4.5.1 Het hof heeft aldus terecht de beide elementen van de aan te leggen maatstaf onderscheiden: dat het voortbrengsel een
eigen, oorspronkelijk karakter moet bezitten, houdt, kort gezegd, in dat de vorm niet ontleend mag zijn aan die van een
ander werk (vgl. art. 13 Aw). De eis dat het voortbrengsel het persoonlijk stempel van de maker moet dragen betekent dat
sprake moet zijn van een vorm die het resultaat is van scheppende menselijke arbeid en dus van creatieve keuzes, en die
aldus voortbrengsel is van de menselijke geest. Daarbuiten valt in elk geval al hetgeen een vorm heeft die zo banaal of
triviaal is, dat daarachter geen creatieve arbeid van welke aard ook valt te aan te wijzen.
ECLI:NL:HR:2013:BY1532 Stokke/Fiskma
4. Beoordeling van de middelen in het principale en in het incidentele beroep
4.1 Zowel het middel in het principale beroep als het middel in het incidentele beroep richten klachten tegen hetgeen het hof in
zijn tussenarrest heeft geoordeeld met betrekking tot de beschermingsomvang van de Tripp Trapp en de toetsing aan het
totaalindrukkencriterium.
4.2 Bij de beoordeling van deze klachten wordt het volgende vooropgesteld.
(a) Om voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking te komen, is vereist dat het desbetreffende werk een eigen,
oorspronkelijk karakter heeft en het persoonlijk stempel van de maker draagt (vgl. HR 30 mei 2008, LJN BC2153, NJ
2008/556 ([[E]])). Het HvJEU heeft de maatstaf aldus geformuleerd dat het moet gaan om "een eigen intellectuele schepping van
de auteur van het werk" (HvJEU 16 juli 2009, nr. C-5/08, LJN BJ3749, NJ 2011/288 (Infopaq I)).
(b) Deze maatstaf geldt evenzeer indien het een gebruiksvoorwerp betreft (vgl. BenGH 22 mei 1987, nr. A 85/3, LJN AK1803,
NJ 1987/881 en HR 15 januari 1988, LJN AG5738, NJ 1988/376 (Screenoprints)). Aanleiding voor de veronderstelling dat zulks
naar Europees recht anders zou zijn, is er niet.
(c) Dit werkbegrip vindt haar begrenzing waar het eigen, oorspronkelijk karakter enkel datgene betreft wat noodzakelijk is voor
het verkrijgen van een technisch effect. Elementen van het werk die louter een technisch effect dienen of te zeer het resultaat zijn
van een door technische uitgangspunten beperkte keuze, zijn van bescherming uitgesloten (vgl. HvJEU 22 december 2010, nr. C-
393/09, LJN BP0405, NJ 2011/289 (BSA) en HR 16 juni 2006, LJN AU8940, NJ 2006/585 (Kecofa/Lancôme)).
Daarbij verdient opmerking dat deze uitsluiting van auteursrechtelijke bescherming zich niet uitstrekt tot alle elementen die een
technische functie bezitten: daarmee zou de industriële vormgeving ten onrechte buiten het bereik van het auteursrecht geplaatst
worden.
(d) Het feit dat het werk voldoet aan technische en functionele eisen laat onverlet dat de ontwerpmarges of
keuzemogelijkheden zodanig kunnen zijn dat voldoende ruimte bestaat voor creatieve keuzes van de maker die
een werk in auteursrechtelijke zin kunnen opleveren (vgl. HR 8 september 2006, LJN AX3171, NJ 2006/493
(Slotermeervilla's)).
(e) Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van inbreuk op een auteursrecht op een gebruiksvoorwerp dient beoordeeld
te worden in welke mate de totaalindrukken van het beweerdelijk inbreuk makende werk en het beweerdelijk bewerkte of
nagebootste werk overeenstemmen.
De auteursrechtelijk beschermde trekken of elementen van laatstbedoeld werk zijn daarbij bepalend, met dien verstande dat ook
een verzameling of bepaalde selectie van op zichzelf niet beschermde elementen, een (oorspronkelijk) werk kan zijn in de zin van
de Auteurswet, mits die selectie het persoonlijk stempel van de maker draagt. Bij de vergelijking van de totaalindrukken dienen
dus ook onbeschermde elementen in aanmerking te worden genomen, voor zover de combinatie van al deze elementen in het
beweerdelijk nagebootste werk aan de "werktoets" beantwoordt. Voorts geldt dat de enkele omstandigheid dat het werk of
bepaalde elementen daarvan, passen binnen een bepaalde mode, stijl of trend niet betekent dat het werk of deze elementen zonder
meer onbeschermd zijn. Onderzocht moet worden of de vormgeving van de (combinatie van de) verschillende elementen zodanig
is dat aangenomen kan worden dat met het ontwerp door de maker op een voldoende eigen wijze uiting is gegeven aan de
vigerende stijl, trend of mode (HR 29 december 1995, LJN ZC1942, NJ 1996/546 (Decaux/Mediamax)).
,ARREST VAN HET HOF (Grote kamer) Heks’nkaas
40 Bijgevolg impliceert het begrip „werk” als bedoeld in richtlijn 2001/29
noodzakelijkerwijs een uitdrukkingsvorm van het voorwerp van de
auteursrechtelijke bescherming waardoor dit voorwerp voldoende nauwkeurig en
objectief kan worden geïdentificeerd, ook al hoeft deze uitdrukkingsvorm niet per
se permanent te zijn.
42 De smaak van een voedingsmiddel kan echter niet nauwkeurig en objectief
worden uitgedrukt. In tegenstelling tot wat bijvoorbeeld geldt voor een letterkundig
werk, een schilderij, een film of een muziekstuk, dat een nauwkeurige en objectieve
uitdrukkingsvorm is, berust de identificatie van de smaak van een voedingsmiddel
immers hoofdzakelijk op smaakbeleving en smaakervaring, die subjectief en
variabel zijn, aangezien zij met name afhankelijk zijn van factoren die eigen zijn aan
de persoon die het betrokken product proeft, zoals diens leeftijd,
voedselvoorkeuren en consumptiegewoonten, alsmede van de omgeving en de
context waarin het product wordt geproefd.
43 Bovendien is het bij de huidige stand van de ontwikkeling van de wetenschap
niet mogelijk om met technische middelen de smaak van een voedingsmiddel
nauwkeurig en objectief te identificeren, waardoor die smaak kan worden
onderscheiden van de smaak van andere producten van dezelfde aard.
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer) Cofomel
30 Wat dit eerste element betreft, volgt uit vaste rechtspraak van het Hof dat het,
om een voorwerp als oorspronkelijk te kunnen beschouwen, zowel noodzakelijk als
voldoende is dat dit voorwerp een intellectuele schepping van de auteur is die de
persoonlijkheid van deze laatste weerspiegelt en tot uiting komt door de vrije
creatieve keuzen van die auteur bij de totstandkoming ervan (zie in die zin arresten
van 1 december 2011, Painer, C-145/10, EU:C:2011:798, punten 88, 89 en 94, en
7 augustus 2018, Renckhoff, C-161/17, EU:C:2018:634, punt 14).
53 Dienaangaande moet om te beginnen worden opgemerkt, enerzijds, dat,
zoals volgt uit de gebruikelijke betekenis van het begrip „esthetiek”, het esthetisch
effect dat door een model kan worden opgewekt het resultaat is van een intrinsiek
subjectieve sensatie van schoonheid die wordt ervaren door elke persoon die
ernaar kijkt. Bijgevolg maakt dit subjectieve effect het op zichzelf niet mogelijk om
te concluderen dat er sprake is van een met voldoende nauwkeurigheid en
, objectiviteit identificeerbaar voorwerp in de zin van de in de punten 32 tot en met
34 van dit arrest genoemde rechtspraak.
54 Anderzijds is het inderdaad zo dat esthetische overwegingen deel uitmaken
van de creatieve activiteit. Het feit dat een model een esthetisch effect opwekt,
maakt het echter op zich niet mogelijk om vast te stellen of het een intellectuele
schepping is die de keuzevrijheid en de persoonlijkheid van de auteur ervan
weerspiegelt en dus voldoet aan het in de punten 30 en 31 van dit arrest genoemde
vereiste van oorspronkelijkheid.
55 Hieruit volgt dat de omstandigheid dat modellen als de in het hoofdgeding
aan de orde zijnde kledingmodellen, afgezien van het utilitaire doel dat ze
nastreven, een eigen, vanuit esthetisch oogpunt opvallend visueel effect opwekken,
niet van dien aard is dat zij als „werken” in de zin van richtlijn 2001/29 kunnen
worden aangemerkt.
56 Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat
artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/29 aldus moet worden uitgelegd dat het in de
weg staat aan een nationale wettelijke regeling die aan modellen zoals de in het
hoofdgeding aan de orde zijnde kledingmodellen auteursrechtelijke bescherming
verleent op grond dat zij, afgezien van het utilitaire doel dat ze nastreven, een
eigen, vanuit esthetisch oogpunt opvallend visueel effect opwekken.