stoornissen
Taak 1
Prins & Braet (2014)
Agressie = Gedrag dat bedoeld is om een ander te schaden en deze ander ook werkelijk
schaadt, waarbij deze ander de schade wil vermijden.
Intentie tot schaden: er moet een bewuste bedoeling zijn om schade toe te
brengen. Een druk kind dat per ongelijk iets omstoot, is dus niet per definitie
agressief.
Daadwerkelijke schade: vijandige gedachten alleen vallen niet onder agressie;
er moet ook daadwerkelijk schaden worden berokkend.
De ander wil dit vermijden: de handelingen is ongewenst door de ontvanger.
Regeloververtredend gedrag: overkoepelende term voor al het gedrag dat in strijd in
met de geldende regels. Dit kunnen formele regels zijn (wetten of schoolregels) maar ook
informele gedragscodes of ouderlijke regels.
Delinquentie is regel vertredend gedrag, waarbij de wet overtreden wordt.
Reactieve Agressie Proactieve Agressie
Aanleiding: Een reactie op een vermeende Aanleiding: Doelgericht en op eigen
bedreiging of provocatie. initiatief ingezet om een bepaald voordeel
te behalen.
Emotionele staat: Gekenmerkt door sterke Emotionele staat: Een vorm van doelgericht
lichamelijke arousal en impulsief gedrag dat weloverwogen wordt uitgevoerd.
handelen.
Fysieke agressie vertoont een typisch verloop: het neemt toe in de eerste levensjaren
met een piek tussen de 2 en 3 jaar. Daarna neemt de frequentie bij de meeste kinderen
geleidelijk af en wordt het deels vervangen door verbale of relationele agressie. Met de
leeftijd lijkt vooral reactieve agressie af te nemen, terwijl proactieve agressie even
prevalent blijft.
Categorie Risicofactoren Beschermende factoren
Kindfactoren - Vroeg probleemgedrag (sterkste - Bovengemiddelde intelligentie
voorspeller) - Makkelijk temperament
- Reactieve agressie: - Goede zelfcontrole
- Aandachtsproblemen / hyperactiviteit
- Moeilijk temperament
- Lage intelligentie
- Verstoorde sociale informatieverwerking
- Proactieve agressie:
- Lage emotionaliteit (weinig empathie, schuld)
- Ongevoelige stressrespons
- Afwijkende morele oordelen
- Ernstige delinquentie:
- Cumulatie van risicofactoren
- Drugsgebruik / erfelijke kwetsbaarheid
- Lage schoolmotivatie
Gezinsfactore Inconsistent opvoeden Warme, sensitieve ouder-
n Hard/fysiek straffen kindrelatie
Gebrek aan warmte en sensitiviteit Consistente opvoeding
Weinig ouderlijk toezicht (monitoring) Goed ouderlijk toezicht
, Conflicten tussen ouders (zeker waar kind bij
is)
Psychosociale problemen / delinquentie ouders
Leeftijdsgenote Afwijzing door prosociale peers Positieve vriendengroep
n Aantrekking tot deviante peers Acceptatie door prosociale
Groepsvorming met probleemjongeren leeftijdsgenoten
Bekrachtiging van probleemgedrag (bijv.
pesten → status)
Bredere sociale Lage sociaaleconomische status (SES) Positief schoolklimaat
omgeving Onveilige / arme buurt Veilige leefomgeving
Blootstelling aan geweld (thuis, school, media) Gestructureerde
Negatief schoolklimaat / slechte prestaties vrijetijdsbesteding (sport,
Weinig gestructureerde vrijetijdsbesteding hobby’s)
— Sterke band met ouder/verzorger
Algemeen of belangrijke volwassene
Beschermende factoren dempen
impact van risico’s (bufferfunctie)
5 patronen bij kinderen met gedragsproblemen
1. Minder gevoelig voor straf
2. Minder gevoelig voor beloning
3. Emotioneler reageren op stress
4. Beperkte cognitieve capaciteiten
5. Beperkte prosociale emoties
Dwingende interacties (coercion), zoals beschreven door Patterson:
1. Een ouder doet een verzoek (bv. "ruim je speelgoed op").
2. Het kind reageert met probleemgedrag (bv. schreeuwen, nee zeggen).
3. De ouder reageert negatief (bv. wordt boos, dreigt).
4. Het kind escaleert het probleemgedrag (bv. gooit met speelgoed).
5. De ouder geeft toe om de rust te herstellen.
Kinderen met gedragspatronen hebben vaak een vertekend denkpatroon
Denkpatronen bij Reactieve Agressie:
o Selectieve aandacht voor bedreigende signalen.
o Snelle en vijandige interpretaties van de bedoelingen van anderen (bv. "hij
deed dat expres om mij te pesten").
o Intense boosheid en moeite om deze emoties te reguleren.
Denkpatronen bij Proactieve Agressie:
o Doelen die gericht zijn op dominantie en wraak.
o Positieve verwachtingen van de uitkomst van agressie (bv. "als ik hem sla,
krijg ik wat ik wil").
o Overschatting van de mate waarin anderen agressief gedrag goedkeuren.
Carr (2016) Hoofdstuk 10
Gedragsproblemen is de meest dure stoornis in de kindertijd
Weinig behandelrespons
Slechte prognose
Intergenerationele overdracht
DSM-5
Childhood-onset
Adolescent-onset
Unspecified-onset
met CU traits (Callous-unemotional kenmerken, e.g. gebrek aan empathie)
zonder CU traits
Kenmerk ODD (Oppositioneel-opstandige stoornis) CD (Conduct disorder / antisociale
gedragsstoornis)
,Kern van de Negativistisch, opstandig en prikkelbaar gedrag Ernstig norm overschrijdend gedrag
stoornis waarbij rechten van anderen worden
geschonden
Aantal ≥ 4 symptomen ≥ 3 symptomen
symptomen
Duur ≥ 6 maanden ≥ 12 maanden (≥1 symptoom in
laatste 6 maanden)
Type gedrag 3 domeinen: 1. Boos/prikkelbaar (snel 4 domeinen: 1. Agressie (tegen
geïrriteerd, boos) 2. Argumentatief/opstandig mensen/dieren) 2. Vernieling van
(discussie, weigeren, anderen irriteren, schuld eigendom 3. Bedrog/diefstal 4.
afschuiven) 3. Wraakzuchtig (hatelijk gedrag) Ernstige regelovertreding
Ernst gedrag Minder ernstig: geen schending van Ernstig: duidelijke schending van
basisrechten of wetten rechten en sociale normen
Frequentie-eis Regelmatig (bij kinderen ≥1x per week) Herhaald en persisterend patroon
Impact Lijdensdruk of problemen in functioneren Klinisch significante beperkingen
functioneren (sociaal, school) (school, sociaal, etc.)
Uitsluitingscriteri Niet tijdens psychose, middelengebruik, Bij >18 jaar: geen antisociale
a depressie/bipolair; niet beter verklaard door persoonlijkheidsstoornis
DMDD
Typisch verschil Vooral conflicten met autoriteit en emoties Meer antisociaal en crimineel gedrag
ODD = “boos en dwars” → vooral houding en gedrag tegenover anderen
CD = “grensoverschrijdend” → schendt regels en rechten van anderen
Etiologische theorieën over gedragsstoornis CD
1. Biologische theorieën:
o Genetisch
o Neurobiologische tekorten: hersenafwijking
o Ontregeling van neurotransmitters: lager niveau van serotonine
o Neuro-endocrine hypothese: agressie door testosteron
o Hyperarousal: stressreactiesysteem zijn onder reactief
o Temperament
2. Psychodynamische theorieën: superego-tekorten en onveilige hechting
o Superego deficit theory: ASB is gevolg van beperkt functioneren van
superego
o Hechtingstheorie: correlatie tussen onveilige hechting en
gedragsproblemen
3. Cognitieve gedragstheorieën
o Sociale informatie verwerkingstheorie
o Tekorten in sociale vaardigheden
o Modellering theorie: aangeleerd door imitatie
o Dwangfamilieproces: dwingende interactiepatronen ® operante
conditionering
4. Systeemtheorieën
o Gezinsdisfunctie
o Meerdere systemen ® behandeling moet multidisciplinair zijn
Behandeling
Psycho-educatie
Monitoring (bijv dagboek)
Gedragsmatige oudertraining (opvoedvaardigheden en technieken)
Verminderen van antisociaal gedrag
Matthys & Lochman (2017). ODD en CD in childhood
Hoofdstuk 1 behavior and disorders
, Oppositioneel gedrag: gedrag waarbij een kind weerstand toont t.o.v. de verzorger.
Antisociaal gedrag wordt veelal gebruikt als algemene term voor ongepast gedrag,
kenmerkt zich door het schenden van basale normen, rechten en regels.
Callous-Unemotional Traits (CUT) vormen de affectieve factor van psychopathie:
het zijn eigenschappen, zoals gebrek aan schuld, rouw, rekening houden met andermans
gevoelens, oppervlakkig uiten van emoties en gebrek aan belangstelling.
→ CUT komen voor bij een bijzonder agressieve subgroep van antisociaalgedrag, met een
gemiddelde stabiliteit, tonen meer instrumentele agressie en meer stabiliteit van
antisociaal gedrag.
DSM-4: ODD,CD en ADHD vielen onder dezelfde noemer = storend gedrag, hyperactief
gedrag, impulsief gedrag.
ODD: een terugkerend patroon van ongepast gedrag naar autoriteitsfiguren, waarbij
onder andere woede-uitbarstingen, koppigheid, verzet tegen instructies, onwilligheid tot
compromis, opzettelijk testen van grenzen, verbale (en in mindere mate fysieke) agressie
voorkomen. → gaat vaak samen met laag zelfvertrouwen, lage stemming, lage
frustratietolerantie en slecht executief functioneren.
CD: een herhaaldelijk en volhardend patroon van gedrag dat de basisrechten van
anderen of de normen en regels van de maatschappij schendt.
Hoofdstuk 4 indivual charactistics
Gedrags en moleculaire genetica
Gen-omgeving-correlatie: 40% erfelijk, ODD/CD comorbide met ADHD
Diathese-stressmodel: stelt dat sommige kinderen vanwege een specifieke
kwetsbaarheid eerder negatief worden beïnvloed door omgevingsrisico's dan
anderen.
Temperament
Neurobiologische kenmerken: straf sensitiviteit ® amygdala, sympathisch
zenuwstelsel en HPA-as
Sociaal informatie verwerking en sociale probleemoplossing
Social information processing Model (SIP): beschrijft hoe kinderen informatie
verwerken om gepast of ongepast te reageren in sociale situaties
Coderen van signalen: signalen opmerken en verwerken. Bepaalde manier van
verwerken kan gedrag bepalen
Interpreteren van signalen: attributies van een kind over motieven van
andermans acties, perspectief nemen en empathie
Verduidelijking van doelen: ASB-ers hechten waarde aan sociale dominantie en
wraak en ziet dit sneller als oplossing
Toegang tot respons of constructie
Reactiebeslissing: evaluatie van eerder opgevraagde reacties en selectie van de
meeste positief geëvalueerde reacties voor uitvoering.
Hoofstuk 6 clinical assessment
1. Het verzamelen van schriftelijke informatie van ouders (en leerkrachten):
informatie uit vragenlijsten zijn zowel georiënteerd op het kind (e.g. anamnetisch)
als op het gezin/familie (e.g. gezinssamenstelling, SES, erfelijke belasting).
2. Het eerste gesprek met ouders en kind (intake)
3. Het formuleren van hypothese over mogelijke diagnoses en
comorbiditeit: veel voorkomende comorbiditeiten of differentiaal diagnoses zijn:
ADHD, autisme, bipolaire stoornis, verstandelijke beperking, taalstoornissen.
4. Het klinische interview en de observatie van het kind: uitsluiten andere
aandoeningen, identificeren van comorbiditeit, observeren symptomen en andere
kenmerken van ODD/ CD
5. De voltooiing van aanvullende beoordelingen, indien nodig.
6. Het afnemen van een DSM-5 of ICD-10 georiënteerd interview met ouders
(individueel met ouder kind): criteria beschreven in gedragingen, die in het
dagelijks leven voorkomen.