Systeem Bijeenkomst 12.1
Soms kan uit het stelsel van de wet, uitdrukkelijke bepaling worden afgeleid dat
uit de wet een verbintenis voortvloeit. De wet is dus niet alleen wat zij
uitdrukkelijk zegt, maar ook wat zij onuitgesproken impliceert.
Deze ruime uitleg van het begrip ‘wet’ is door de Hoge Raad voor het eerst
uitdrukkelijk aanvaard in het arrest (Quint/Te Poel).
Art. 3:33 zegt dat een rechtshandeling een op rechtsgevolg gerichte wil vereist,
die zich door een verklaring heeft geopenbaard.
Meerzijdige rechtshandeling is een op een rechtsgevolg gerichte handeling
die door meer dan één persoon wordt verricht (bijvoorbeeld overeenkomst). Er
zijn ook meerzijdige rechtshandelingen die geen overeenkomst zijn (AvA
besluit).
Eenzijdige rechtshandeling is een rechtshandeling die door slechts één
persoon tot stand wordt gebracht. Deze moet gericht zijn tot een bepaalde
persoon. Deze persoon fungeert als ontvanger van de verklaring (opzegging
arbeidscontract).
Eenzijdige niet- gerichte rechtshandelingen: voor de totstandkoming is
noch de instemming van een andere persoon, noch de ontvangst door een
bepaalde andere persoon noodzakelijk (Testament opmaken).
3:32 BW: handelingsonbekwame rechtshandelingen vernietigbaar.
Uitzondering is een eenzijdige niet-gerichte rechtshandeling, deze is nietig.
Een overeenkomst is een meerzijdige rechtshandeling, waarbij een of meer
partijen jegens een of meer andere een verbintenis aangaan (art. 6:213 lid 1).
De overeenkomst wordt gekenmerkt door het obligatoire-karakter
De obligatoire overeenkomst (contractenrecht) wordt beheerst door een drietal
grondbeginselen:
- de contractsvrijheid;
- de vormvrijheid (het consensualisme);
- de verbindende kracht van de overeenkomst (‘pacta sunt servanda’).
Contractsvrijheid houdt in, dat het partijen vrijstaat een overeenkomst te
sluiten met wie zij wensen, met de inhoud die zij wensen, en op het moment dat
zij wensen. Beperkt door 3:40 BW
Vormvrijheid is voor alle rechtshandelingen neergelegd in art. 3:37 lid 1: tenzij
anders is bepaald. consensualisme
Verbindende kracht van de overeenkomst wordt vaak weergegeven met het
adagium ‘pacta sunt servanda’. Het betekent dat een overeenkomst moet
worden nagekomen.
,De verklaring moet de uitdrukking zijn van een op een rechtsgevolg gerichte
wil.
Wilsvertrouwensleer: Volgens art. 3:35 gaat de uiterlijke schijn van de
verklaring boven de interne wil van de handelende persoon, voor zover de
wederpartij (of geadresseerde) er gerechtvaardigd op heeft vertrouwd dat de
verklaring welgemeend was. Vertrouwde de wederpartij inderdaad
gerechtvaardigd, dan komt de rechtshandeling tot stand, ondanks het ontbreken
van een met de verklaring overeenstemmende wil.
Verklaring onder geestelijke stoornis is afgelegd 3:34 lid 1 BW
Art. 3:34 ziet op alle vormen van geestelijke stoornis, tijdelijk of blijvend, en
ongeacht de oorzaak van de stoornis.
Voor bescherming van het bij de wederpartij gewekte vertrouwen is volgens art.
3:35 vereist:
- Een verklaring of gedraging van de persoon aan wie de wederpartij het
vertrouwen tegenwerpt;
- Die door de wederpartij is opgevat als een tot haar gerichte verklaring
van een bepaalde strekking;
- En de wederpartij onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs zo
mocht opvatten.
Dat de wederpartij gerechtvaardigd moet hebben vertrouwd, betekent niets
anders dan dat zij te goeder trouw moet zijn geweest in de zin van art. 3:11: zij
kende het wilsdefect niet en behoefde het ook niet te kennen.
Goede trouw veronderstelt dat men naar de ware bedoelingen van de ander
onderzoek doet, indien en voor zover daarvoor in de gegeven omstandigheden
aanleiding bestaat.
,Schema:
3:35 BW
Volgens arrest Eelman/Hin is bij wilsontbreken een beroep op artikel 3:35 jo
3:11 mogelijk door de wederpartij, maar dit hangt af van de omstandigheden.
Relevante factoren zijn:
- Afkoelingsperiode; hoe lang heeft het geduurd voordat een beroep gedaan
wordt op het wilsontbreken? Westhoff/Spronsen
- Heeft diegene die zich beroept op 3:35 jo 3:11 een bepaalde
onderzoeksplicht? Hajziani/Van Woerden
- De vaardigheden van een persoon
- De aard van een persoon
Als een beroep op 3:35 slaagt dan kunnen de redelijkheid en billijkheid
corrigeren Westhoff Spronsen en S/MS
- Is er sprake van ernstig nadeel voor diegene die wilsontbreken claimt?
- Is er sprake van een geestelijke stoornis
- Heeft wederpartij voortgebouwd op de verklaring?
3:34 BW
1) Er is sprake van een geestelijke stoornis dit kan van alles zijn inclusief
alcohol
2) De geestelijke gestoorde heeft iets verklaard
3) Geestesvermogens is tijdelijk of blijvend gestoord als:
a. De stoornis een redelijke waardering van belangen belette
b. De verklaring onder invloed van de stoornis is gedaan. Vermoeden bij
nadeligheid. Dit vermoeden wordt aangenomen als rechtshandeling
nadelig was. Wederpartij kan ontzenuwen door:
i. Aan te tonen dat het nadeel ten tijde van het verrichten van de
rechtshandeling onvoorzienbaar was.
ii. Feiten en omstandigheden aannemelijk maken dat de
verklaring niet onder invloed van de stoornis is gedaan (dat is
immers het karakter van een vermoeden)
, 4) GEVOLG: wil wordt geacht te ontbreken (wettelijke fictie niet weerlegbaar)
5) Rechtsgevolg: rechtshandeling vernietigbaar of nietig
Systeem Bijeenkomst 12.2
De term ‘wilsgebrek’ geeft aan dat iemand een rechtshandeling verricht, terwijl
zijn wil daartoe op een gebrekkige wijze is gevormd
Het verschil met de geestelijke stoornis van art. 3:34 is, dat bij 3:34 wil en
verklaring niet met elkaar overeenstemmen.
vier wilsgebreken: dwaling, bedrog, bedreiging en misbruik van
omstandigheden. Dit is een limitatieve opsomming; andere wilsgebreken erkent
de wet niet. De laatstgenoemde drie zijn te vinden in art. 3:44 en de eerste in
art. 6:228.
Hoewel degene die een overeenkomst sluit onder invloed van een wilsgebrek in
veel gevallen ook zal zijn benadeeld door de overeenkomst, wordt dit vereiste in
de art. 3:44 en 6:228 niet gesteld. behoeft dus geen schade of ander nadeel te
hebben geleden voor een geslaagde vernietigingsactie
Schema dwaling:
6:228 BW
1) Er is sprake van een onjuiste voorstelling van zaken;
- Als men van een bepaald feit in het geheel niet of slechts gedeeltelijk op
de hoogte is, of als men een bepaalde mening heeft die niet met de
werkelijkheid overeenstemt.
2) Causaal verband tussen de onjuiste voorstelling en de overeenkomst;
- Er is geen causaal verband als datgene waaromtrent is gedwaald van
ondergeschikt belang is
3) Er moet sprake zijn van een van de gevallen uit lid 1
a. Inlichting wederpartij + kenbaarheidsvereiste
b. Schending spreekplicht + kenbaarheidsvereiste. Mededelingsplicht is
volgens Van Geest/Nederlof groter dan onderzoeksplicht.
c. Wederzijdse dwaling + kenbaarheidsvereiste
Kenbaarheidsvereiste: voor de wederpartij duidelijk was, of had moeten zijn,
dat de dwalende de overeenkomst niet (of niet onder dezelfde voorwaarden) zou
hebben gesloten als hij een juiste voorstelling van zaken had gehad
Soms kan uit het stelsel van de wet, uitdrukkelijke bepaling worden afgeleid dat
uit de wet een verbintenis voortvloeit. De wet is dus niet alleen wat zij
uitdrukkelijk zegt, maar ook wat zij onuitgesproken impliceert.
Deze ruime uitleg van het begrip ‘wet’ is door de Hoge Raad voor het eerst
uitdrukkelijk aanvaard in het arrest (Quint/Te Poel).
Art. 3:33 zegt dat een rechtshandeling een op rechtsgevolg gerichte wil vereist,
die zich door een verklaring heeft geopenbaard.
Meerzijdige rechtshandeling is een op een rechtsgevolg gerichte handeling
die door meer dan één persoon wordt verricht (bijvoorbeeld overeenkomst). Er
zijn ook meerzijdige rechtshandelingen die geen overeenkomst zijn (AvA
besluit).
Eenzijdige rechtshandeling is een rechtshandeling die door slechts één
persoon tot stand wordt gebracht. Deze moet gericht zijn tot een bepaalde
persoon. Deze persoon fungeert als ontvanger van de verklaring (opzegging
arbeidscontract).
Eenzijdige niet- gerichte rechtshandelingen: voor de totstandkoming is
noch de instemming van een andere persoon, noch de ontvangst door een
bepaalde andere persoon noodzakelijk (Testament opmaken).
3:32 BW: handelingsonbekwame rechtshandelingen vernietigbaar.
Uitzondering is een eenzijdige niet-gerichte rechtshandeling, deze is nietig.
Een overeenkomst is een meerzijdige rechtshandeling, waarbij een of meer
partijen jegens een of meer andere een verbintenis aangaan (art. 6:213 lid 1).
De overeenkomst wordt gekenmerkt door het obligatoire-karakter
De obligatoire overeenkomst (contractenrecht) wordt beheerst door een drietal
grondbeginselen:
- de contractsvrijheid;
- de vormvrijheid (het consensualisme);
- de verbindende kracht van de overeenkomst (‘pacta sunt servanda’).
Contractsvrijheid houdt in, dat het partijen vrijstaat een overeenkomst te
sluiten met wie zij wensen, met de inhoud die zij wensen, en op het moment dat
zij wensen. Beperkt door 3:40 BW
Vormvrijheid is voor alle rechtshandelingen neergelegd in art. 3:37 lid 1: tenzij
anders is bepaald. consensualisme
Verbindende kracht van de overeenkomst wordt vaak weergegeven met het
adagium ‘pacta sunt servanda’. Het betekent dat een overeenkomst moet
worden nagekomen.
,De verklaring moet de uitdrukking zijn van een op een rechtsgevolg gerichte
wil.
Wilsvertrouwensleer: Volgens art. 3:35 gaat de uiterlijke schijn van de
verklaring boven de interne wil van de handelende persoon, voor zover de
wederpartij (of geadresseerde) er gerechtvaardigd op heeft vertrouwd dat de
verklaring welgemeend was. Vertrouwde de wederpartij inderdaad
gerechtvaardigd, dan komt de rechtshandeling tot stand, ondanks het ontbreken
van een met de verklaring overeenstemmende wil.
Verklaring onder geestelijke stoornis is afgelegd 3:34 lid 1 BW
Art. 3:34 ziet op alle vormen van geestelijke stoornis, tijdelijk of blijvend, en
ongeacht de oorzaak van de stoornis.
Voor bescherming van het bij de wederpartij gewekte vertrouwen is volgens art.
3:35 vereist:
- Een verklaring of gedraging van de persoon aan wie de wederpartij het
vertrouwen tegenwerpt;
- Die door de wederpartij is opgevat als een tot haar gerichte verklaring
van een bepaalde strekking;
- En de wederpartij onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs zo
mocht opvatten.
Dat de wederpartij gerechtvaardigd moet hebben vertrouwd, betekent niets
anders dan dat zij te goeder trouw moet zijn geweest in de zin van art. 3:11: zij
kende het wilsdefect niet en behoefde het ook niet te kennen.
Goede trouw veronderstelt dat men naar de ware bedoelingen van de ander
onderzoek doet, indien en voor zover daarvoor in de gegeven omstandigheden
aanleiding bestaat.
,Schema:
3:35 BW
Volgens arrest Eelman/Hin is bij wilsontbreken een beroep op artikel 3:35 jo
3:11 mogelijk door de wederpartij, maar dit hangt af van de omstandigheden.
Relevante factoren zijn:
- Afkoelingsperiode; hoe lang heeft het geduurd voordat een beroep gedaan
wordt op het wilsontbreken? Westhoff/Spronsen
- Heeft diegene die zich beroept op 3:35 jo 3:11 een bepaalde
onderzoeksplicht? Hajziani/Van Woerden
- De vaardigheden van een persoon
- De aard van een persoon
Als een beroep op 3:35 slaagt dan kunnen de redelijkheid en billijkheid
corrigeren Westhoff Spronsen en S/MS
- Is er sprake van ernstig nadeel voor diegene die wilsontbreken claimt?
- Is er sprake van een geestelijke stoornis
- Heeft wederpartij voortgebouwd op de verklaring?
3:34 BW
1) Er is sprake van een geestelijke stoornis dit kan van alles zijn inclusief
alcohol
2) De geestelijke gestoorde heeft iets verklaard
3) Geestesvermogens is tijdelijk of blijvend gestoord als:
a. De stoornis een redelijke waardering van belangen belette
b. De verklaring onder invloed van de stoornis is gedaan. Vermoeden bij
nadeligheid. Dit vermoeden wordt aangenomen als rechtshandeling
nadelig was. Wederpartij kan ontzenuwen door:
i. Aan te tonen dat het nadeel ten tijde van het verrichten van de
rechtshandeling onvoorzienbaar was.
ii. Feiten en omstandigheden aannemelijk maken dat de
verklaring niet onder invloed van de stoornis is gedaan (dat is
immers het karakter van een vermoeden)
, 4) GEVOLG: wil wordt geacht te ontbreken (wettelijke fictie niet weerlegbaar)
5) Rechtsgevolg: rechtshandeling vernietigbaar of nietig
Systeem Bijeenkomst 12.2
De term ‘wilsgebrek’ geeft aan dat iemand een rechtshandeling verricht, terwijl
zijn wil daartoe op een gebrekkige wijze is gevormd
Het verschil met de geestelijke stoornis van art. 3:34 is, dat bij 3:34 wil en
verklaring niet met elkaar overeenstemmen.
vier wilsgebreken: dwaling, bedrog, bedreiging en misbruik van
omstandigheden. Dit is een limitatieve opsomming; andere wilsgebreken erkent
de wet niet. De laatstgenoemde drie zijn te vinden in art. 3:44 en de eerste in
art. 6:228.
Hoewel degene die een overeenkomst sluit onder invloed van een wilsgebrek in
veel gevallen ook zal zijn benadeeld door de overeenkomst, wordt dit vereiste in
de art. 3:44 en 6:228 niet gesteld. behoeft dus geen schade of ander nadeel te
hebben geleden voor een geslaagde vernietigingsactie
Schema dwaling:
6:228 BW
1) Er is sprake van een onjuiste voorstelling van zaken;
- Als men van een bepaald feit in het geheel niet of slechts gedeeltelijk op
de hoogte is, of als men een bepaalde mening heeft die niet met de
werkelijkheid overeenstemt.
2) Causaal verband tussen de onjuiste voorstelling en de overeenkomst;
- Er is geen causaal verband als datgene waaromtrent is gedwaald van
ondergeschikt belang is
3) Er moet sprake zijn van een van de gevallen uit lid 1
a. Inlichting wederpartij + kenbaarheidsvereiste
b. Schending spreekplicht + kenbaarheidsvereiste. Mededelingsplicht is
volgens Van Geest/Nederlof groter dan onderzoeksplicht.
c. Wederzijdse dwaling + kenbaarheidsvereiste
Kenbaarheidsvereiste: voor de wederpartij duidelijk was, of had moeten zijn,
dat de dwalende de overeenkomst niet (of niet onder dezelfde voorwaarden) zou
hebben gesloten als hij een juiste voorstelling van zaken had gehad