw).
- Positieve en negatieve ionen vormen een regelmatig ionrooster
- Ionbinding: elektrische aantrekking tussen tegengesteld geladen deeltjes
- Naam positief ion + naam negatief ion
De naam van die zout bestaat uit de naam van het positieve ion gevolgd door de naam met het
negatieve ion. Als er meerdere ionen van een metaal bestaan, wordt de (positieve) lading
aangegeven met een Romeins cijfer, tussen haakjes ( ).
- Verhoudingsformule: formule van zouten
Formule die aangeeft in welke verhouding positieve en negatieve ionen in een bepaald zout
voorkomen. Zouten zijn ongeladen. De positieve en negatieve ladingen heffen elkaar op.
kristalwater en (zout) hydraten
Bij sommige zouten passen een bepaald aantal watermoleculen in de ruimte tussen de positieve
en negatieve ionen. Dit door het zout opgenomen water noemt met kristalwater. Een zout dat
kristalwater bevat, noemt men een (zout)hydraat. Bij verwarming van het zout ontwijkt het
kristalwater
- Watervrij kopersulfaat, CuSO4, is wit; door het opnemen van water ontstaat blauw
kopersulfaathydraat, CuSo4 . 5H2O
Positieve ionen
De metaalionen (= de ionen die gevormd zijn uit metaalatomen) zijn dus altijd positief. Dit komt
omdat metaalatomen veel gemakkelijker elektronen kunnen verliezen dan opnemen.
Hoe groot de lading van een metaalion is, kun je voor een deel afleiden uit het periodiek systeem.
Zo hebben alle alkalimetalen (groep 1) een lading van 1+ en alle aardalkalimetalen (groep 2) een
lading van 2+.
De meeste overgangsmetalen kunnen meerdere positieve ionen vormen. Zo kan een ijzerion een
lading van zowel 2+ als 3+ hebben. Dit onderscheid geven we aan met een Romeins cijfer: ijzer(II)
en ijzer(III).
Voorbeelden
- koper(I) : Cu+
- koper(II) : Cu2+
- tin(IV) : Sn4+
- tin(II) : Sn2+
Naast de enkelvoudige metaalionen (= metaalionen die uit één atoomsoort bestaan) zijn er ook
samengestelde groepjes van niet-metaalatomen die een positieve lading hebben. De belangrijkste
voorbeelden hiervan zijn NH4+ (het ammoniumion) en H3O+ (het hydroniumion).
In de onderstaande tabel staan enkele belangrijke positieve ionen vermeld.
lading positieve ionen
1+ Li+, Na+, K+, Ag+, H+, H3O+, NH4+
2+ Mg2+, Ca2+, Ba2+
3+ Al3+, Au3+
1+ of 2+ Cu+ / Cu2+, Hg+ / Hg2+
2+ of 3+ Fe2+ / Fe3+
2+ of 4+ Sn2+ / Sn4+, Pb2+ / Pb4+
- Opgebouwd uit negatieve en positieve ionen
Zouten zijn vaste stoffen, meestal kleurloos of wit. Kleuren worden meestal bepaald door
positieve metaalionen (koperzouten = blauw).
- Positieve en negatieve ionen vormen een regelmatig ionrooster
- Ionbinding: elektrische aantrekking tussen tegengesteld geladen deeltjes
- Naam positief ion + naam negatief ion
De naam van die zout bestaat uit de naam van het positieve ion gevolgd door de naam met het
negatieve ion. Als er meerdere ionen van een metaal bestaan, wordt de (positieve) lading
aangegeven met een Romeins cijfer, tussen haakjes ( ).
- Verhoudingsformule: formule van zouten
Formule die aangeeft in welke verhouding positieve en negatieve ionen in een bepaald zout
voorkomen. Zouten zijn ongeladen. De positieve en negatieve ladingen heffen elkaar op.
kristalwater en (zout) hydraten
Bij sommige zouten passen een bepaald aantal watermoleculen in de ruimte tussen de positieve
en negatieve ionen. Dit door het zout opgenomen water noemt met kristalwater. Een zout dat
kristalwater bevat, noemt men een (zout)hydraat. Bij verwarming van het zout ontwijkt het
kristalwater
- Watervrij kopersulfaat, CuSO4, is wit; door het opnemen van water ontstaat blauw
kopersulfaathydraat, CuSo4 . 5H2O
Positieve ionen
De metaalionen (= de ionen die gevormd zijn uit metaalatomen) zijn dus altijd positief. Dit komt
omdat metaalatomen veel gemakkelijker elektronen kunnen verliezen dan opnemen.
Hoe groot de lading van een metaalion is, kun je voor een deel afleiden uit het periodiek systeem.
Zo hebben alle alkalimetalen (groep 1) een lading van 1+ en alle aardalkalimetalen (groep 2) een
lading van 2+.
De meeste overgangsmetalen kunnen meerdere positieve ionen vormen. Zo kan een ijzerion een
lading van zowel 2+ als 3+ hebben. Dit onderscheid geven we aan met een Romeins cijfer: ijzer(II)
en ijzer(III).
Voorbeelden
- koper(I) : Cu+
- koper(II) : Cu2+
- tin(IV) : Sn4+
- tin(II) : Sn2+
Naast de enkelvoudige metaalionen (= metaalionen die uit één atoomsoort bestaan) zijn er ook
samengestelde groepjes van niet-metaalatomen die een positieve lading hebben. De belangrijkste
voorbeelden hiervan zijn NH4+ (het ammoniumion) en H3O+ (het hydroniumion).
In de onderstaande tabel staan enkele belangrijke positieve ionen vermeld.
lading positieve ionen
1+ Li+, Na+, K+, Ag+, H+, H3O+, NH4+
2+ Mg2+, Ca2+, Ba2+
3+ Al3+, Au3+
1+ of 2+ Cu+ / Cu2+, Hg+ / Hg2+
2+ of 3+ Fe2+ / Fe3+
2+ of 4+ Sn2+ / Sn4+, Pb2+ / Pb4+