ANTWOORDMODEL
Oefententamen Specifieke Zorggroepen 1
THK Master 1.2.1 & 1.2.2
Gebruik dit antwoordmodel ALLEEN na het maken van het oefententamen. MCQ: 1 punt per goed
antwoord. Open vragen: zie puntenverdeling per modelantwoord.
, DEEL A — Kindertandheelkunde & Logopedie
Vraag 1
✓ Antwoord: B
NRCT is globaal de eerste keuze bij gecaviteerde laesies in melkelementen (KIMO-richtlijn), zeker
als de wisseling in aantocht is. Het activeert de zelfzorg en maskeert de cariësactiviteit niet.
Vraag 2
✓ Antwoord: B
Een pocketdiepte van 2 mm is fysiologisch normaal voor een melkmolaar. De andere opties
(interradiculaire radiolucentie, fistel, percussiegevoeligheid) zijn wél indicatoren voor een aangedane
pulpa.
Vraag 3
✓ Antwoord: B
Na de Halltechniek is de beet gemiddeld 2,4 mm verhoogd maar normaliseert dit binnen enkele
weken. Er is geen verdoving of preparatie nodig.
Vraag 4
✓ Antwoord: C
Oligodontie = 6 of meer ontbrekende elementen (M3's tellen niet mee). Hypodontie = 1–5, anodontie
= alle elementen.
Vraag 5
✓ Antwoord: B
Metronidazol + amoxicilline is de geïndiceerde combinatie bij prepuberale en juveniele parodontitis.
Vraag 6
✓ Antwoord: B
De laesies worden ZWART na SDF-applicatie. Communicatie hierover vooraf is essentieel. Het
verwijderen van biofilm blijft ook noodzakelijk.
Vraag 7
✓ Antwoord: B
Onderzoek heeft aangetoond dat achterblijvend geïnfecteerd dentine centraal in de caviteit het
succespercentage van de restauratie niet beïnvloedt. Stepwise excavation voegt dus een
overbodige stap toe.
Vraag 8
✓ Antwoord: B
Geel/bruine defecten bij MIH bestrijken de volledige glazuurdikte, zijn poreus en bros, en kunnen
makkelijk afbrokkelen. Creme/witte defecten liggen in het binnenste deel.
Vraag 9
✓ Antwoord: B
ASA II = lichte systemische aandoening, enkele beperkingen (stressreductie, aangepast tijdstip,
klaarleggen preventieve medicatie).
Vraag 10
✓ Antwoord: B
Dentinogenesis imperfecta: gele tot bruin/blauw transparante tanden, bulleuze kronen met cervicale
insnoering, geoblitereerde pulpakamers, korte dunne wortels. Soms periapicale radiolucenties
zonder cariogene oorzaak.
Oefententamen Specifieke Zorggroepen 1
THK Master 1.2.1 & 1.2.2
Gebruik dit antwoordmodel ALLEEN na het maken van het oefententamen. MCQ: 1 punt per goed
antwoord. Open vragen: zie puntenverdeling per modelantwoord.
, DEEL A — Kindertandheelkunde & Logopedie
Vraag 1
✓ Antwoord: B
NRCT is globaal de eerste keuze bij gecaviteerde laesies in melkelementen (KIMO-richtlijn), zeker
als de wisseling in aantocht is. Het activeert de zelfzorg en maskeert de cariësactiviteit niet.
Vraag 2
✓ Antwoord: B
Een pocketdiepte van 2 mm is fysiologisch normaal voor een melkmolaar. De andere opties
(interradiculaire radiolucentie, fistel, percussiegevoeligheid) zijn wél indicatoren voor een aangedane
pulpa.
Vraag 3
✓ Antwoord: B
Na de Halltechniek is de beet gemiddeld 2,4 mm verhoogd maar normaliseert dit binnen enkele
weken. Er is geen verdoving of preparatie nodig.
Vraag 4
✓ Antwoord: C
Oligodontie = 6 of meer ontbrekende elementen (M3's tellen niet mee). Hypodontie = 1–5, anodontie
= alle elementen.
Vraag 5
✓ Antwoord: B
Metronidazol + amoxicilline is de geïndiceerde combinatie bij prepuberale en juveniele parodontitis.
Vraag 6
✓ Antwoord: B
De laesies worden ZWART na SDF-applicatie. Communicatie hierover vooraf is essentieel. Het
verwijderen van biofilm blijft ook noodzakelijk.
Vraag 7
✓ Antwoord: B
Onderzoek heeft aangetoond dat achterblijvend geïnfecteerd dentine centraal in de caviteit het
succespercentage van de restauratie niet beïnvloedt. Stepwise excavation voegt dus een
overbodige stap toe.
Vraag 8
✓ Antwoord: B
Geel/bruine defecten bij MIH bestrijken de volledige glazuurdikte, zijn poreus en bros, en kunnen
makkelijk afbrokkelen. Creme/witte defecten liggen in het binnenste deel.
Vraag 9
✓ Antwoord: B
ASA II = lichte systemische aandoening, enkele beperkingen (stressreductie, aangepast tijdstip,
klaarleggen preventieve medicatie).
Vraag 10
✓ Antwoord: B
Dentinogenesis imperfecta: gele tot bruin/blauw transparante tanden, bulleuze kronen met cervicale
insnoering, geoblitereerde pulpakamers, korte dunne wortels. Soms periapicale radiolucenties
zonder cariogene oorzaak.