Week 1 precontractuele fase:
HR 15 november 1957, NJ 1958/67 (Baris/Riezenkamp)
In de precontractuele fase bevinden partijen zich in een bijzondere
rechtsverhouding geregeerd door de redelijkheid en billijkheid (goede trouw)
waarin partijen rekening moeten houden met elkaars gerechtvaardigde
belangen.
HR 18 juni 1982, NJ 1983/723 (Plas/Valburg)
Partijen zijn in beginsel vrij om onderhandelingen af te breken, tenzij dit in
overeenstemming met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid
onaanvaardbaar zou zijn. In plas Valburg wordt de drie fasenleer
geintroduceerd.
1) Afbreken aanvaardbaar
2) Afbreken aanvaardbaar maar met vergoeding negatief contractsbelang
(terugbrengen naar 0 positie)
3) Afbreken onaanvaardbaar, vergoeding positief contractbelang (doen alsof
contract wel tot stand gekomen is) of plicht tot dooronderhandelen.
HR 14 juni 1996, NJ 1997/481 (De Ruijterij/MBO-Ruiters)
Onderhandelingen mogen vrij worden afgebroken tenzij dit onaanvaardbaar is.
Zelfs als een van de partijen er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat een
contract tot stand zou komen en dit vertrouwen geschaadt wordt maakt
afbreken nog niet onaanvaardbaar. Alle omstandigheden moeten worden
meegenomen waaronder:
1) De wijze waarop het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt en waarop
de afbrekende partij daaraan heeft meegedragen
2) De gerechtvaardigde belangen van de afbrekende partij
3) Onvoorziene omstandigheden die zijn opgetreden tijdens
onderhandelingen.
HR 12 augustus 2005, NJ 2005/467 (CBB/JPO Projecten)
CBB/JPO stelt contractsvrijheid en de vrijheid om onderhandelingen af te breken
nog meer centraal. Sinds dit arrest is het afbreken in beginsel toegestaan, tenzij
de maatstaven van redelijkheid en billijkheid – gelet op alle omstandigheden en
het gewekte gerechtvaardigde vertrouwen – het onaanvaardbaar maken.
CBB/JPO nuanceert hierbij ook het belang van ‘alle omstandigheden’, inclusief
hoe het vertrouwen is gewekt en of er sprake is van voortgezette
onderhandelingen ondanks gewijzigde omstandigheden. De driedeling van
Plas/Valburg wordt in CBB/JPO losgelaten en vervangen door een meer open
beoordeling.
De Hoge Raad geeft aan dat het een strenge en tot terughoudendheid nopende
maatstaf is.
,HR 01 maart 2013, NJ 2013/142 (Greenib Car/Van Dam)
Greenib heeft in hoger beroep betoogd dat het feit dat [verweerster] haar
onjuist heeft geïnformeerd, meebracht dat het voor de samenwerking tussen
partijen benodigde vertrouwen was komen te ontbreken en dat het Greenib
derhalve vrijstond uit de onderhandelingen terug te treden. Het hof heeft
overwogen:
1) Dat verweerster in beginsel erop mocht vertrouwen dat de met Greenib
gesloten intentieverklaring zou worden omgezet in een volwaardige
dealerovereenkomst
2) Dat het afbreken van de onderhandelingen door Greenib, gezien de
wederzijds betrokken belangen, in beginsel onaanvaardbaar moet worden
geacht, slechts uitzondering lijdt indien komt vast te staan dat
[verweerster] gedurende de onderhandelingen aan Greenib bewust
onjuiste informatie heeft verstrekt.
In een en ander ligt besloten dat Greenib de onderhandelingen in de gegeven
omstandigheden niet reeds mocht afbreken op de (enkele) grond dat het voor de
samenwerking benodigde vertrouwen door het doen van (niet bewust) onjuiste
mededelingen door [verweerster] was komen te ontbreken. Daarvoor was
volgens het hof mede vereist dat [verweerster] Greenib bewust onjuist heeft
geïnformeerd. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is
niet onbegrijpelijk.
,Week 1 Haviltex:
HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635 (Haviltex)
De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld
en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden
beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de
bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het
immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer
redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien
aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van
belang zijn:
1) Tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren.
2) Welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.
De subjectieve partijbedoeling zijn dus van belang bij de uitleg van
contractsbepalingen.
HR 17 september 1993, NJ 1994, 173 (Gerritse/Hydro Agri Sluiski)
De CAO uitleg. Komt neer op een puur objectieve uitleg, waarbij de subjectieve
partijbedoeling van de onderhandelende partijen niet van belang is: alleen
objectief kenbare feiten en omstandigheden komen in aanmerking. Niet-
openbare stukken en andere voor derden niet-kenbare gegevens blijven buiten
beschouwing.
Meer precies schrijft de cao-norm voor dat het bij de uitleg van een cao aankomt
op de tekst van de litigieuze bepaling, gelezen in de context van de cao. Hierbij
kunnen worden betrokken: (1) de openbare toelichtende stukken,
(2) de kenbare strekking van het beding, en
(3) de aannemelijkheid van de gevolgen van de uitleg
De reden voor de CAO norm is omdat een CAO op derden van toepassing is die
geen partij waren bij totstandkoming daarvan. Het is daarom van belang dat
voor deze derden een contract objectief en eenduidig wordt uitgelegd en niet
aan de hand van subjectieve partijbedoeling.
HR 13 juni 2003, NJ 2003, 506 (Vos/Heipro)
Uit HR 13 juni 2003, NJ 2003/506 (Vos/Heipro) blijkt dat in geval van
tegenstrijdige bepalingen tussen een specifieke bepaling in de overeenkomst en
een bepaling in algemene voorwaarden niet automatisch geldt dat de specifieke
bepaling voorrang krijgt boven de algemene voorwaarden. De Hoge Raad
verwerpt hiermee de zogenaamde (ongeschreven) regel dat specifieke
bepalingen altijd prevaleren boven algemene voorwaarden.
In plaats daarvan moet de uitleg van de overeenkomst plaatsvinden volgens de
Haviltex-maatstaf, waarbij alle omstandigheden van het geval worden
, betrokken. Het onderscheid tussen specifieke bepalingen en algemene
voorwaarden kan slechts als één van de gezichtspunten gelden.
Kortom; Vos/Heipro benadrukt dat de uitleg van contractuele bepalingen in
strijdsituaties fundamenteel afhankelijk is van redelijke verwachtingen zoals
bepaald door de Haviltex-norm, en niet van een strikte hiërarchie tussen
specifieke bepalingen en algemene voorwaarden.
HR 20 februari 2004, NJ 2005, 493 (Pensioenfonds DSM/Fox)
De Hoge Raad oordeelde dat de Haviltex-norm en de cao-norm niet tegenover
elkaar staande normen zijn, maar dat tussen hen een vloeiende overgang
bestaat. Dit arrest brengt met zich dat ook binnen de Haviltex-norm een
objectieve, welhaast op de cao-norm gelijkende uitleg kan plaatsvinden.
Sinds het DSM/Fox-arrest zijn de Haviltex- en de cao-uitleg dus aan elkaar
verbonden en is een brug geslagen tussen beide uitersten. Het is sindsdien
duidelijk dat binnen de Haviltex-norm meer objectieve factoren een rol kunnen
spelen.
Een objectievere uitleg is vooral aan de orde als de rechtshandeling de positie
van derden, die niet betrokken waren bij de totstandkoming of formulering van
de rechtshandeling, beoogt te beïnvloeden en de rechtshandeling ook de
strekking heeft om de rechtspositie op uniforme wijze te bepalen.
HR 19 januari 2007, NJ 2007, 575 (Meyer Europe/PontMeyer)
De Hoge Raad oordeelde dat het hof Amsterdam binnen toepassing van het
Haviltex-criterium met recht tot het oordeel kon komen dat de uitleg uitsluitend
via de tekst van het contract plaatsvond. Omdat het:
- een specifieke overeenkomst betrof (uitgebreid contract);
- gesloten is door twee professionele partijen;
- er meerdere concepten zijn uitgewisseld en becommentarieerd;
- ze zijn bijgestaan door deskundigen;
- ze hebben een entire agreement clause opgenomen.
Onder deze omstandigheden is uitgangspunt dat beslissend gewicht toegekend
moet worden aan de meest voor de hand liggende taalkundige uitleg.
HR 15 november 1957, NJ 1958/67 (Baris/Riezenkamp)
In de precontractuele fase bevinden partijen zich in een bijzondere
rechtsverhouding geregeerd door de redelijkheid en billijkheid (goede trouw)
waarin partijen rekening moeten houden met elkaars gerechtvaardigde
belangen.
HR 18 juni 1982, NJ 1983/723 (Plas/Valburg)
Partijen zijn in beginsel vrij om onderhandelingen af te breken, tenzij dit in
overeenstemming met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid
onaanvaardbaar zou zijn. In plas Valburg wordt de drie fasenleer
geintroduceerd.
1) Afbreken aanvaardbaar
2) Afbreken aanvaardbaar maar met vergoeding negatief contractsbelang
(terugbrengen naar 0 positie)
3) Afbreken onaanvaardbaar, vergoeding positief contractbelang (doen alsof
contract wel tot stand gekomen is) of plicht tot dooronderhandelen.
HR 14 juni 1996, NJ 1997/481 (De Ruijterij/MBO-Ruiters)
Onderhandelingen mogen vrij worden afgebroken tenzij dit onaanvaardbaar is.
Zelfs als een van de partijen er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat een
contract tot stand zou komen en dit vertrouwen geschaadt wordt maakt
afbreken nog niet onaanvaardbaar. Alle omstandigheden moeten worden
meegenomen waaronder:
1) De wijze waarop het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt en waarop
de afbrekende partij daaraan heeft meegedragen
2) De gerechtvaardigde belangen van de afbrekende partij
3) Onvoorziene omstandigheden die zijn opgetreden tijdens
onderhandelingen.
HR 12 augustus 2005, NJ 2005/467 (CBB/JPO Projecten)
CBB/JPO stelt contractsvrijheid en de vrijheid om onderhandelingen af te breken
nog meer centraal. Sinds dit arrest is het afbreken in beginsel toegestaan, tenzij
de maatstaven van redelijkheid en billijkheid – gelet op alle omstandigheden en
het gewekte gerechtvaardigde vertrouwen – het onaanvaardbaar maken.
CBB/JPO nuanceert hierbij ook het belang van ‘alle omstandigheden’, inclusief
hoe het vertrouwen is gewekt en of er sprake is van voortgezette
onderhandelingen ondanks gewijzigde omstandigheden. De driedeling van
Plas/Valburg wordt in CBB/JPO losgelaten en vervangen door een meer open
beoordeling.
De Hoge Raad geeft aan dat het een strenge en tot terughoudendheid nopende
maatstaf is.
,HR 01 maart 2013, NJ 2013/142 (Greenib Car/Van Dam)
Greenib heeft in hoger beroep betoogd dat het feit dat [verweerster] haar
onjuist heeft geïnformeerd, meebracht dat het voor de samenwerking tussen
partijen benodigde vertrouwen was komen te ontbreken en dat het Greenib
derhalve vrijstond uit de onderhandelingen terug te treden. Het hof heeft
overwogen:
1) Dat verweerster in beginsel erop mocht vertrouwen dat de met Greenib
gesloten intentieverklaring zou worden omgezet in een volwaardige
dealerovereenkomst
2) Dat het afbreken van de onderhandelingen door Greenib, gezien de
wederzijds betrokken belangen, in beginsel onaanvaardbaar moet worden
geacht, slechts uitzondering lijdt indien komt vast te staan dat
[verweerster] gedurende de onderhandelingen aan Greenib bewust
onjuiste informatie heeft verstrekt.
In een en ander ligt besloten dat Greenib de onderhandelingen in de gegeven
omstandigheden niet reeds mocht afbreken op de (enkele) grond dat het voor de
samenwerking benodigde vertrouwen door het doen van (niet bewust) onjuiste
mededelingen door [verweerster] was komen te ontbreken. Daarvoor was
volgens het hof mede vereist dat [verweerster] Greenib bewust onjuist heeft
geïnformeerd. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is
niet onbegrijpelijk.
,Week 1 Haviltex:
HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635 (Haviltex)
De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld
en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden
beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de
bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het
immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer
redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien
aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van
belang zijn:
1) Tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren.
2) Welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.
De subjectieve partijbedoeling zijn dus van belang bij de uitleg van
contractsbepalingen.
HR 17 september 1993, NJ 1994, 173 (Gerritse/Hydro Agri Sluiski)
De CAO uitleg. Komt neer op een puur objectieve uitleg, waarbij de subjectieve
partijbedoeling van de onderhandelende partijen niet van belang is: alleen
objectief kenbare feiten en omstandigheden komen in aanmerking. Niet-
openbare stukken en andere voor derden niet-kenbare gegevens blijven buiten
beschouwing.
Meer precies schrijft de cao-norm voor dat het bij de uitleg van een cao aankomt
op de tekst van de litigieuze bepaling, gelezen in de context van de cao. Hierbij
kunnen worden betrokken: (1) de openbare toelichtende stukken,
(2) de kenbare strekking van het beding, en
(3) de aannemelijkheid van de gevolgen van de uitleg
De reden voor de CAO norm is omdat een CAO op derden van toepassing is die
geen partij waren bij totstandkoming daarvan. Het is daarom van belang dat
voor deze derden een contract objectief en eenduidig wordt uitgelegd en niet
aan de hand van subjectieve partijbedoeling.
HR 13 juni 2003, NJ 2003, 506 (Vos/Heipro)
Uit HR 13 juni 2003, NJ 2003/506 (Vos/Heipro) blijkt dat in geval van
tegenstrijdige bepalingen tussen een specifieke bepaling in de overeenkomst en
een bepaling in algemene voorwaarden niet automatisch geldt dat de specifieke
bepaling voorrang krijgt boven de algemene voorwaarden. De Hoge Raad
verwerpt hiermee de zogenaamde (ongeschreven) regel dat specifieke
bepalingen altijd prevaleren boven algemene voorwaarden.
In plaats daarvan moet de uitleg van de overeenkomst plaatsvinden volgens de
Haviltex-maatstaf, waarbij alle omstandigheden van het geval worden
, betrokken. Het onderscheid tussen specifieke bepalingen en algemene
voorwaarden kan slechts als één van de gezichtspunten gelden.
Kortom; Vos/Heipro benadrukt dat de uitleg van contractuele bepalingen in
strijdsituaties fundamenteel afhankelijk is van redelijke verwachtingen zoals
bepaald door de Haviltex-norm, en niet van een strikte hiërarchie tussen
specifieke bepalingen en algemene voorwaarden.
HR 20 februari 2004, NJ 2005, 493 (Pensioenfonds DSM/Fox)
De Hoge Raad oordeelde dat de Haviltex-norm en de cao-norm niet tegenover
elkaar staande normen zijn, maar dat tussen hen een vloeiende overgang
bestaat. Dit arrest brengt met zich dat ook binnen de Haviltex-norm een
objectieve, welhaast op de cao-norm gelijkende uitleg kan plaatsvinden.
Sinds het DSM/Fox-arrest zijn de Haviltex- en de cao-uitleg dus aan elkaar
verbonden en is een brug geslagen tussen beide uitersten. Het is sindsdien
duidelijk dat binnen de Haviltex-norm meer objectieve factoren een rol kunnen
spelen.
Een objectievere uitleg is vooral aan de orde als de rechtshandeling de positie
van derden, die niet betrokken waren bij de totstandkoming of formulering van
de rechtshandeling, beoogt te beïnvloeden en de rechtshandeling ook de
strekking heeft om de rechtspositie op uniforme wijze te bepalen.
HR 19 januari 2007, NJ 2007, 575 (Meyer Europe/PontMeyer)
De Hoge Raad oordeelde dat het hof Amsterdam binnen toepassing van het
Haviltex-criterium met recht tot het oordeel kon komen dat de uitleg uitsluitend
via de tekst van het contract plaatsvond. Omdat het:
- een specifieke overeenkomst betrof (uitgebreid contract);
- gesloten is door twee professionele partijen;
- er meerdere concepten zijn uitgewisseld en becommentarieerd;
- ze zijn bijgestaan door deskundigen;
- ze hebben een entire agreement clause opgenomen.
Onder deze omstandigheden is uitgangspunt dat beslissend gewicht toegekend
moet worden aan de meest voor de hand liggende taalkundige uitleg.