VAC 7 - Angst en hechtingsproblematiek
Verplichte voorbereidende vragen
Bekijk het filmpje van Annerieke Oosterwegel over verschillende soorten angst
Angst is een van de basale emoties die essentieel is voor onze ontwikkeling.
Positieve kant van angst
● Adaptieve functie: persoonlijke veiligheid, schade aan ons welzijn voorkomen, ons in leven
houden
● Actietendens: vermijden van gevaren
● Belangrijk signaal in emotieregulatie → angst werkt als een soort thermometer: hoe belangrijker
iets voor ons is, hoe intenser de angst is om iets te verliezen
De negatieve kant van angst
➔ Angst leidt tot vermijding (avoidance)
➔ Vermijding leidt tot een controle oriëntatie: gebeurtenissen in eigen hand proberen te houden
➔ Volgens onderzoekers zoals Tory Higgins kan dit uitmonden in een negatieve spiraal:
➔ Mensen gaan zichzelf steeds hogere en strengere verwachtingen opleggen om angst of
risico’s te voorkomen (personal demands)
➔ Wanneer zij hier niet aan kunnen voldoen, ontstaat een gevoel van tekortschieten, wat
leidt tot schuld en schaamte
➔ De motivatie verschuift van intrinsiek (iets doen omdat je het zelf wilt of interessant vindt)
naar extrinsiek (iets doen om fouten, kritiek of negatieve gevolgen te voorkomen).
➔ De rol van de omgeving wordt groter: ze gaan steeds meer parameters in de omgeving
proberen te controleren
➔ Autonomie, gevoel van vrijheid en flow nemen af.
➔ Door te vermijden hou je eigenlijk je aandacht bij het thema/je angst. Deze preoccupatie
vergroot juist de kans dat het gevreesde thema zich blijft voordoen, wat de angst
uiteindelijk versterkt
NB: Vermijding kan minder problematisch zijn wanneer deze gekoppeld is aan een positief doel
(approach motivation). In dat geval kan het streven naar een doel de motivatie versterken.
Bang zijn vs angst
● Bang zijn (of schrikken): Een reactie op een duidelijk, vastomlijnd en specifiek gevaar dat nu of in
de nabije toekomst dreigt. Omdat het gevaar helder is, kan het gericht vermeden worden.
● Angst: Een onbestemd gevoel waarbij de bron onduidelijk is. Dit voelt vaak onveiliger omdat het
moeilijk is om specifieke maatregelen te nemen of er rationeel over na te denken.
,Attributies bij angststoornissen
● Gegeneraliseerde
angststoornis →
vooral alarm & zoekend:
anxiety
○ Er is sprake van een
onbestemde,
meer existentiële
angst. De persoon
staat voortdurend
in een soort alarmstand en scant continu de omgeving op mogelijke gevaren.
● Specifieke fobie, sociale angst, separatieangst → disfunctionele cognities : de dreiging krijgt een
concrete vorm (fear)
○ Hoewel de overtuigingen vaak onrealistisch zijn, krijgt de angst een duidelijk “object” of
situatie. Dit maakt het mogelijk om specifieke situaties te vermijden, wat tijdelijk rust geeft
en het vermijdingsgedrag versterkt. De attributie van controle ligt hierbij vaak extern. (NB:
ontwikkelingsfase kan meespelen in de vorm die de angst aanneemt.)
● Dwangstoornissen en eetstoornissen → illusie van controle, attributie intern:
○ Angst wordt actief bestreden door specifieke handelingen of rituelen (bijvoorbeeld
handen wassen of controleren). Mensen ervaren dat zij door deze handelingen het gevaar
onder controle kunnen houden.
● PTSS: Dit is de enige vorm waarbij er een concrete gebeurtenis en een realistische aanleiding
voor de angst aan te wijzen is.
Waarom hechting en angst samen behandeld?
Omdat ze beide gaan over persoonlijke veiligheid.
● Veiligheidsmechanisme
○ Hechting biedt een veilige basis om de wereld te verkennen
○ Angst geeft de grenzen van die veiligheid aan
○ Samen stellen ze een kind in staat om op een veilige manier ervaringen op te doen die de
ontwikkeling stimuleren.
● Impact van stoornissen
○ Angststoornissen belemmeren de sociale ontwikkeling en schoolprestaties.
○ Hechtingsstoornissen zijn nog ingrijpender en kunnen de cognitieve, sociale en zelfs
fysieke ontwikkeling ernstig schaden
In Nederland heeft ongeveer 10 tot 15% van de kinderen op enig moment last van een angststoornis.
Wereldwijd liggen deze schattingen tussen de 6 en 30%. Hoewel onveilige hechting vaker voorkomt, zijn
klinische hechtingstoornissen gelukkig zeer zeldzaam (NL: 1%)
Waarom zou er zoveel comorbiditeit tussen verschillende soorten angstproblemen zijn?
Veel angststoornissen delen dezelfde onderliggende mechanismen. Hierdoor komen verschillende
angstproblemen vaak tegelijk of na elkaar voor.
Belangrijke gedeelde processen zijn bijvoorbeeld:
● Voortdurende alertheid voor mogelijke gevaren (dreigingsdetectie)
● Dysfunctionele gedachten over dreiging (negatieve cognities)
, ● Vermijdingsgedrag
Vermijding speelt een belangrijke rol. Wanneer iemand een situatie vermijdt, neemt de angst tijdelijk af,
maar het probleem wordt niet opgelost. Daardoor blijft de angst bestaan en kan deze zich uitbreiden
naar andere situaties. Hierdoor kunnen verschillende angststoornissen tegelijk of na elkaar voorkomen.
Vaak is er in elke ontwikkelingsperiode sprake van andere dingen waar kinderen/jongeren angstig voor
zijn. Waarom denk je dat dat zo verschilt per ontwikkelingsfase?
Angsten veranderen doordat kinderen zich cognitief en sociaal ontwikkelen. In elke ontwikkelingsfase
worden andere dingen belangrijk.
➔ Jonge kinderen: vaak angst voor concrete dingen (bijv. harde geluiden of scheiding van ouders).
➔ Oudere kinderen en adolescenten: vaker angst voor sociale beoordeling, prestaties of de
toekomst
Dit komt doordat hun begrip van de wereld, hun sociale relaties en de situaties waarin zij functioneren
steeds complexer worden
Hoorcollege
Vandaag
● Hechting
● Angst
○ Risicofactoren
○ Ontwikkelingsfasen en paden
● Comorbiditeit en differentiële diagnose
● Behandeling
Waarom angst en hechting in 1 college?
● Angst is een basale emotie
● Hechting beschermt tegen angst en vormt een veilige basis voor exploratie
○ Exploratie is belangrijk voor bijna alle vormen van ontwikkeling!
○ Angst zorgt dat je bij exploreren niet te ver gaat!
● Bij een hechtingsstoornis is hechting afwezig en regeert de angst
○ Dus ook geen onveilige hechting, gewoon geen hechting
Hechtingsstoornis
● Altijd in de relatie
● Pathologische verzorging → insensitive care (aka verwaarlozing)
○ Geen aandacht voor de emotionele behoeften van het kind
○ Geen aandacht voor de fysieke behoeften van het kind
○ Veelvuldige wisseling van verzorgers
● Komt voor bij:
○ Kinderen die opgroeien in kindertehuizen (bv Oost-Europa)
, ○ Kinderen die geadopteerd zijn uit kindertehuizen
○ Kinderen die verwaarloosd / mishandeld zijn
Twee hechtingsstoornissen
1) Reactive Attachment Disorder (RAD)
○ Weinig tot geen contact, laat zich niet troosten
○ Weinig positief affect naar verzorgers
○ Uitbarstingen (vooral bij toenadering)
○ Lijkt soms op iets in het ASS spectrum
2) Disinhibited Social Engagement Disorder (DSED)
○ Ongepaste, ongeremde toenadering t.o.v. vreemden
○ Weinig tot geen afstemming met verzorgers daarover
○ Kan klakkeloos meegaan met vreemde
○ Lijkt op het William Syndroom of soms Foetaal Alcohol Syndroom (FAS)
Alternatieve classificatie van hechting (Zeanah & Gleason, 2010)
● Non-attachment
○ Non-attachment withdrawn
○ Indiscriminate sociability
Niet echt een hechtingsstoornis, maar wel verstoringen:
● Secure base distortions (vgl. fear of abandonment → verlatingsangst)
○ Attachment disorder with self-endangerment → gevaarlijke dingen gaan doen om maar
niet te voelen
○ Attachment disorder with clinging/inhibition → heel aanhankelijk
○ Attachment disorder with vigilance/hypercompliance → heel gehoorzaam
○ Attachment disorder with role-reversal (parentificatie) → kind gaat ouderrol op zich
nemen
● Disrupted attachment disorder
○ Bowlby phases: protest, despair, detachment (vgl. Tronick Still Face)
➢ Fases van onveilige hechting, zelfde als rouwproces
Risicofactoren angststoornis
● Genetische predispositie: algemene gevoeligheid
➞ Temperament: reactiviteit, regulatie en BIS
● Neurobiologische reacties op stress
➞ Verhoogde reactiviteit: limbisch systeem, met name. amygdala maar ook HPA-as en EF
● Ouders: eigen aanleg, modelling, sensitiviteit/responsiviteit
● Onveilige hechting → vooral gedesorganiseerd
● Emotieregulatie problemen
➞ Hoe meer angst, hoe moeilijker te reguleren (vermijden, onderdrukken, piekeren vs
approaching, accepting/reappraising problemsolving style)
Verplichte voorbereidende vragen
Bekijk het filmpje van Annerieke Oosterwegel over verschillende soorten angst
Angst is een van de basale emoties die essentieel is voor onze ontwikkeling.
Positieve kant van angst
● Adaptieve functie: persoonlijke veiligheid, schade aan ons welzijn voorkomen, ons in leven
houden
● Actietendens: vermijden van gevaren
● Belangrijk signaal in emotieregulatie → angst werkt als een soort thermometer: hoe belangrijker
iets voor ons is, hoe intenser de angst is om iets te verliezen
De negatieve kant van angst
➔ Angst leidt tot vermijding (avoidance)
➔ Vermijding leidt tot een controle oriëntatie: gebeurtenissen in eigen hand proberen te houden
➔ Volgens onderzoekers zoals Tory Higgins kan dit uitmonden in een negatieve spiraal:
➔ Mensen gaan zichzelf steeds hogere en strengere verwachtingen opleggen om angst of
risico’s te voorkomen (personal demands)
➔ Wanneer zij hier niet aan kunnen voldoen, ontstaat een gevoel van tekortschieten, wat
leidt tot schuld en schaamte
➔ De motivatie verschuift van intrinsiek (iets doen omdat je het zelf wilt of interessant vindt)
naar extrinsiek (iets doen om fouten, kritiek of negatieve gevolgen te voorkomen).
➔ De rol van de omgeving wordt groter: ze gaan steeds meer parameters in de omgeving
proberen te controleren
➔ Autonomie, gevoel van vrijheid en flow nemen af.
➔ Door te vermijden hou je eigenlijk je aandacht bij het thema/je angst. Deze preoccupatie
vergroot juist de kans dat het gevreesde thema zich blijft voordoen, wat de angst
uiteindelijk versterkt
NB: Vermijding kan minder problematisch zijn wanneer deze gekoppeld is aan een positief doel
(approach motivation). In dat geval kan het streven naar een doel de motivatie versterken.
Bang zijn vs angst
● Bang zijn (of schrikken): Een reactie op een duidelijk, vastomlijnd en specifiek gevaar dat nu of in
de nabije toekomst dreigt. Omdat het gevaar helder is, kan het gericht vermeden worden.
● Angst: Een onbestemd gevoel waarbij de bron onduidelijk is. Dit voelt vaak onveiliger omdat het
moeilijk is om specifieke maatregelen te nemen of er rationeel over na te denken.
,Attributies bij angststoornissen
● Gegeneraliseerde
angststoornis →
vooral alarm & zoekend:
anxiety
○ Er is sprake van een
onbestemde,
meer existentiële
angst. De persoon
staat voortdurend
in een soort alarmstand en scant continu de omgeving op mogelijke gevaren.
● Specifieke fobie, sociale angst, separatieangst → disfunctionele cognities : de dreiging krijgt een
concrete vorm (fear)
○ Hoewel de overtuigingen vaak onrealistisch zijn, krijgt de angst een duidelijk “object” of
situatie. Dit maakt het mogelijk om specifieke situaties te vermijden, wat tijdelijk rust geeft
en het vermijdingsgedrag versterkt. De attributie van controle ligt hierbij vaak extern. (NB:
ontwikkelingsfase kan meespelen in de vorm die de angst aanneemt.)
● Dwangstoornissen en eetstoornissen → illusie van controle, attributie intern:
○ Angst wordt actief bestreden door specifieke handelingen of rituelen (bijvoorbeeld
handen wassen of controleren). Mensen ervaren dat zij door deze handelingen het gevaar
onder controle kunnen houden.
● PTSS: Dit is de enige vorm waarbij er een concrete gebeurtenis en een realistische aanleiding
voor de angst aan te wijzen is.
Waarom hechting en angst samen behandeld?
Omdat ze beide gaan over persoonlijke veiligheid.
● Veiligheidsmechanisme
○ Hechting biedt een veilige basis om de wereld te verkennen
○ Angst geeft de grenzen van die veiligheid aan
○ Samen stellen ze een kind in staat om op een veilige manier ervaringen op te doen die de
ontwikkeling stimuleren.
● Impact van stoornissen
○ Angststoornissen belemmeren de sociale ontwikkeling en schoolprestaties.
○ Hechtingsstoornissen zijn nog ingrijpender en kunnen de cognitieve, sociale en zelfs
fysieke ontwikkeling ernstig schaden
In Nederland heeft ongeveer 10 tot 15% van de kinderen op enig moment last van een angststoornis.
Wereldwijd liggen deze schattingen tussen de 6 en 30%. Hoewel onveilige hechting vaker voorkomt, zijn
klinische hechtingstoornissen gelukkig zeer zeldzaam (NL: 1%)
Waarom zou er zoveel comorbiditeit tussen verschillende soorten angstproblemen zijn?
Veel angststoornissen delen dezelfde onderliggende mechanismen. Hierdoor komen verschillende
angstproblemen vaak tegelijk of na elkaar voor.
Belangrijke gedeelde processen zijn bijvoorbeeld:
● Voortdurende alertheid voor mogelijke gevaren (dreigingsdetectie)
● Dysfunctionele gedachten over dreiging (negatieve cognities)
, ● Vermijdingsgedrag
Vermijding speelt een belangrijke rol. Wanneer iemand een situatie vermijdt, neemt de angst tijdelijk af,
maar het probleem wordt niet opgelost. Daardoor blijft de angst bestaan en kan deze zich uitbreiden
naar andere situaties. Hierdoor kunnen verschillende angststoornissen tegelijk of na elkaar voorkomen.
Vaak is er in elke ontwikkelingsperiode sprake van andere dingen waar kinderen/jongeren angstig voor
zijn. Waarom denk je dat dat zo verschilt per ontwikkelingsfase?
Angsten veranderen doordat kinderen zich cognitief en sociaal ontwikkelen. In elke ontwikkelingsfase
worden andere dingen belangrijk.
➔ Jonge kinderen: vaak angst voor concrete dingen (bijv. harde geluiden of scheiding van ouders).
➔ Oudere kinderen en adolescenten: vaker angst voor sociale beoordeling, prestaties of de
toekomst
Dit komt doordat hun begrip van de wereld, hun sociale relaties en de situaties waarin zij functioneren
steeds complexer worden
Hoorcollege
Vandaag
● Hechting
● Angst
○ Risicofactoren
○ Ontwikkelingsfasen en paden
● Comorbiditeit en differentiële diagnose
● Behandeling
Waarom angst en hechting in 1 college?
● Angst is een basale emotie
● Hechting beschermt tegen angst en vormt een veilige basis voor exploratie
○ Exploratie is belangrijk voor bijna alle vormen van ontwikkeling!
○ Angst zorgt dat je bij exploreren niet te ver gaat!
● Bij een hechtingsstoornis is hechting afwezig en regeert de angst
○ Dus ook geen onveilige hechting, gewoon geen hechting
Hechtingsstoornis
● Altijd in de relatie
● Pathologische verzorging → insensitive care (aka verwaarlozing)
○ Geen aandacht voor de emotionele behoeften van het kind
○ Geen aandacht voor de fysieke behoeften van het kind
○ Veelvuldige wisseling van verzorgers
● Komt voor bij:
○ Kinderen die opgroeien in kindertehuizen (bv Oost-Europa)
, ○ Kinderen die geadopteerd zijn uit kindertehuizen
○ Kinderen die verwaarloosd / mishandeld zijn
Twee hechtingsstoornissen
1) Reactive Attachment Disorder (RAD)
○ Weinig tot geen contact, laat zich niet troosten
○ Weinig positief affect naar verzorgers
○ Uitbarstingen (vooral bij toenadering)
○ Lijkt soms op iets in het ASS spectrum
2) Disinhibited Social Engagement Disorder (DSED)
○ Ongepaste, ongeremde toenadering t.o.v. vreemden
○ Weinig tot geen afstemming met verzorgers daarover
○ Kan klakkeloos meegaan met vreemde
○ Lijkt op het William Syndroom of soms Foetaal Alcohol Syndroom (FAS)
Alternatieve classificatie van hechting (Zeanah & Gleason, 2010)
● Non-attachment
○ Non-attachment withdrawn
○ Indiscriminate sociability
Niet echt een hechtingsstoornis, maar wel verstoringen:
● Secure base distortions (vgl. fear of abandonment → verlatingsangst)
○ Attachment disorder with self-endangerment → gevaarlijke dingen gaan doen om maar
niet te voelen
○ Attachment disorder with clinging/inhibition → heel aanhankelijk
○ Attachment disorder with vigilance/hypercompliance → heel gehoorzaam
○ Attachment disorder with role-reversal (parentificatie) → kind gaat ouderrol op zich
nemen
● Disrupted attachment disorder
○ Bowlby phases: protest, despair, detachment (vgl. Tronick Still Face)
➢ Fases van onveilige hechting, zelfde als rouwproces
Risicofactoren angststoornis
● Genetische predispositie: algemene gevoeligheid
➞ Temperament: reactiviteit, regulatie en BIS
● Neurobiologische reacties op stress
➞ Verhoogde reactiviteit: limbisch systeem, met name. amygdala maar ook HPA-as en EF
● Ouders: eigen aanleg, modelling, sensitiviteit/responsiviteit
● Onveilige hechting → vooral gedesorganiseerd
● Emotieregulatie problemen
➞ Hoe meer angst, hoe moeilijker te reguleren (vermijden, onderdrukken, piekeren vs
approaching, accepting/reappraising problemsolving style)