★ KC Sociale ongelijkheid: situatie waarin verschillen tussen mensen in al dan niet
aangeboren kenmerken, consequenties hebben voor hun maatschappelijke positie
en leiden tot een ongelijke verdeling van schaarse en hooggewaardeerde zaken van
waardering en behandeling.
Vier soorten sociale ongelijkheid:
- Ongelijke verdeling van economische hulpbronnen: geld en bezit.
- Ongelijke verdeling van sociale hulpbronnen: contact met mensen.
- Ongelijke verdeling van symbolische hulpbronnen: status en aanzien.
- Ongelijke verdeling van politieke hulpbronnen: macht en gezag.
_____
- Maatschappelijke ladder: ordening in sociale lagen.
- Sociale laag: groepen mensen met een vergelijkbare maatschappelijke positie.
- Sociale stratificatie: een indeling van sociale lagen, waartussen een ongelijke
verhouding bestaat.
- Beroepen- en functiesegregatie: sommige beroepen worden als typisch mannelijk of
vrouwelijk gezien.
- ‘’Het glazen plafond’’: een onzichtbare barrière waardoor vrouwen maar beperkt
kunnen klimmen op de maatschappelijke ladder.
- Open samenlevingen: waarin je afkomst niet bepalend zou moeten zijn voor de plek
die je in gaat nemen op de maatschappelijke ladder.
- Gesloten samenlevingen: weinig mogelijkheden om sociaal mobiel te zijn.
- Positietoewijzing: gaat over maatschappelijke oorzaken die van buitenaf op de
persoon of groep inwerken. Zaken waar je dus zelf niet te veel invloed op hebt.
→ Voorbeelden: welke rechten/plichten zijn vastgesteld in jouw wetgeving? Hoe is de
kwaliteit van onderwijs op jouw school? Wat beïnvloedt jouw gezondheid?
- Positieverwerving: het verkrijgen van een maatschappelijke positie door de eigen
bijdrage van een persoon of groep waar je toe behoort.
→ Voorbeelden: hoe goed doe je je best op school? Heb je bijbaan? Eet je gezond?
- Subjectieve arbeidsmarktkansen: mensen die hun kansen op de arbeidsmarkt
negatief inschatten en daardoor minder hard naar een baan zoeken.
→ zijn vooral vrouwen, jongeren, laagopgeleiden, niet-westerse migratieachtergrond.
Drie soorten kapitaal (als ingrediënt voor positieverwerving)
- Economisch kapitaal: bezit/hoog inkomen.
→ Betalen van trainingen of cursussen om daarmee interessanter te zijn voor
potentiële werkgever.
- Sociaal kapitaal: connecties, netwerken en mate van respect die mensen genieten.
→ Wanneer ouders hun kinderen stimuleren contact te maken met anderen.
- Cultureel kapitaal: kennis, opvattingen, smaak.
→ levensstijl, taalgebruik.
_____
, Sociale ongelijkheid en omgevingsfactoren:
- Europeanisering en globalisering (heeft zowel voordelen als nadelen):
→ Voordelen:
● Bedrijven kunnen hun producten/diensten in steeds meer landen aanbieden.
→ Nadelen
● Loonkosten in NL zijn relatief hoog, waardoor bedrijven zich in het buitenland
gaan vestigen.
● Door die verplaatsing van arbeid is in NL minder vraag naar arbeid.
● Ontstaat een migratiestroom van arme naar rijke landen, waardoor in rijkere
landen een nieuwe onderklasse ontstaat van migranten met lage inkomens.
- Informatisering en digitalisering:
● Voorbeeld hiervan is de digitale kloof: een jonger iemand zal meer kennis
hebben over de digitale wereld dan een ouder iemand, maar ook een hoog-
of laag opleidingsniveau is bepalend.
- Veranderende man-vrouw verhouding:
● Tegenwoordig is het vaak nog steeds zo dat vrouwen minder betaald krijgen
dan mannen en is het voor vrouwen lastiger een baan te vinden een
aangenomen te worden.
- Stijging opleidingsniveau:
● De opleidingseisen voor allerlei soorten werk zijn opgeschroefd
→ diploma-inflatie: behaalde diploma wordt minder waard.
- Ontwikkeling naar postindustriële samenleving:
● Het aantal mensen dat werkt in de dienstensector is toegenomen, terwijl het
aantal mensen werkzaam in de industriële sector afneemt. Beroepen in
maakindustrie die steeds zeldzamer/minder populair worden, leveren nog
altijd minder status en financiële beloning op dan beroep in dienstensector.
_____
- De theorie van het pluralisme: gaat uit van een verdeling of spreiding van de macht
over verschillende groepen.
- De machtselitetheorie: stelt dat er een relatief kleine elite is die veel macht in handen
heeft, doordat zij in elke sector leidinggevende functies vervullen.
Er zijn vier concrete gevolgen van sociale ongelijkheid:
- Onderwijs:
● Kinderen met hoogopgeleide ouders presteren vaak beter op school dan
kinderen met laagopgeleide ouders.
● Het cultureel kapitaal van ouders heeft veel invloed op de onderwijsloopbaan
van hun kinderen.
● Hoogopgeleide ouders zullen minder snel accepteren dat hun kind met een
opleiding stopt.
- Cultuur en vrije tijd:
● Hoogopgeleiden besteden hun tijd anders (theater, musea etc) dan
laagopgeleiden (volksmuziek, actiefilms).
● Soms wordt er ook wel gesproken over de elitecultuur tegenover de
massacultuur.