Contents
Bestuursprocesrecht............................................................................................... 1
Week 1: De bestuursrechter en bestuursrechtspraak.............................................2
Opdrachten......................................................................................................... 2
Hoorcollege......................................................................................................... 8
Opdrachten....................................................................................................... 15
Week 3: Omvang van het geding, aanvulling van rechtsgronden en ambtshalve
toetsing................................................................................................................ 22
Opdrachten....................................................................................................... 24
Hoorcollege....................................................................................................... 28
Week 4 Rechtsbescherming, feitenaanvulling en bewijs......................................29
Opdrachten....................................................................................................... 30
Week 5 Uitspraken en afdoeningsmodaliteiten....................................................35
Opdrachten....................................................................................................... 39
,Week 1: De bestuursrechter en
bestuursrechtspraak
Tijdens deze eerste bijeenkomst staan we stil bij de vraag waarom er eigenlijk
bestuursrechtspraak is. Het begrip bestuursrechter wordt verkend. Tevens komen
enkele belangrijke beginselen en kenmerken van het bestuursprocesrecht aan
bod. Verder kijken we naar een aantal Europeesrechtelijke randvoorwaarden
waaraan het bestuursprocesrecht moet voldoen. Het tweede deel van de
bijeenkomst staat in het teken van het verkennen van verschillende
bestuursrechtelijke rechtsgangen. Dit is een tamelijk technisch onderwerp. De
wet zal nauwkeurig moeten worden geraadpleegd! Anders dan in het verleden is
gelukkig veel informatie te vinden in de Awb en in twee belangrijke bijlagen bij
deze wet. Het gaat om de Regeling rechtstreeks beroep (Bijlage 1) en de
Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak (Bijlage 2).
LITERATUUR
• Bestuursrecht 2, hoofdstuk 1 (m.u.v. § 1.4 en § 1.5)
• Bestuursrecht 2, § 2.2
JURISPRUDENTIE
ABRvS 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188 (uniformering redelijke termijn)
EHRM 8 oktober 2015, ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD00772212 (Korošec, equality
of arms)
HvJ EU 27 september 2017, ECLI:EU:C:2017:725 (Puškár)
Opdrachten
A. De bestuursrechter en bestuursrechtspraak
Vragen ter bespreking in de onderwijsgroep:
1. De Nederlandse Grondwet heeft aandacht voor het bestuursrecht (zie
bijv. art. 107 lid 2 GW). Toch regelt zij maar weinig over
bestuursrechtspraak en de bestuursrechter. Hoe blijkt uit de
Grondwet dat de wetgever bestuursrechters kan instellen? Ga na
welke bestuursrechters tot de rechterlijke macht behoren en welke
niet.
In de artikelen 107, tweede lid, van de Grondwet is bepaald dat de wet algemene
regels van het bestuursrecht vaststelt. Dit is gedaan met de Algemene wet
bestuursrecht.
,In artikel 112, eerste lid, van de Grondwet is bepaald dat aan de rechterlijke
macht is opgedragen: de berechting van geschillen over burgerlijke rechten en
over schuldvorderingen. Volgens het tweede lid kan de wet de berechting van
geschillen die niet uit burgerlijke rechtsbetrekkingen zijn ontstaan, (zoals
bestuursrecht) opdragen hetzij aan de rechterlijke macht, hetzij aan gerechten
die niet tot de rechterlijke macht behoren. De wet regelt de wijze van
behandeling en de gevolgen van de beslissingen.
In artikel 116, eerste lid, van de Grondwet is bepaald dat de wet de gerechten
aanwijst die behoren tot de rechterlijke macht. Daarmee wordt bedoeld aan de
uitwerking in artikel 2 van de Wet op de rechterlijke organisatie: daarin is bepaald
dat de tot de rechterlijke macht behorende gerechten zijn: a) de rechtbanken, b)
de gerechtshoven en c) de Hoge Raad.
In artikel 117, eerste lid, van de Grondwet is bepaald dat de leden van de
rechterlijke macht met rechtspraak belast en de procureur-generaal bij de Hoge
Raad bij koninklijk besluit voor het leven worden benoemd. Onduidelijk is hoe dit
zich verhoudt tot art. 2 Wet op de rechterlijke organisatie, en daarmee, tot de
hogere bestuursrechters.
Objectum litus-leer (Noordwijkerhout/Guldemond): “Overwegende, dat uit een en
ander valt af te leiden, dat ook in artikel 2 der Wet op de Rechterlijke Organisatie
de uitsluitende bevoegdheid van de rechterlijke macht is afhankelijk gesteld van
het voorwerp van het geschil”
De Awb regelt de algemene regels van het bestuursrecht. Daaruit blijkt ten eerste
dat de bestuursrechter met bestuursrechtspraak is belast. (art. 1:4, eerste lid,
van de Awb). Tegen besluiten staat in beginsel bezwaar open (hoofdstuk 6 en 7),
tegen bepaalde besluiten administratief beroep (hoofdstuk 7). In eerste aanleg is
in beginsel de rechtbank bevoegd (zie artt. 8:1 jo. 8:6 van de Awb). In hoger
beroep (en incidentieel ook in eerste aanleg, zie hoofdstuk 2 van de
Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak) is een van de hogere
beroepsinstanties, namelijk de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State, de Centrale Raad van Beroep, het College van Beroep voor het
bedrijfsleven of een gerechtshof bevoegd (zie voor de kernbepaling art. 8:105
Awb). Welke bevoegd is, volgt uit hoofdstuk 4 van de Bevoegdheidsregeling
bestuursrechtspraak, die onderdeel uitmaakt van de Awb. De Afdeling, Centrale
Raad en het College zijn, gelet op artikel 2 RO, evident geen onderdeel van de
rechterlijke macht. Zij vallen dus, als benoemd in artikel 112, eerste lid, GW, tot
gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren.
2. Waarom is de kantonrechter van de rechtbank die oordeelt over een
verkeerboete een bestuursrechter? Betrek in uw antwoord de
definitie van ‘bestuursrechter’ van art. 1:4 Awb.
In artikel 1:4 van de Awb wordt een definitie gegeven van het begrip
‘bestuursrechter’:
Artikel 1:4 van de Awb
1. Onder bestuursrechter wordt verstaan: een onafhankelijk, bij de wet
ingesteld orgaan dat met bestuursrechtspraak is belast.
, 2. Onder hogerberoepsrechter wordt verstaan: een bestuursrechter die in
hoger beroep oordeelt.
3. Een tot de rechterlijke macht behorend gerecht wordt als bestuursrechter
aangemerkt voor zover hoofdstuk 8 of de Wet administratiefrechtelijke
handhaving verkeersvoorschriften — met uitzondering van hoofdstuk VIII
— van toepassing of van overeenkomstige toepassing is.
Uit artikel 8:6 van de Awb volgt dat het beroep kan worden ingesteld bij de
rechtbank (daarmee wordt gedoeld op de afdeling bestuursrecht), tenzij een
andere bestuursrechter bevoegd is ingevolge hoofdstuk 2 van de bij deze wet
behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak dan wel ingevolge een
ander wettelijk voorschrift. De laatste zin verwijst, ten aanzien van deze
vraag, naar de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften.
Daarin volgt o.a. uit artikelen 6-8 dat eerst administratief beroep/bezwaar kan
worden aangetekend bij de officier van justitie, en vervolgens (artikel 9) beroep
kan worden ingediend bij de kantonrechter.
B. Beginselen en kenmerken
Het bestuursprocesrecht heeft een aantal specifieke kenmerken. De belangrijkste
zijn:
- Het uitgangspunt van een actieve, niet lijdelijke rechter (die bijv. zelf feiten
onderzoekt);
- Het beginsel van ongelijkheidscompensatie (zie vraag 4);
- Het verbod van ultra petita gaan (8:69, eerste lid, van de Awb) en het verbod
van reformatio in peius (geen slechtere positie dan vóór instellen
rechtsmiddelen, máár geldt niet bij aanwezigheid van derden);
- Het beginsel van rechterlijke toetsing ex tunc (naar moment van toen); (dit
geldt overigens niet voor bezwaar: daarin vindt in beginsel een heroverweging
ex nunc plaats)
- Korte termijnen (o.a. beslistermijn, art. 6:7 van de Awb) en
- Voorprocedures (bezwaar of administratief beroep).
Vragen ter bespreking in de onderwijsgroep:
Rechtspraak en dus ook bestuursrechtspraak omvat twee belangrijke rechterlijke
activiteiten: feitenvaststelling en rechtstoepassing.
3. Waaruit blijkt dat de bestuursrechter een actieve rechter is (of kan
zijn)? Geef aan of de actieve houding van de bestuursrechter ziet op
rechtstoepassing of op feitenvaststelling (of op beide activiteiten).
Geef enkele voorbeelden.
De bestuursrechter kan een actieve rechter zijn op het gebied van zowel
rechtstoepassing als bij feitenvaststelling. Belangrijk om hierbij op te merken is
dat hierin kan worden gezien dat dit als het ware discretionaire bevoegdheden
betreft, en het dus aan de bestuursrechter is of, en in hoeverre, hij hier uitvoering
aan geeft.