Projectmanagement
Week 1
Definitie project
Bij een project werkt een aantal mensen met een beperkte hoeveelheid geld en
middelen samen om een bepaald doel te
bereiken.
Strategisch inzicht
Strategie is de koers van de organisatie/het
project in relatie tot zijn omgeving.
Wie zijn wij?
Wie zijn onze concurrenten?
Waar willen we naar toe?
Hoe gaan we daar komen?
Doelstelling= waarom wil deze organisatie een nieuw automatiseringssysteem?
Resultaat= dingen die je moet doen om je doelstelling te halen
KPI’S= eisen aan de resultaten
Duwende kracht: Urgentie
Drijvende kracht: planning, interactie en leiderschap
Trekkende kracht: ambitie
Agile= een flexibele manier van organiseren die focussen op flexibel, multidisciplinair, visueel en korte
cycli
1. Flexibel: snel reageren op veranderingen
2. Multidisciplinair: verschillende vaardigheden komen samen
3. Visueel: gebruik maken van visuele hulpmiddelen bijvoorbeeld scrum
4. Korte cycli, ook wel sprints genoemd
, Scrum= een manier om projecten te managen waarbij teams samenwerken in korte periodes, die
sprints worden genoemd. Tijdens elke sprint werken de teams aan het maken van delen van het
product.
Scrum ‘4-5-4’= een term die staat voor 4 rollen, 5 gebeurtenissen en 4 artefacten.
4 rollen:
- Product Owner: Verantwoordelijk voor het bepalen wat er gebouwd moet worden. Ze
vertegenwoordigen de klant en prioriteren het werk (de "backlog").
- Scrum Master: Helpt het team om het Scrum-proces te volgen en obstakels weg te nemen.
Ze zorgen ervoor dat het team efficiënt kan werken.
- Scrum-teamlid: De groep die het werk uitvoert. Dit kunnen ontwikkelaars, ontwerpers en
testers zijn. Ze werken samen om de doelen van elke sprint te bereiken.
- Stakeholders = betrokkenen bij het project. Communiceren niet met het team, laten die in
rust werken. Stakeholders zijn bv klanten of toekomstige gebruikers.
5 gebeurtenissen:
- Product Backlog: Een lijst van alles wat nog gedaan moet worden aan het project, beheerd
door de Product Owner.
- Sprint Backlog: De taken die het team heeft gekozen om in de huidige sprint af te maken.
- Sprint planning: deze planning bevat de user story’s
- Scrum taskboard: de voortgang van de sprint wordt met post its bijgehouden
- Sprint review: een bijeenkomst aan het einde ervan de sprint waarin het team het
opgeleverde werk demonstreert
4 artefacten:
- Sprint Planning meeting: Het plannen van wat het team in de komende sprint gaat doen.
- Daily Scrum: Een korte dagelijkse vergadering (15 minuten) waarin het team de voortgang
bespreekt en eventuele problemen deelt.
- Sprint Review meeting: Aan het einde van de sprint laat het team zien wat ze hebben
voltooid aan belanghebbenden.
- Sprint Retrospective meeting: Na de sprint bespreekt het team wat goed ging en wat beter
kan voor de volgende sprint
Kortom:
- 4 rollen zorgen voor samenwerking,
- 5 evenementen helpen bij planning en reflectie
- 4 artefacten geven inzicht in wat gedaan moet worden en wat al af is.
Week 1
Definitie project
Bij een project werkt een aantal mensen met een beperkte hoeveelheid geld en
middelen samen om een bepaald doel te
bereiken.
Strategisch inzicht
Strategie is de koers van de organisatie/het
project in relatie tot zijn omgeving.
Wie zijn wij?
Wie zijn onze concurrenten?
Waar willen we naar toe?
Hoe gaan we daar komen?
Doelstelling= waarom wil deze organisatie een nieuw automatiseringssysteem?
Resultaat= dingen die je moet doen om je doelstelling te halen
KPI’S= eisen aan de resultaten
Duwende kracht: Urgentie
Drijvende kracht: planning, interactie en leiderschap
Trekkende kracht: ambitie
Agile= een flexibele manier van organiseren die focussen op flexibel, multidisciplinair, visueel en korte
cycli
1. Flexibel: snel reageren op veranderingen
2. Multidisciplinair: verschillende vaardigheden komen samen
3. Visueel: gebruik maken van visuele hulpmiddelen bijvoorbeeld scrum
4. Korte cycli, ook wel sprints genoemd
, Scrum= een manier om projecten te managen waarbij teams samenwerken in korte periodes, die
sprints worden genoemd. Tijdens elke sprint werken de teams aan het maken van delen van het
product.
Scrum ‘4-5-4’= een term die staat voor 4 rollen, 5 gebeurtenissen en 4 artefacten.
4 rollen:
- Product Owner: Verantwoordelijk voor het bepalen wat er gebouwd moet worden. Ze
vertegenwoordigen de klant en prioriteren het werk (de "backlog").
- Scrum Master: Helpt het team om het Scrum-proces te volgen en obstakels weg te nemen.
Ze zorgen ervoor dat het team efficiënt kan werken.
- Scrum-teamlid: De groep die het werk uitvoert. Dit kunnen ontwikkelaars, ontwerpers en
testers zijn. Ze werken samen om de doelen van elke sprint te bereiken.
- Stakeholders = betrokkenen bij het project. Communiceren niet met het team, laten die in
rust werken. Stakeholders zijn bv klanten of toekomstige gebruikers.
5 gebeurtenissen:
- Product Backlog: Een lijst van alles wat nog gedaan moet worden aan het project, beheerd
door de Product Owner.
- Sprint Backlog: De taken die het team heeft gekozen om in de huidige sprint af te maken.
- Sprint planning: deze planning bevat de user story’s
- Scrum taskboard: de voortgang van de sprint wordt met post its bijgehouden
- Sprint review: een bijeenkomst aan het einde ervan de sprint waarin het team het
opgeleverde werk demonstreert
4 artefacten:
- Sprint Planning meeting: Het plannen van wat het team in de komende sprint gaat doen.
- Daily Scrum: Een korte dagelijkse vergadering (15 minuten) waarin het team de voortgang
bespreekt en eventuele problemen deelt.
- Sprint Review meeting: Aan het einde van de sprint laat het team zien wat ze hebben
voltooid aan belanghebbenden.
- Sprint Retrospective meeting: Na de sprint bespreekt het team wat goed ging en wat beter
kan voor de volgende sprint
Kortom:
- 4 rollen zorgen voor samenwerking,
- 5 evenementen helpen bij planning en reflectie
- 4 artefacten geven inzicht in wat gedaan moet worden en wat al af is.