SAMENVATTING
CONSTITUTIONEEL RECHT
Open Universiteit 2025 - 2026
,Inhoudsopgave
Leereenheid 1 – Staatsbegrip en staatsvormen................................................3
1.1 Omschrijving van het staatsrecht............................................................................................ 3
1.2 Ontstaan van staten................................................................................................................ 3
1.3 Voorwaarden voor erkenning van staten en regeringen..........................................................4
1.4 Herkomst en ontwikkeling van het soevereiniteitsbegrip........................................................4
1.5 Basisprincipes van het staatsrecht.......................................................................................... 5
1.6 Bronnen.................................................................................................................................. 5
1.7 Legitimatie van het overheidsgezag........................................................................................ 6
Leereenheid 2 – Functies van het constitutioneel recht....................................7
2.1 Functies van het staatsrecht................................................................................................... 7
2.2 De constituerende functie....................................................................................................... 8
2.3 De attribuerende functie......................................................................................................... 8
2.4 De regulerende functie............................................................................................................ 9
Leereenheid 3 – De Nederlandse staat (in de internationale rechtsorde).........12
3.1 Staatsvorm en regeringsvorm............................................................................................... 12
3.2 Kenmerken van het Nederlandse staatsrecht........................................................................ 13
3.3 De Grondwet......................................................................................................................... 13
3.4 De Europese Unie.................................................................................................................. 14
3.5 Het toetsingsverbod van art. 120 Gw en het toetsingsgebod van art. 94 Gw........................16
Leereenheid 4 – De Nederlandse gedecentraliseerde eenheidsstaat................16
4.1 Decentralisatie...................................................................................................................... 16
4.2 De gemeente en provincie.................................................................................................... 18
4.3 Toezicht................................................................................................................................. 19
4.4 Andere overheidsverbanden.................................................................................................. 20
Leereenheid 5 – De regering.........................................................................20
5.1 De regering........................................................................................................................... 20
Leereenheid 6 – Het parlement.....................................................................25
6.1 Het tweekamerstelsel............................................................................................................ 25
6.2 De samenstelling en inrichting van de Staten-Generaal........................................................25
6.3 Kiesstelsel............................................................................................................................. 27
6.4 Juridische positie van politieke partijen................................................................................. 28
Leereenheid 7 – Het parlementair stelsel.......................................................29
7.1 Parlementair stelsel; vertrouwensregel................................................................................. 29
7.2 Monisme en dualisme............................................................................................................ 29
7.3 Controle................................................................................................................................ 30
Leereenheid 8 – Openbaar bestuur................................................................30
8.1 De Raad van State................................................................................................................. 30
1
, 8.2 Inoorlogverklaring; defensie; uitzonderingstoestanden.........................................................30
Leereenheid 9 – De rechterlijke macht...........................................................32
9.1 Het begrip rechterlijke macht................................................................................................ 32
9.2 Gerechten die deel uitmaken van de rechterlijke macht.......................................................32
9.2 Rechterlijke onafhankelijkheid............................................................................................... 32
9.3 Onafhankelijke rechtspraak................................................................................................... 33
9.4 Rechtsbescherming van de burger in geschil met de overheid..............................................33
9.5 De Raad voor de rechtspraak................................................................................................ 34
9.6 Rechterlijke toetsingsrecht................................................................................................... 34
Leereenheid 10 - Grondrechten.....................................................................36
10.1 Definities van grondrechten................................................................................................ 36
10.2 Historische ontwikkeling van grondrechten......................................................................... 36
10.3 Soorten grondrechten (naar functie)................................................................................... 36
10.4 Bronnen van grondrechten.................................................................................................. 37
10.5 Verhouding tussen grondrechten en andere constitutionele bepalingen.............................38
10.6 Subjecten van grondrechten............................................................................................... 38
10.7 Verticale en horizontale werking van grondrechten.............................................................38
10.8 Beperkingssystematiek van grondrechten........................................................................... 39
2
, Leereenheid 1 – Staatsbegrip en staatsvormen
1.1 Omschrijving van het staatsrecht
Het staatsrecht of constitutioneel recht: het recht van een, in de loop van de geschiedenis
ontstaan, door het recht geregeld verband dat dat staat wordt genoemd. De term “staat” komt in
het Nederlandse positieve staatsrecht echter nauwelijks voor (wel “Koninkrijk”, “Nederland”,
“land”, “bevoegd gezag” en “overheid”).
Het begrip staat komt wel voor in het volkenrecht en het privaatrecht:
1. In het volkenrecht is de staat, naast volkenrechtelijke organisaties en individuen,
volkenrechtssubject.
2. In het privaatrecht is de staat een rechtspersoon en als zodanig onderworpen aan het recht
(art. 2:1 BW).
Ook het bestuursrecht regelt altijd relaties waarbij de overheid is betrokken. Ten opzichte van dit
rechtsgebied omvat het staatsrecht de regels die de totstandkoming, gelding en de handhaving
van (de overige) rechtsnormen regelen, alsmede de regels volgens welke de eerstgenoemde regels
mogen worden gewijzigd. Het staatsrecht is het primaire, scheppende, funderende recht zonder
welk de gelding van het overige recht positiefrechtelijk niet te verklaren is. Het bestuursrecht geldt
op grond van het staats-/constitutionele recht en vormt daarmee secundair recht.
Het staatsrecht heeft tevens betrekking op relaties tussen de overheid en de onderdaan (burger).
Het regelt – grotendeels eenzijdige – machtsuitoefening van de overheid over de onderdaan.
Het staats-/constitutionele recht kan met voornoemde worden omschreven als het primaire recht
dat overheidsambten instelt, daaraan bevoegdheden toekent en de betrekkingen binnen de
overheid, alsook betrekkingen tussen overheid en onderdanen regelt. In externe verhoudingen is de
staat onafhankelijk.
Het begrip “overheid” houdt verband met macht (feitelijke potentie tot dwang) en
bevoegdheid (rechtens geregelde macht).
Aanvankelijk waren macht en gezag gekoppeld aan een persoon of een aantal personen.
Vervolgens werden ze losgemaakt van de persoon en gekoppeld aan een ambt. Hiermee
bleven ambten bestaan, ook al verdween de ambtsdrager/vertegenwoordiger.
Tegenwoordig bestaat de overheid uit een complex van ambten, met onderscheiden
bevoegdheden en taken, waarbij het ambt in stand blijft, ook al ontbreekt de ambtsdrager.
1.2 Ontstaan van staten
Voor het bestaan en ontstaan van een staat moet aan vier elementen zijn voldaan:
a) Een groep personen (bevolking);
b) die leven op een bepaald grondgebied (afgebakend territorium);
c) waarbij geregeerd wordt door een overheid die effectief en daadwerkelijk onafhankelijk
gezag uitoefent over die personen (effectief gezag);
d) en die in staat is om betrekkingen aan te gaan met andere staten.
Een staat houdt op te bestaan als hij niet meer voldoet aan een of meer van deze essentiële
criteria. Er zijn drie wijzen waarop een staat kan ontstaan of teniet kan gaan:
1. Een bestaande staat deelt zich op in kleinere staten. Hierbij gaat de oorspronkelijk staat
teniet.
Voorbeeld: de ontwikkelingen die in 1991 in de voormalige Sovjet-Unie hebben
plaatsgevonden.
2. Het opgaan van twee of meer staten in één staat.
Voorbeeld: de vereniging van de Bondsrepubliek Duitsland met de voormalige DDR.
3. De theoretische mogelijkheid dat een staat ontstaat op een territoir met een bevolking, dat
daarvoor niet onder enige staat viel.
3
CONSTITUTIONEEL RECHT
Open Universiteit 2025 - 2026
,Inhoudsopgave
Leereenheid 1 – Staatsbegrip en staatsvormen................................................3
1.1 Omschrijving van het staatsrecht............................................................................................ 3
1.2 Ontstaan van staten................................................................................................................ 3
1.3 Voorwaarden voor erkenning van staten en regeringen..........................................................4
1.4 Herkomst en ontwikkeling van het soevereiniteitsbegrip........................................................4
1.5 Basisprincipes van het staatsrecht.......................................................................................... 5
1.6 Bronnen.................................................................................................................................. 5
1.7 Legitimatie van het overheidsgezag........................................................................................ 6
Leereenheid 2 – Functies van het constitutioneel recht....................................7
2.1 Functies van het staatsrecht................................................................................................... 7
2.2 De constituerende functie....................................................................................................... 8
2.3 De attribuerende functie......................................................................................................... 8
2.4 De regulerende functie............................................................................................................ 9
Leereenheid 3 – De Nederlandse staat (in de internationale rechtsorde).........12
3.1 Staatsvorm en regeringsvorm............................................................................................... 12
3.2 Kenmerken van het Nederlandse staatsrecht........................................................................ 13
3.3 De Grondwet......................................................................................................................... 13
3.4 De Europese Unie.................................................................................................................. 14
3.5 Het toetsingsverbod van art. 120 Gw en het toetsingsgebod van art. 94 Gw........................16
Leereenheid 4 – De Nederlandse gedecentraliseerde eenheidsstaat................16
4.1 Decentralisatie...................................................................................................................... 16
4.2 De gemeente en provincie.................................................................................................... 18
4.3 Toezicht................................................................................................................................. 19
4.4 Andere overheidsverbanden.................................................................................................. 20
Leereenheid 5 – De regering.........................................................................20
5.1 De regering........................................................................................................................... 20
Leereenheid 6 – Het parlement.....................................................................25
6.1 Het tweekamerstelsel............................................................................................................ 25
6.2 De samenstelling en inrichting van de Staten-Generaal........................................................25
6.3 Kiesstelsel............................................................................................................................. 27
6.4 Juridische positie van politieke partijen................................................................................. 28
Leereenheid 7 – Het parlementair stelsel.......................................................29
7.1 Parlementair stelsel; vertrouwensregel................................................................................. 29
7.2 Monisme en dualisme............................................................................................................ 29
7.3 Controle................................................................................................................................ 30
Leereenheid 8 – Openbaar bestuur................................................................30
8.1 De Raad van State................................................................................................................. 30
1
, 8.2 Inoorlogverklaring; defensie; uitzonderingstoestanden.........................................................30
Leereenheid 9 – De rechterlijke macht...........................................................32
9.1 Het begrip rechterlijke macht................................................................................................ 32
9.2 Gerechten die deel uitmaken van de rechterlijke macht.......................................................32
9.2 Rechterlijke onafhankelijkheid............................................................................................... 32
9.3 Onafhankelijke rechtspraak................................................................................................... 33
9.4 Rechtsbescherming van de burger in geschil met de overheid..............................................33
9.5 De Raad voor de rechtspraak................................................................................................ 34
9.6 Rechterlijke toetsingsrecht................................................................................................... 34
Leereenheid 10 - Grondrechten.....................................................................36
10.1 Definities van grondrechten................................................................................................ 36
10.2 Historische ontwikkeling van grondrechten......................................................................... 36
10.3 Soorten grondrechten (naar functie)................................................................................... 36
10.4 Bronnen van grondrechten.................................................................................................. 37
10.5 Verhouding tussen grondrechten en andere constitutionele bepalingen.............................38
10.6 Subjecten van grondrechten............................................................................................... 38
10.7 Verticale en horizontale werking van grondrechten.............................................................38
10.8 Beperkingssystematiek van grondrechten........................................................................... 39
2
, Leereenheid 1 – Staatsbegrip en staatsvormen
1.1 Omschrijving van het staatsrecht
Het staatsrecht of constitutioneel recht: het recht van een, in de loop van de geschiedenis
ontstaan, door het recht geregeld verband dat dat staat wordt genoemd. De term “staat” komt in
het Nederlandse positieve staatsrecht echter nauwelijks voor (wel “Koninkrijk”, “Nederland”,
“land”, “bevoegd gezag” en “overheid”).
Het begrip staat komt wel voor in het volkenrecht en het privaatrecht:
1. In het volkenrecht is de staat, naast volkenrechtelijke organisaties en individuen,
volkenrechtssubject.
2. In het privaatrecht is de staat een rechtspersoon en als zodanig onderworpen aan het recht
(art. 2:1 BW).
Ook het bestuursrecht regelt altijd relaties waarbij de overheid is betrokken. Ten opzichte van dit
rechtsgebied omvat het staatsrecht de regels die de totstandkoming, gelding en de handhaving
van (de overige) rechtsnormen regelen, alsmede de regels volgens welke de eerstgenoemde regels
mogen worden gewijzigd. Het staatsrecht is het primaire, scheppende, funderende recht zonder
welk de gelding van het overige recht positiefrechtelijk niet te verklaren is. Het bestuursrecht geldt
op grond van het staats-/constitutionele recht en vormt daarmee secundair recht.
Het staatsrecht heeft tevens betrekking op relaties tussen de overheid en de onderdaan (burger).
Het regelt – grotendeels eenzijdige – machtsuitoefening van de overheid over de onderdaan.
Het staats-/constitutionele recht kan met voornoemde worden omschreven als het primaire recht
dat overheidsambten instelt, daaraan bevoegdheden toekent en de betrekkingen binnen de
overheid, alsook betrekkingen tussen overheid en onderdanen regelt. In externe verhoudingen is de
staat onafhankelijk.
Het begrip “overheid” houdt verband met macht (feitelijke potentie tot dwang) en
bevoegdheid (rechtens geregelde macht).
Aanvankelijk waren macht en gezag gekoppeld aan een persoon of een aantal personen.
Vervolgens werden ze losgemaakt van de persoon en gekoppeld aan een ambt. Hiermee
bleven ambten bestaan, ook al verdween de ambtsdrager/vertegenwoordiger.
Tegenwoordig bestaat de overheid uit een complex van ambten, met onderscheiden
bevoegdheden en taken, waarbij het ambt in stand blijft, ook al ontbreekt de ambtsdrager.
1.2 Ontstaan van staten
Voor het bestaan en ontstaan van een staat moet aan vier elementen zijn voldaan:
a) Een groep personen (bevolking);
b) die leven op een bepaald grondgebied (afgebakend territorium);
c) waarbij geregeerd wordt door een overheid die effectief en daadwerkelijk onafhankelijk
gezag uitoefent over die personen (effectief gezag);
d) en die in staat is om betrekkingen aan te gaan met andere staten.
Een staat houdt op te bestaan als hij niet meer voldoet aan een of meer van deze essentiële
criteria. Er zijn drie wijzen waarop een staat kan ontstaan of teniet kan gaan:
1. Een bestaande staat deelt zich op in kleinere staten. Hierbij gaat de oorspronkelijk staat
teniet.
Voorbeeld: de ontwikkelingen die in 1991 in de voormalige Sovjet-Unie hebben
plaatsgevonden.
2. Het opgaan van twee of meer staten in één staat.
Voorbeeld: de vereniging van de Bondsrepubliek Duitsland met de voormalige DDR.
3. De theoretische mogelijkheid dat een staat ontstaat op een territoir met een bevolking, dat
daarvoor niet onder enige staat viel.
3